Joachim le Sage ten Broek (1775-1841) was afkomstig uit een protestantse familie. Zijn vader was niet alleen hoogleraar filosofie maar ook predikant. Joachim bekeerde zich in 1806 echter tot het katholieke geloof. In 1818 zette hij het tijdschrift ‘De Godsdienstvriend’ op dat ruim een halve eeuw artikelen publiceerde over allerlei facetten van het katholieke geloof. Vanzelfsprekend werd de missie daarbij niet vergeten. Heel wat brieven uit de missie zijn in de jaargangen van de Godsdienstvriend opgenomen. In onze tijd kun je ze integraal terugvinden op het internet.

Een bijzondere brief uit de missie is te lezen in deel 84, jaargang 1860. Het is het verslag van een niet bij haar naam genoemde Franse missiezuster, lid van de congregatie van heilige Paulus van Chartres. Op doorreis kwam ze in het najaar van 1859 terecht in Bangkok, de nieuwe hoofdstad van Siam, zoals Thailand in die tijd heette. Op 5 november 1859 legde de zuster haar opgedane ervaringen vast.

Aankomst in Siam

Het schip met zuster X, hoofd van een gezelschap van vier Franse zusters, aan boord arriveerde op 11 september 1859 aan de monding van de Chao Phraya (of Menam), de hoofdrivier van Siam. De zusters stapten bij zonsondergang over op een kleinere overdekte boot op weg naar Bangkok. Lange tijd had men weinig anders dan zee gezien. Hoe heerlijk was het om een landelijke, tropische horizon te kunnen bekijken. Het was genieten.

“Wij vertrokken ’s avonds. De nacht was heerlijk. De maan schitterde aan een onbewolkte hemel. Onze schuit dreef zeer bedaard over het stille water. Onze ogen waren onvermoeid in het aanschouwen van de met groen getooide oevers. Als men door het zo eentonige der gezichtseinders in volle zee vermoeid is, gevoelt men zich zo gelukkig, in de zeeëngten de welige plantengroei van de tropische landen weder te vinden!”

Bangkok

Het duurde nog tot vijf uur in de ochtend alvorens Franse gezelschap in Bangkok arriveerde. De zusters meldden zich onmiddellijk bij Jean-Baptiste de Pallegoix, de Fransman die als missiebisschop in de Siamese hoofdstad fungeerde. “Mgr. Pallegoix ontving ons met een bijzondere goedheid. Wij hadden het geluk de mis van Zijne Hoogwaardigheid bij te wonen”.

Door hun officiële kleding vielen de zusters geweldig op in het warme klimaat. Hun komst werd door de aanwezige katholieke bekeerlingen dan ook meteen rondgebazuind. “De christenen zeiden aan de naburige missionarissen dat er Franse religieuzen met witte vleugels (onze kornetmutsen) waren aangekomen. Verscheidene goede paters bezochten ons. Wij verklaarden dat wij slechts ‘trekvogels’ waren. Allen spraken ons woorden vol christelijke liefde toe”.

Europese geestelijken die al langer in Siam vertoefden hadden zich intussen aangepast aan het heersende klimaat. “De paters dragen allemaal de soutane (‘overrok’), maar zij laten hun baarden groeien en gaan blootvoets, behalve bij officiële gelegenheden. Het trof ons zeer een eerbiedwaardige bisschop [eveneens] blootvoets te zien”.

Dat was mooi schreef de vrouw in haar verslag: “Hoe schoon zijn de voeten, welke de vrede en de goede tijding verkondigen!”

Een koninklijke prins op bezoek

De vier Franse zusters wilden in Bangkok even tot rust komen. “Gedurende enige dagen verlieten wij ons onderkomen alleen om de mis te gaan bijwonen”.

Het pakte al snel anders uit. “Men kondigde ons bezoekers aan. Het was een oude schoolmeesteres met jonge christen-meisjes. Ze boden ons vruchten, koeken en matten aan. Wij bedankten hen van harte”.

Op 16 september 1859, vijf dagen na aankomst in Siam, arriveerde een persoon van zeer hoge komaf. Het was de ‘eerste prins van het koninkrijk’. De zuster had graag de naam van de prins willen vermelden in de brief uit de missie, maar die was zo lang en ingewikkeld dat ze niet in staat was hem op te schrijven. De prins was trouwens niet alleen. Hij liet zich vergezellen door een Fransman, een tolk en een aantal slaven, die zich buigend (voor de prins) voortbewogen.

