Louis Roofthooft werd op 5 februari 1855 geboren in de Vlaamse stad Lier. In 1880 arriveerde hij als missionaris van Scheut in China. Samen met zijn landgenoot Jeroom Van Aertselaer, eerder in het keizerrijk gearriveerd, trok hij het binnenland in, op weg naar zijn toekomstige standplaats. In het najaar begon het snel koud te worden. De reis door de noordelijke Gobi-woestijn van de twee Vlaamse paters, vergezeld door twee bekeerlingen als helpers, had dan ook niet altijd een aangenaam karakter.

Louis had zijn familie moeten beloven zo veel mogelijk vast te leggen wat hij onderweg meemaakte. De jongeman, 25 jaar, stelde zich gehoorzaam op. “Graag zou ik verschillende kleinigheden weglaten. Maar ik herinner mij de dringende aanbeveling die u mij kort voor mijn vertrek deed, namelijk om dikwijls en alles hoegenaamd op te schrijven”. Het resultaat van zijn avonturen is terug te vinden in een boekje van 240 pagina’s, getiteld Reis uit Lier naar Mongolië.

Wederwaardigheden onderweg

Op 8 oktober 1880 vertrok het tweetal uit Hohhot in Binnen-Mongolië. Zes uur lang zaten de missionarissen te paard. Hun bagage werd op de ruggen van drie kamelen vervoerd onder de hoede van de bekeerlingen. Na de vermoeiende tocht hielden ze halt bij een Chinese herberg om er te eten en te slapen. De helpers bleven buiten bij de dieren en de reiskoffers, ook in de koude nacht.

De aanwezigheid en gedrag van de westerlingen gaven nogal wat bekijks.

“Wij zaten in het Vlaams te praten. De huisbaas stond ons nauwkeurig gade te slaan. Hij spande al zijn oren om van onze redenering een woordje te kunnen vatten”.

Dat lukte natuurlijk niet. “Hij vroeg onze Mongolen [helpers] of zij ons verstonden.

Op het antwoord ja (zij begrepen ons immers als wij Chinees of Mongools spraken), werden zij aangezien als geleerden. Van links en rechts kwamen Chinezen ons een bezoek afleggen en ons eens fijn in het gezicht te bezien”.

In alle vroegte stond men op. Ontbijten was er niet bij. “Op reis in China eet men nooit ’s morgens. In de vroegte eten wordt daar algemeen gezien als ongezond. Niets nemen is bovendien voordelig voor de beurs”.

Halverwege de dag was het gezelschap al zes uur onderweg. Iedereen keek uit naar de goede herberg die pater Van Aertselaer blijkbaar kende. In de woestijn regende het onverwacht echter pijpestelen. Van verder trekken was geen sprake. Gelukkig konden de missionarissen terecht in de onmiddellijke omgeving – het huis van een ‘heiden’, geen aanhanger dus van het christelijk geloof.

“Onze heiden had twee plaatsen leeg staan. De een was overdekt, maar venster en deur waren nog in de maak”. Het andere onderkomen zag er van buiten een stuk beter uit. “Wij liepen dus naar de andere plaats. Maar de eigenaar haalde ons er onmiddellijk uit. Niemand mocht daar logeren omdat daar zijn doodskist stond”. In China was het gebruikelijk zo’n kist, heel groot, tijdig te laten maken.

De twee Belgen hadden geen keus. “De regenstroom hield aan. In de eerste barak was het in elk geval beter dan doorweekt onder de blote hemel te staan”.

De priesters vervulden vervolgens hun taak in de woestijn. “Wij lazen ons brevier en baden de rozenkrans”.

Ook in deze primitieve herberg werden de westerlingen snel omringd door een groepje nieuwsgierige Chinezen. “Ze betastten onze kleren, telden onze kisten en bekeken ons van top tot teen”.

Europese gebruiken, het roken van sigaren en het drinken van koffie, waren volstrekt onbekend in de Gobi-woestijn. “Een der nieuwsgierigen fluisterde in het oor van een ander: ‘Wat aardige pijpen en wat drinkt dat volk toch een straffe thee’. De slimmeriken dachten dat wij zeemensen waren – zij noemden ons yangjen”. Aan de lezers in Lier legde Louis uit: “Yang is zee, jen is mens”.

Ook nu bleven de helpers buiten. Gelukkig was het opgehouden met regenen. “De lucht was wederom helder. Duizenden sterren stonden aan het hemelgewelfsel te flikkeren”. De paters rolden een geitenvel uit dat tot matras moest dienen. Alvorens zich te ruste te leggen zongen ze samen het slaapliedje ‘Au claire de la lune, mon ami Pierrot’.

Op weg naar de Gele Rivier

Op 10 oktober was het gezelschap al om drie uur ’s nachts uit de ‘herberg’ vertrokken. Vijf uur later hielden ze halt in een dorp waar veel moslims woonden. Van een aangename ontvangst was geen sprake. “Op onze doortocht werden wij door een grote menigte gevolgd. Geruime tijd wierpen de mensen, heidenen en aanhangers van Mohammed, bespottingen en allerlei Chinese vervloekingen naar ons hoofd. Wij deden maar alsof we doof waren”.

