Home Geschiedenis van kloosters en abdijen

Geschiedenis van kloosters en abdijen

Het boek ‘Het leven van de heilige Antonius’ van Athanasius introduceerde het kloosterwezen in Europa. Het inspireerde duizenden om voor een monastiek leven te kiezen. Vaak wordt Antonius Abt de vader van het (Westerse) monnikenwezen genoemd. Hij leefde op het einde van de derde en het begin van de vierde eeuw na Christus. Aan het eind van de derde eeuw trekken woestijnvaders zich terug in de Egyptische woestijn.

Antonius, een rijke boer uit de Nijldelta, is de meest bekendste. Dat hij wordt beschouwd als de vader van het monnikendom is niet helemaal correct, omdat er globaal twee vormen in het kloosterwezen bestaan.
Het woord monnik komt uit het Grieks (‘monachus’) en betekent zoveel als ‘alleen, rondzwervend’. De eerste christenen die dat doen zijn de religieuze eremieten. Dit zijn de monniken die een zwervend bestaan leiden. De basisgedachte erachter was om los te komen van alle obstakels om God lief te hebben. Het ascetendom heeft gemeenschappelijke wortels. Daarbij horen het verlangen naar eenzaamheid en het vrij maken van zorgen en materieel bezit, opdat men zichzelf en God kan vinden. Ascese en het monnikendom geven ook invulling aan de evangeliën: “Volg Mij.” De andere vorm is die van christenen die in een gemeenschap willen leven, los van de wereldlijke omgeving in dorpen en steden. De kloosters waren zeer bescheiden nederzettingen, meestal bestaande uit hutten, die de monniken ieder voor zich bouwden. Wat laten werden die agglomeraties versterkt, niet zozeer om de kloosterlingen te beschermen, alswel de kostbare relikwieën. Stilaan werden abdijen ook rondom een martyrium gebouwd. Dat wil zeggen rondom de vier muren die de plaats moesten beschermen waar een heilige had geleefd of gestorven was. Er werd een groep gevormd om zijn stoffelijk overschot te bewaken, zijn lof te zingen en naar zijn voorbeeld te leven.

Vroege stichters

Er zijn een aantal tijdgenoten van Antonius, die niet onvermeld mogen blijven. Pachomius stichtte in soort kloosterdorp nabij Thebe. In de gemeenschap was een strakke structuur. Pachomius (290-346) staat aan het hoofd en stelt een aantal regels in voor het gemeenschapsleven. Ieder kreeg zo zijn taken toebedeeld. Gehoorzaamheid was een van de eerste (en moeilijkste) regel.

De bisschop van Caesarea, Basilius stelde eveneens gemeenschapsregels op. Na een tijd als kluizenaar in de woestijn te hebben geleefd, sticht hij kleine kloostergemeenschappen. Het monnikenleven breidt zich dan snel uit over Egypte, Syrië en Palestina.
Augustinus is een zeer belangrijke kerkvader. Na zijn bekering maakt hij van zijn huis een klein klooster. Later sticht hij, als bisschop, meerdere gemeenschappen. De Regel van Augustinus is gebaseerd op bijbelbeschrijvingen van de eerste gemeenschappen in Jeruzalem.

Van het Midden-Oosten naar Europa
De eerste kloosters lijken in Frankrijk te ontstaan. Keizer Constantijn verklaart in 313 het christendom tot staatsgodsdienst. In de tijd dat Athanasius is verbannen naar Trier, weet hij velen over te halen tot godgewijd leven. Onder hen Hieronys en Martinus van Tours. In Frankrijk kwamen kloosters tot stand door toedoen van hem en Honoratus. Ligugé was, nadat Martinus bisschop was geworden, een klooster. Zijn cel was een houten hut. De wijze van monnikenschap sluit aan bij de Egyptische eremieten. Velen sloten zich aan bij Martinus. Bij zijn overlijden zijn zo’n tweeduizend monniken aanwezig. Een ander beroemd klooster uit de begintijd is Lérins. Het gaf het Franse Gallië haar meest beroemde bisschoppen en heiligen. De kerkvader Johannes Cassianus (360-435) stichtte in Marseille een mannen- en vrouwenklooster. Ook is hij de auteur van geschriften over het monnikenwezen.