“Wij stonden zeer verbaasd over die eer”, zo werd het vastgelegd.

Daarna volgde een gedetailleerde beschrijving. “Zijne Hoogheid is vrij lang, maar zo zwaarlijvig dat het lopen moeilijk valt. De kleding van de prins bestond uit een zijden langouti, een vest van wit linnen, en een gele zijden sjerp. Hij was blootvoets. Zijn hoofd was op Siamese wijze geschoren, met uitzondering van de kruin, die bij wijze van kwast een haarbos droeg.

De belangrijkste slaaf, die de prins volgde, droeg een gouden cassette met daarin betel [sirih, om te kauwen]. Achter hem een tweede slaaf met in zijn hand een gouden vaas, waarin zich sigaren en een porteuille bevonden”.

Het viel de Franse gastvrouw op dat de prins haar op Europese wijze begroette. Opvallend vond zij bovendien dat de hoge gast met een zeer vriendelijk gelaat allerlei vragen stelde over wat het betekende om missiezuster te zijn en wat hun werkzaamheden inhielden.

Aan het einde van het onderhoud liet hij weten dat het niet moeilijk zou zijn om de koning van Siam in zijn paleis te ontmoeten. “Wij hoefden een eventueel verzoek tot audiëntie alleen maar aan de Franse consul in Bangkok door te geven. Zijne Majesteit, verklaarde hij, zou ons met genoegen ontvangen”.

De Europese zusters waren vanzelfsprekend onder de indruk. “Wij bedankten de prins voor zijn goedheid en de eer welke hij ons, religieuzen, bewees’.

Koning Mongkut

Als je het verslag leest, lijkt het erop dat de zuster van de ene verbazing in de andere viel over de manier waarop ze in Bangkok op hoog niveau bejegend werd. Dat roept de vraag op in hoeverre ze op hoogte was van de ontwikkelingen in het Aziatische koninkrijk.

Acht jaar voor haar komst, in 1851, was Mongkut (1804-1868) er als Rama IV op de troon gekomen. De nieuwe koning was 47 jaar in 1851. Als boeddhistisch monnik (vóór hij aan de macht kwam) had Mongkut de tijd genomen om de ontwikkelingen in de wereld te bestuderen. Mede door de voor China ongunstige afloop van de Eerste Opiumoorlog in 1842 was hij tot de conclusie gekomen dat de Europeanen voorop liepen op diverse terreinen en wellicht een bedreiging konden worden voor de onafhankelijkheid van Siam. In 1859 waren de Europeanen opnieuw in oorlog met de Chinezen. Het was zaak zo veel mogelijk van de westerse kennis over te nemen en de Europeanen te vriend te houden.

Missiebisschop Pallegoix en Mongkut konden het goed met elkaar vinden. Nog voor Mongkut koning werd, leerde hij Engels en Latijn en studeerde hij sterrenkunde, zoals zijn voorgangers in de zeventiende eeuw met de Jezuieten hadden samengewerkt.

In dat kader is het niet eens zo vreemd dat koning Rama IV de Franse zusters in zijn paleis uitnodigde.

Naar het paleis van Rama IV

In het verslag is te lezen: “Wij hebben later vernomen dat de prins door de koning zelf was gezonden en dat Zijne Majesteit, nadat hij het bericht van onze aankomst had ontvangen, zeer verlangend was ons te zien. Aan de Franse consul lieten wij de zorg over om het bezoek aan het hof te regelen. Dat werd vastgesteld op 3 oktober om twaalf uur ’s middags.

Wij stapten in de grote schuit van Monseigneur Pallegoix waarop de Franse vlag wapperde”.

De bisschop was zelf niet van de partij, maar had wel zijn schip ter beschikking gesteld. “De consul en een Franse missionaris volgden ons elk in hun schuit”.

Het was warm weer. “Bij het verlaten van de landingsplaats moesten we onder een brandende zon een vrij lange weg, met rode bakstenen bestraten, afleggen. In het voorbijgaan zagen we de koninklijke stallen met olifanten. Een page wachtte ons op onder een soort van paviljoen, waar hij ons deed plaatsnemen. Men ging de koning van onze aankomst op de hoogte stellen. Honderden slaven kwamen op enige afstand van ons neerhurken om ons eens goed te bekijken”.