Na een verblijf in een islamitische herberg werd verder gereisd. Die dag wilden ze de Gele Rivier oversteken en aan de overkant hun tent opzetten. Roofthooft legde zijn familie uit: “Met paarden en kamelen een woeste stroom in een gebrekkige schuit overtrekken is gevaarlijk. De tocht verliep traag omdat er een hevige wind opstak. Pas na zonsondergang kwamen wij bij de stroom”.

Het steile pad naar de rivier was smal. “Een paar dagen geleden was die baan nog een brede karreweg. Door een overstroming van de Gele Rivier was zij een paadje van niet meer dan een meter breed geworden”.

Dichtbij de rivier gekomen besloot men toch om te keren. “Het werd ons onmogelijk om nog voort te gaan. Hadden wij in het midden van de dag gereisd, dan hadden wij het gevaar van verre gezien en dus kunnen ontwijken”.

Vooruitgaan leek onmogelijk. De drie kamelen beladen met bagage zaten aan elkaar vast geklonken. “Drie lompe dieren omdraaien op een klein oppervlak is rapper gezegd dan gedaan”.

De operatie ‘omdraaien’ werd toch in werking gezet. “De twee paarden, die achteraan kwamen, waren al omgekeerd. Het begon dus goed. Daarna maakte de kameeldrijver het koord los waarmee de achterste kameel met zijn neus aan de middelste was vastgebonden. Langzaam en voorzichtig werd het dier omgedraaid en stond weldra met de kop naar de kant waarvan het gekomen was”.

Een ramp

Met de tweede kameel ging het fout. “Met de achterpoot stronkelde deze snul van de weg langs de rivier en plonsde in de stroom. De vloed was snel en het water stond hoog. Ik zag het gevaar niet, gaf mijn paard over aan medebroeder Van Aertselaer en stond klaar om de Gele Rivier in te springen. Gelukkig hield deze me tegen. Zonder hem was ik een manneke minder geweest”.

Een van de helpers besefte dat het zijn taak was het dier en de bijbehorende bagage te redden. In een van de kisten hadden de paters al het zilvergeld, voor diverse missiegebieden bestemd, opgeborgen. Als dat verloren ging was het een ramp. Zonder geld om ‘te helpen’ waren er nauwelijks of geen bekeringen.

“Onze christene gids maakte berouwvol een goed kruisteken en sprong zonder aarzelen het water in. Hij klampte zich aan het dier vast”.

De kameel werkte niet mee. “De bultenaar begon rare sprongen te maken totdat hij zijn vracht had afgeschud. Na veel moeite geraakte hij op de oever. Maar onze kostbare kisten waren onderwater verdwenen. Afgemat en druipend spartelde de gids aan wal met een hevige koorts op het lijf, want het was bijtend koud”.

Er waren dan wel geen levens verloren gegaan, de materiële gevolgen lieten zich onmiddellijk voelen, legde Roofthooft vast. “Een groot gedeelte van mijn kleding, het misgewaad dat de goedhartige dames van het genootschap der arme kerken van Lier mij hadden geschonken, mijn Chinese reispas, onze tent en een koffer met negenduizend franken lagen op de bodem van de Gele Rivier!”

Nog vóór hij zijn werk als missionaris aanving, begreep de Vlaming hoe belangrijk dat geld was. “Arme Mongolen, die wij dit jaar uit de nood getrokken, menigvuldige bekeeringen, die wij zouden geteld hebben. Dit alles scheen verloren!”

Op zoek naar het geld: contact met de bevolking

Roofthooft legde zich in eerste instantie neer bij de feiten. “Wij konden bijna niets anders zeggen dan ‘Fiat’. Het is een schikking van de Heer. Wij stelden ons betrouwen op God, die ons niet zonder hulp zou laten. Wij hadden dat geld immers alleen meegenomen als middel om Zijn heilige naam in deze woestijnen te doen kennen en beminnen”.

Bij nader inzien bleek het geld evenwel heel belangrijk te zijn. Terwijl de rest van het gezelschap een onderkomen zocht was de inwoner van Lier achtergebleven om ‘wacht te houden op de plaats waar onze schat moest liggen’.

Later die avond werd Louis afgelost. Om het geld terug te vinden deden de twee paters ‘verschillige beloften ter ere van de H. Antonius van Padua’. Daarna legden zij zich ‘vol hoop en betrouwen te ruste. Doch onze ogen wilden maar niet sluiten’.

Van verder trekken was voorlopig geen sprake. “Vier dagen lang bleven wij stil op deze plaats, hangende tussen hoop en vrees”. Met man en macht werd er gewerkt met bootjes, haken en visnetten. “Maar alle moeite was vruchteloos”.

De missionarissen beloofden Chinezen uit de omgeving een mooie premie als het zilvergeld boven water zou komen. “Wij durfden niet te zeggen hoeveel zilver wij verloren hadden. De gelddorst van de heidenen zou anders te zeer geprikkeld worden. Zij zouden het geld in stilte hebben opgevist”.