Keltische wereld

Vroeg monnikendom is ook te vinden bij de eerste Keltische monniken in Ierland, Wales en Schotland. Het is onbekend waar de oorsprong van deze monniken ligt, maar de meest geaccepteerde opinie is dat er geen directe link van de eerste Keltische christenen is met de Egyptische/Franse monniken. Eerder lijken Keltische kloosters meer nederzettingen te zijn geweest waar christenen samenwoonden. Priesters, zowel als leken. Mannen, zowel als vrouwen en kinderen. De belangrijkste monnik is Columbanus, die strenge regels oplegde aan de gemeenschappen. Kastijding, met zweepslagen en andere straffen, waren eerder regel dan uitzondering. In een latere periode worden deze ‘kloostergemeenschappen’ wel degelijk beïnvloed vanuit Frankrijk. De grootste glorietijd van de Ketische monniken is de missie. Resultaten hiervan zijn te vinden over geheel noordwest-Europa.

Italië

Zoals in de meeste andere Europese landen, getuigde het kloosterwezen in Italië, van Oosters karakter. Door het klimaat en door andere omstandigheden was het echter moeilijker die traditie in de praktijk te brengen dan in de landen van oorsprong. Er waren zeker Westerse vertalingen van de Oosterse kloostergebruiken en -regels De eerste ‘regel’ die het gemeenschappelijk leven moest organiseren, werd omstreeks 320 door Pachomius opgesteld, een tijdgenoot van Antonius. In het westen werd deze regel door Athanasius bekendgemaakt toen hij als in Rome verbleef samen met de Egyptische monniken Ammon en Isidorus. Beiden zijn leerlingen van H. Antonius. Ook de beroemde brief van Augustinus moet in dit verband worden genoemd. Tot slot waren er ook enkele korte Westerse geschriften over het kloosterwezen, maar de echte doorbraak voor het westen kwam door Sint Benedictus.

Benedictus van Nursia

Er werden in die tijd circa twintig verschillende ascetische methoden gevolgd en de monniken gingen van het ene klooster naar het andere over. Ze zochten het klooster uit dat hun het best beviel. Tegen het midden van de vierde eeuw stelde Basilius voor de oosterse gemeenschappen een ‘regel’ op. Bij het begin van de vijfde eeuw deed Augustinus dat voor de vrouwengemeenschappen waarover hij het toezicht had. Maar eigenlijk was het de heilige Benedictus die eenheid bracht in het kloosterleven met zijn beroemde ‘regel van Benedictus’.

Deze regel werd opgesteld omstreeks 530 te Monte Cassino, ten zuiden van Rome. De regel wordt nog steeds gevolgd. De regel bevat alle belangrijke bestandsdelen voor een klooster. Genoemd kunnen worden de gebedsruimte (oratorium), de eetruimte (refectorium), de slaapruimte (dormitorium), de keuken (coquina), de leesruimte (bibliotheca), de tuin (hortus), het gastenverblijf (cella hospitum) en het ziekenverblijf (cella infirmorum). Later kwamen daar bijvoorbeeld de kapittelzaal bij voor voordrachten, besluitvorming en dergelijke.

In 580 werd Monte Cassino vernietigd door de Lombarden. De monniken vluchtten naar Rome en namen uiteraard hun Regel van Benedictus mee. Het is vrijwel zeker dat Gregorius de Grote de Regel introduceerde in zes klooster op Sicilië. Hij zorgde er ook voor dat (de volgelingen van) Augustinus de Regel meenamen naar Engeland. Ook de Franse en Lombardische kloosters adopteerden de Regel onder invloed van deze paus.
In de zevende eeuw verspreidde de Regel van Benedictus zich steeds meer. Soms werd de Benedictijnse code gehanteerd naast de lokale gebruikelijke methoden. Maar langzaam maar zeker werd de Benedictijnen als enige echte kloosterregel gezien. Een eeuw later werd vanuit Engeland door toedoen van Sint Bonifatius en Sint Willibrordus de regel ook in de Germaanse streken ingevoerd. Het klooster te Fulda werd rechtstreeks gekopieerd van het model van Monte Cassino. Tot de opkomst van Cluny was de Regel van Benedictus, op enkele uitzonderingen in Spanje en Ierland na, de enige geaccepteerde regel voor het kloosterwezen.