Voor de zusters in warme officiële kledij, met ‘witte vleugels’ op hun hoofd, zal het nauwelijks uit te houden zijn geweest. Gelukkig kregen ze hulp. “Wij moesten lang wachten. De Franse consul zag dat de warmte en de wandeling ons vermoeid hadden. Dat liet hij de koning weten”.

Het protocol werd aangepast. “De koning gaf bevel ons ogenblikkelijk binnen te laten”.

Kennismaking met de koning

De zusters belandden op het voorplein van het paleis, dat bezet was met een groot aantal slaven die allemaal op hun hielen zaten. “De koning bevond zich boven op het bordes, bij de ingang van de audiëntie-zaal. Hij was van middelmatige gestalte en zeer rank. In zijn gelaatstrekken ontwaarde men iets strengs – iets van de absolute meester. Zijn kleding bestond uit een langouti, een wit hemd, een klein vest van lichtblauwe doorschijnende zijde, een Schotse muts en met goud geborduurde pantoffels.

De consul stelde ons voor. Vervolgens richtte de Franse missionaris in het Siamees enige woorden tot Zijne Majesteit”.

In het paleis

De monarch nam het initiatief. “Stilzwijgend beschouwde hij ons enige ogenblikken. Daarna reikte hij mij de hand toe en vroeg me of ik Engels sprak. Op mijn bevestigend antwoord zei hij ons in het Engels: ‘Dames, verlangt gij ook de koningin te zien?’ Waarop hij, zonder acht op de consul en de pater te slaan, ons zei hem te volgen”.

De Franse ‘dames’ kregen meteen een kijkje hoe het er in het paleis toeging. “Met een ongelooflijke snelheid liep hij door een grote zaal. Die was vol met prinsen en mandarijnen [hoge ambtenaren]. Zij waren [bij de komst van de koning] op hun ellebogen of met het aangezicht ter aarde gebogen. Een menigte kleine kinderen, in een eenvoudige langouti gehuld en met gouden ketens en armbanden omhangen, huppelden rondom ons heen”.

De zuster besefte dat het vrolijke gedrag van de kinderen van korte duur was. “Zij waren de enige vrije schepsels te midden van al deze slaven. Arme kinderen! Nog enige jaren en dan zullen ook zij in de tegenwoordigheid van Zijne Majesteit moeten buigen en neerknielen”.

De koning liep door. “Wij volgden hem door verscheidene corridors, te midden van een dubbele rij van neergebogen vrouwen. Eensklaps bleef hij staan en vroeg ons of wij ook Latijn spraken. Zelf kon hij dat, zei hij – om ons daarvan te overtuigen sprak hij het formulier van het kruisteken uit: ‘In nomine patris’ en verder. Daarna nam hij het crucifix, dat aan onze rozenkrans hing, en vertelde dat hij veel van onze godsdienst wist”.

Bij de koningin

Engels bleef de voertaal in de woordenwisseling. “Hij drukte zich zeer goed in het Engels uit, maar hij heeft een belemmering in de uitspraak, zodat wij ons zeer moesten inspannen om hem te begrijpen.
Wij kwamen tenslotte in een mooie zaal. Daarin bevond zich een troon, waarvan de vergulde fauteuil een geschenk was van de koningin [Victoria] van Engeland.

Bij het binnenkomen stelde hij ons de koningin voor: ‘queen consort’ noemde hij haar. Zij was in een englouti gekleed, met een sluier over de rechter schouder, zoals al de Siamese vrouwen. Ze had een zeer innemend voorkomen en was waarschijnlijk een jaar of veertig.

De koning stelde ons tevens de drie kinderen van de koningin voor, benevens een aantal dames met een dertigtal kinderen. Daarna nodigde hij ons uit te gaan zitten en bood ons zelf vijgen aan uit gouden manden.

Overal waar de koning zich heen begaf volgde hem een jong meisje van de lijfwacht. Ze droeg een prachtige sabel op haar schouder. Zodra de koning even stil hield, viel zij op de knieën”.