Door dit oponthoud kwamen de Belgen wel weer in contact met de plaatselijk bevolking. “’s Avonds kwamen zij in onze hut alle soorten van vragen stellen – onder andere of de mensen in Europa wel trouwden. Onder deze heidenen leefde de gedachte dat er in Europa landen waren zonder vrouwen”. De jonge priester voegde eraan toe: “Als het was zoals deze eenvoudige mensen dachten zouden vele mannen aldaar uiterst gelukkig zijn”.

De paters moesten uitleggen wat ze kwamen doen. “Zij vroegen ons of wij kooplieden waren. Wij gaven voor antwoord dat we geloofspredikers waren. Pater Van Aertselaer nam de gelegenheid waar om aan die ongelukkigen de bijzonderste punten van de ware godsdienst uit te leggen”.

Louis hoopte dat de woorden van zijn ervaren collega resultaat zou hebben. “Moge het zaad van het H. Evangelie op vruchtbare grond zijn gevallen”, met die woorden omschreef hij zijn gevoelens.

Voor andere religies hadden de katholieke westerlingen niet de minste sympathie. “Een Mongoolse schipper, gelokt door de beloning voor de vinder, kwam ons voorstellen welriekende stokjes [wierook] aan te steken en de duivel aan te roepen. Kortaf zeiden wij dat wij van de duivel en zijn stokjes niets moesten hebben. Wij namen onze toevlucht door vuriger tot de heilige Antonius te bidden. Om spoediger verhoord te worden lazen wij ook samen ons brevier”.

Belangrijke nieuwe bekeerling

Het verblijf aan de oever van de Gele Rivier leverde ook goed nieuws op. “Een jonge lama (heidense priester) kwam onze tent binnen”. De boeddhistische monnik (‘in een kostuum van rode en gele kleur’) was een belangrijk persoon in deze omgeving, eigenaar van het land tot in de verre omstreken en overste van een groot klooster. “Wij verzochten de lama met ons te eten en te drinken.

Na onze lepels en vorken, ons uurwerk en kompas, onze Europese pijpen en revolvers onderzocht en gekeurd te hebben vroeg de lama of wij Feurlaindo kenden.

Wij begrepen weldra dat hij pater Verlinden bedoelde en vertelden dat wij met die persoon bekend en bevriend waren, dat hij aan het zelfde land [België], aan de zelfde godsdienst toebehoorden als wij, de godsdienst die in geheel Mongolië al op veel plaatsen gevolgd werd”.

Dat was goed nieuws voor de monnik. Hij zou gezegd hebben: “In ons lama-klooster is twist en bedrog aan de orde van de dag. Onze godsdienst deugt niet. Feurlaindo heeft mij geleerd dat uw godsdienst beter is dan de mijne. Ik wil voor mijn ziel zorgen. Als overste en penningmeester moet ik mij naar Hohhot begeven om rekening af te legen over de ontvangsten en uitgaven van de lamaserij. Als dat gedaan is wil ik christen worden. Daarom ben ik naar u gekomen”.

In de Chinese missie was het gebruikelijk dat een man die zich ter bekering aanmeldde niet zonder meer gedoopt werd. Hij moest eerst lange tijd de catachismus leren en bewijzen hoe serieus het ware geloof voor hem was.

In dit geval lag het anders, vonden de Europeanen. “Onze lama hoefde zich niet uit eigenbelang te bekeren – in de hoop door de shenfu [priester] onderhouden te worden. Al het uitwendige van deze jongeling scheen ons van zijne rechtzinnigheid te overtuigen. Al de trekken van zijn gelaat boezemden ons veel vertrouwen in”. Ter verduidelijking aan zijn familie: “Bij al de andere lama’s staan het zedenbederf en de ontucht in de ogen te lezen”.

De conclusie was dan ook duidelijk: “Zonder twijfel zal de barmhartige God zijn goede gesteltenis in acht nemen en hem de troostvolle genade der bekering weten te schenken”.

Problemen opgelost

Met de niet bij naam genoemde boeddhistische priester konden nu afspraken worden gemaakt: over zijn definitieve overgang naar het katholieke geloof en tevens over de problemen bij het opduiken van de kist met zilvergeld.

“Op staande voet werd iedereen aangepakt”. Als de mannen ook maar iets verkeerd deden zouden ze ‘uit hun woning gejaagd en van hun land verdreven worden’.

Van Aertselaer en Roofthooft besloten het zoeken nu aan anderen over te laten en verder naar hun missiegebied te trekken. In zijn dagboek noteerde de voormalige inwoner van Lier, alvorens op te breken: “De wegen der Voorzienigheid zijn ondoorgrondbaar”. Als de oversteek zonder problemen was verlopen hadden ze deze prominente bekeerling nooit ontmoet. “Laat ons bidden en hopen dat deze lama-priester in zijn goede voornemens moge volharden en weldra het geluk bekomen het H. Doopsel te ontvangen en ijverig christen te worden”.

Als missionaris deed je een hoop ervaring op onderweg…