Cluny

Tot dusver was ieder klooster onafhankelijk van alle andere, ondanks dat ze vaak dezelfde leefregel aanhielden. Cluny onder leiding van St. Berno bracht daarin verandering. Het ideaal van Cluny was om te komen tot een hiërarchisch, gecentraliseerde organisatiestructuur van de kloosters. De reactie op Cluny nam verschillende vormen aan. Dat er een reactie zou komen, lijkt besloten in het ideaal van Cluny. Het leek voor menigeen niets van doen te hebben met het primitieve, teruggetrokken zwervende bestaan van geestelijken. Aan het begin van de elfde eeuw komen stromingen die teruggrijpen op het aloude Egyptische ideaal van samenwonende of samen verblijvende heremieten. Lekenbroeders noemen zij zich. Zij onderscheiden zich van de ‘gewone monnik’ door hun toewijding aan (seculiere) arbeid, in tegenstelling tot priestermonniken met devotie en toewijding aan God. Vooral de Orde van Vallombrosa (1039) is één van de eerste bekende instanties. Een andere is de Orde van de Karthuizers. Dit is een orde gesticht in 1084 door de heilige Bruno in het alpenmassief bij Grenoble. Daar is de naam ook van afgeleid: Grande Chatreuse. De religieuzen leven als kluizenaars in huisjes rondom het centrale klooster. De kartuizerorde is de enige die geen hervorming of afscheiding heeft gekend.

Cisterciënzers

Een andere reactie op Cluny was de stichting van de Orde van de cisterciënzers. De naam is afkomstig van Citeaux, vlakbij Dijon in Frankrijk. Citeaux heette toen nog Cistercium. De Orde werd in 1098 gesticht door Robert de Molesmes. Hij hervormde de Benedictijnerorde door een strengere ascese en een grotere armoede op te leggen. De door hem gestichte orde draagt de naam ‘cisterciënzers van de middelste observantie’. Citeaux behield de idee van een onafhankelijk klooster, met dat verschil dat de gezamenlijke kloosters wel de ‘orde’ vormden. Ook kwamen abten van ieder klooster jaarlijks bijeen om de inachtneming van de regels te bespreken. Ook de hoofdabt van Citeaux kwam jaarlijks bij ieder klooster om de disciplineregel onder de aandacht te houden. Dit systeem werd gedocumenteerd in de Carta Cartatis. De cisterciënzers verspreidden zich tussen 1124 en 1151 snel over Europa. Het aantal kloosters steeg in deze korte tijd van zo’n 34 tot 343. Alleen Bernard van Clairvaux stichtte al zo’n 70 cisterciënzerkloosters.

Vanwege de kleur van hun habijt werden ze ookwel ‘witte monniken’ genoemd, daar waar de Benedictijnen ‘zwarte’ monniken waren.

Tot dusverre was het monastieke ideaal puur contemplatief. Uiteraard hadden monniken hun seculiere taken, maar dat was niet het primaire doel van de congregaties. In deze periode tot ca. 1200 ontstaan ordes die specifieke arbeid gingen verrichten. Als eerste zijn de Ridderorden te noemen, zoals de Tempeliers en de Teutonische Orde. Het zijn ridders die willen vechten voor het geloof. Hierdoor ontstaan ook de kruistochten. Daarnaast gaan orden zich toeleggen op de verzorging en verpleging van zieken. De Johanniter en Malteser orden zijn nog steeds actuele voorbeelden. De nieuwe orden uit de 11e en 12e eeuw van de regulier kanunikken (regulier = volgens de regel) nemen de Regel van Augustinus over. In hun leven staat contemplatie en gezamenlijke koorzang op de voorgrond. De Augustijnen (of Augustijnse koorheren) zijn reguliere kanunniken, net zo als de Norbertijnen (of premonstratenziërs) en de Kruisheren. De orde van de Norbertijnen wordt rond 1120 gesticht door Norbertus. De orde van de Kruisheren rond 1236 door Theodorus van Celles. Het zijn de enige orden die in Nederland zijn ontstaan. Ook ontstaan vele broederorden: Karmelieten, Trinitijnen, Servieten en Dominicanen.

Bedelordes

In de eeuwen daarna ontstaat een nieuwe maatschappij, onder andere gekenmerkt door opkomst van steden, industrie en handel. Dit brengt rijkdom met zich mee, maar ook armoede voor velen. Deze tegenstelling gaat zich uiten in de beleving van het christelijke geloof. Dominicus en Franciscus zijn onder de indruk van de armoede, fysiek en vooral geestelijk. Dominicus kreeg de opdracht van paus Innocentius III om heidenen te bekeren. In Toulouse draagt de lokale bisschop hem op in zijn bisdom te preken. Dominicus sticht er de eerste gemeenschap van de predikbroeders. Deze gemeenschap kan worden gezien als een voorloper van de later orde van Dominicanen.