Het katholieke geloof

“Op de tafel stond een likeur-keldertje dat hij opende en waaruit hij glaasjes nam. Uit een van de flacons schonk hij wijn. Uit het glaasje, dat hij voor zichzelf bestemd had, goot hij een druppel in een van de voor ons bestemde glaasjes, terwijl hij een toost voorstelde aan de katholieke godsdienst en een aan Jezus, Verlosser van de Wereld!”

Die toost viel bij de zusters niet in goede aarde. Het werd tijd dat de koning en zijn onderdanen zich bekeerden tot het ware geloof. “Welk een vreemd toneel! Wij baden inwendig onze goddelijke Meester, zich aan deze heidense koning en zijn volk volkomen bekend te maken”.

Mongkut demonstreerde nog eens zijn goede banden met de Europeanen. “Mgr. Pallegoix noemde hij zijn vriend (‘my friend’). Ook sprak hij over koningin Victoria en over verscheidene beroemde mannen van Engeland. Veel lof zwaaide hij toe aan onze Heilige Vader, de paus [Pius IX, r. 1846-1878]. Hij nodigde ons uit het portret van Zijne Heiligheid te komen zien – in een allerliefst kabinetje, waarin hij het bewaarde”.

Alvorens terug te keren bij de ‘queen consort’ liet Rama IV ook nog even zijn bibliotheek zien, of wat daarvoor moest doorgaan. “In de glazen kasten ontwaarden wij slechts zeer weinige boekdelen. Zijne Majesteit legde uit dat de witte wormen bijna al zijn boeken verslonden hadden”.

Om de zusters van de lege boekenkasten af te leiden, liep hij snel door en opende zelf de vensters – ‘om ons de schoonheid van de landstreek te doen bewonderen”.

Koninklijke maaltijd

Mongkut wilde zijn buitenlandse gasten niet met een lege maag laten vertrekken. “Toen we bij de dames terugkwamen vonden wij de tafel bezet met verscheidene schotels vol vlees-spijzen. De koning nodigde ons uit om te gaan aanzitten en ons te bedienen”.

De zusters wilden niet weigeren. “Wij proefden wat gestoofd vlees. Daarna kwamen slaven geknield de vlees-schotels wegnemen”. Er kwam nog meer. “Tenslotte diende koning aan ieder van ons een taartje toe en nam er zelf ook een. Het deed hem veel genoegen, verklaarde hij, Franse religieuzen aan zijn tafel te zien”.

Afscheid

Langzamerhand kwam er een einde aan het bezoek. De kleine kinderen, die ook tijdens de maaltijd bij de zusters van de heilige Paulus van Chartres waren blijven spelen, lieten van zich horen toen de Françaises opstonden om te vetrekken. “Ze reikten ons hun handjes toe en als uit één mond riepen ze: ‘Goodbye’, vaarwel, het enige Engelse woord dat ze kenden. De koning geleidde ons tot aan de stenen bordes-trap en groette ons door ons de hand aan te bieden”.

Daarmee was het bezoek nog niet helemaal ten einde. “Nauwelijks waren we in onze woning teruggekeerd of enkele officieren van het paleis, gevolgd door slaven, kwamen ons de vijgen aanbieden die op de tafel van de koning gestaan hadden.

Van de prins werd eveneens afscheid genomen – in de vorm van een tegenbezoek. “Enkele paters waren zo goed ons daarbij te vergezellen”.

Bij de prins, met die moeilijke naam, was er wat minder etiquette dan bij de koning. Het was een groot en curieus museum vonden de zusters. “In de salons vond men er Europese, Siamese en Chinese meubels, paardentuigen en zadels, hoeden van allerlei vormen, chronometers, boeken, carcel-lampen, marmeren ledikanten, gouden en zilveren vazen, kleding- en haarborstels, cassettes vol edelgesteenten, op, onder en rondom de meubels opeengestapeld. Temidden van al die rijkdommen lieten twaalf toonkunstenaressen allerlei klanken horen”.

Op het laatst kwam er nog wat politiek om de hoek kijken. “De prins drong er sterk op aan dat wij in Frankrijk zouden doen weten dat hij ons goed onthaald had”. De zuster wist zich geen raad toen ze op zee het verslag van haar verblijf aan het schrijven was. “Ik heb het hem beloofd, maar ik ken niemand. Ik zit er mee hoe ik mijn belofte zal vervullen”….