Franciscanen/Minderbroeders

De grootste heilige uit de Middeleeuwen is Francesco Bernardone, beter bekend als Franciscus van Assisi. Hij leeft in het Italiaanse Umbrië in armoede en van de bedelstaf. Hij predikt tot bekering en armoede en vindt vele volgelingen. De regel die Franciscus instelt voor de groeiende gemeenschap is vooral het volgen van Jezus onder de mensen. Hij vindt daarin ook navolging van Sint Clara van Assisi. Onder hen ontstaan de Tweede en Derde Orde.
Met de Tweede Orde worden de parallel aan de mannelijke bedelorden ontstane vrouwengemeenschappen bedoeld, de Clarissen in dit geval. In tegenstelling tot de broeders, nemen de vrouwen het oude monnikenideaal over met koordiensten en contemplatief leven. De Derde Orde zijn de wereldlijke gemeenschappen van leken genoemd, die in de geest van Franciscus willen leven. De leden zijn geregeld getrouwd en leven in gezinssituaties. Voorbeeld is de H. Elisabeth van Thüringen.

In de 13e eeuw ontstaan ook andere bedelorden. Zo zijn de augustijnse kluizenaars en de karmelieten (en karmelietessen) te noemen.
In vijftiende eeuw ontstaan interpretatieverschillen over wat Franciscus bedoelde met de regel van de armoed. Werd ascese in geestelijke zin bedoeld of het afzien van materie? Het leidt tot een afsplitsing tussen Observanten en Konventuelen. Binnen de groep van de Observanten komt het echter nog niet tot de broederlijke houding en harmonie zoals Franciscus dat wilde. In verschillende Europese landen ontstaan opnieuw afsplitsingen, zoals de Alcantarinen in Spanje of de Kapucijners.

Terugval en revival

De afsplitsingen binnen de Franciscaanse beweging staan niet op zichzelf. In de Laat-Middeleeuwen is an sich een terugval in het monastieke leven te zien. Enerzijds komt dit door de strenge regels in de verschillende kloosters, anderzijds door demografische omstandigheden, zoals door het uitbreken van de pest (1348 tot 1361) en vele oorlogen. De moeilijkheden binnen de kerk zorgen voor een terugval. Het westerse Schisma van 1378 met strijd tussen paus en tegenpausen verdeelt ook de ordes.

In de vijftiende en zestiende eeuw ontstaat een revival van het monastieke leven. Het is de tijd van de reformatie, de tijd van Luther met zijn 95 stellingen. Ondanks de reformatie, met berovingen door Hendrik VII van honderden kloosters, opstanden in Duitsland, godsdienstoorlogen in Frankrijk, de beeldenstorm van 1566, betekende deze periode geen ineenstoring van het geestelijk leven. In die periode predikt Ignatius van Loyola, als stichter van de Jezuïeten-orde. Met de regels van de Jezuïeten-orde van Sint Ignatius wil hij een effectief en slagvaardige groep mensen bijeenbrengen om het katholieke geloof tegen de reformatie te kunnen verdedigen en het geloof in de nieuwe continenten te kunnen verspreiden. Daarvoor is vooral studie nodig. Spoedig leren Jezuïeten aan universiteiten en leggen zij zich toe op theologie, filosofie of seculiere wetenschappen als wiskunde en astronomie. Daarmee nemen de Jezuïeten de kopgroep in de contrareformatie. Zij zijn niet de enige. Andere orden die het verloren terrein aan de protestanten willen herwinnen, zijn bijvoorbeeld de Theatiner en Barnabieten. In Nederland ontstaat de Moderne Devotie, een beweging die de oorspronkelijke regels weer wilden naleven. Na het concilie van Konstanz, dat een einde maakt aan het schisma van 1378, werken orden aan herstel van de liturgie, gemeenschapsleven en doelstellingen. De ontdekking van de Nieuwe Wereld zorgt voor oude en nieuwe orden die de missie ingaan.

Barok
Barok is niet alleen de kunstvorm; het is ook een levensstijl, die bij de nieuwe katholieken zelfbewustzijn tot uitdrukking wil brengen. Overal ontstaan nieuwe orden die willen werken voor het katholieke geloof. Er zijn er die zich richten op armen en ziekenzorg, zoals de volgelingen van Vincentius de Paul (Lazaristen of Vincentiziens). Kloosters willen een stempel op de cultuur drukken en zo ontstaan vele kloosterbibliotheken en natuurkundige verzamelingen. Richting de Nieuwe Wereld trekken missiepriesters, zoals de Montfortanen, de Passionisten (gesticht 1720), en de Redemptoristen (gesticht 1732).

Verlichting
Aan het einde van de 17e eeuw staat Europa in het teken van de Verlichting en de menselijke geest. Descartes, Voltaires bevorderen vooral het rationele denken, los van het religieuze. De contemplatieve orden worden als niet-productief gezien, die vrijwel niets voor de mensheid presteren. De benedictijnen ontwikkelen een passie voor onderzoek en vele kloosterbibliotheken van onschatbare waarde ontstaan. De abt De Rancé van de abdij La Trappe is tegen deze intellectualisering. Hij bepleit toewijding en strenge boetedoening. Zijn leefregel trekt veel nieuwelingen. Uiteindelijk leidt het verschil van inzicht tot een nieuwe orde, die van de trappisten. In de kledij komt een en ander tot uitdrukking. Naast de ‘witte’ cisterciënzers en ‘zwarte’ benedictijnen hebben de trappisten een witte pij met een zwart middenstuk.

Het gaat zeer bergafwaarts met het kloosterwezen. De vrijmetselarij is een beweging uit de tijd van de verlichting en zijn anti-godsdienstig. In het Habsburgse rijk worden alle kloosters en abdijen gesloten die geen nuttig doel hadden. Vervolgens brak de Franse revolutie uit, met als gevolg dat de toch al verzwakte gemeenschappen werden opgeheven, werden beroofd of verwoest.
De negentiende eeuw begint met een absoluut nulpunt voor de congregaties. Vervolgens gloort er een nieuwe bloeiperiode. Vanaf het begin van de negentiende eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog worden een recordaantal orden gesticht. Ook leven de oude orden weer op, zoals de Kartuizers en de Benedictijnen. Maar ook de Dominicanen, de Premonstratenzers, de Cisterciënzers en de Augustijnen winnen verloren terrein, net als de Franciscanen en de gemeenschappen van voor de Franse Revolutie (zoals de Lazaristen en Redemptoristen). Het is ondoenlijk alle nieuwe congregaties te noemen. Wat belangrijk is, is dat al deze nieuwe gemeenschappen een christelijk antwoord willen geven op de noden van die tijd.

Ze willen apostolisch werken, mensen voor het geloof winnen en allen helpen, die in geestelijke, lichamelijke of sociale nood zijn. Een paar voorbeelden (met stichtingsjaar): Ursulinnen (1838), de Oblaten (1816), de Assumptionisten (1845), de Salesianen van Don Bosco (1859), de Steyler missionarissen (1875), de Witte Paters (1868) en Marianhill (1909). De nieuwe orden richten zich bijvoorbeeld op onderwijs, missie en charitatieve doelen.

Na de wereldoorlogen
Na de beide Wereldoorlog neemt het kloosterleven als geheel toe. Dat is niet verwonderlijk, in en na een periode van wereldcrisis. Vooral de contemplatieve orden stralen in Europa en in Amerika. In 1960 is het aantal kloosterlingen geschat op twee miljoen. Het Tweede Vaticaans Concilie wil dat de orden zich aanpassen aan hun tijd, zonder hun kracht op te geven. Het concilie schrijft voor dat de orden terugkeren naar de bronnen van het evangelie. Deze voorgestelde hervorming is uniek, omdat eerdere hervormingen vanuit de gemeenschappen zelf kwam. Nu is het de Wereldkerk die zich uitspreekt. Het concilie zorgt voor onrust bij de kloosters. Ook de sterke secularisering in de westerse samenleving baart zorgen. Er heerst onzekerheid bij de kloosters en veel conferenties volgen, het herschrijven van de kloosterregels wordt aangevangen. Velen weten niet meer waarom ze voor de levensvorm van kloosterling hebben gekozen. Het gevolg: een exodus uit de kloosters in de jaren 70 van de vorige eeuw en een zeer beperkt aantal toetredingen. De vergrijzing in de kloostergemeenschappen in West-Europa neemt toe. Wereldwijd blijft het aantal religieuzen stijgen.

Niemand weet wat de toekomst brengt. De geschiedenis van het kloosterwezen leert, dat uit de diepste noden een verrassende vernieuwing en opleving kan ontstaan. De geschiedenis leert ook, dat gemeenschappen op de noden van haar tijd antwoorden hebben gevonden. Antwoorden die congregaties nieuw leven inbliezen en tot een bloeiende gemeenschap brachten. De recente toename in vraag naar bezinning en inkeer geeft dat mogelijk al aan.