Aloyisius Goossens werd anno 1854 geboren in Diessen ten zuidoosten van Tilburg. Als pater van de Britse congregatie Mill Hill vertrok hij in 1879 eerst naar Afghanistan. Twee jaar later werd hij overgeplaatst naar Borneo. Vanaf 1884 werkte Aloyisius als ‘professor’ (docent) in Mill Hill bij Londen om als ‘Father’ Goossens in 1899 opnieuw het bekeringswerk op Borneo te verrichten. Kort voor zijn overlijden, op 14 augustus 1935, publiceerde Aloyisius allerlei herinneringen over hetgeen hij in de periode 1881-1884 op Borneo meegemaakt had.

Borneo had in de negentiende eeuw onder Nederlands gezag gestaan. Totdat de Brit James Brooke er in 1839 op 36-jarige leeftijd binnenviel en een gebied in het stroomgebied van de Sarawak voor zichzelf confisceerde. Vanuit Kuching ging hij er als blanke raja (koning) de macht uitoefenen. Geleidelijk aan kwam het noordwesten van Borneo onder Brits protectoraat. Geen wonder dat Rome aan de Britse missieorganisatie Mill Hill vroeg er aan het werk te gaan. Heel wat Nederlanders sloten zich bij de Mill Hill-missie aan, onder wie de pater uit Diessen.

Father Thomas Jackson had sinds 1881 de leiding over de missie op Brits Borneo. Goossens kreeg opdracht vanuit Kuching de omgeving te verkennen. Hij ging op zoek naar plekken om missieposten te vestigen in het district van de Sarawak-rivier. “Zoals iedere ontdekkingsreiziger”, schreef hij, “maakte ik heel wat vreemde avonturen mee. Een paar zal ik vertellen”.

Samen met een lokale helper maakte hij een tocht tot aan de oorsprong van de rivier. “Daar was een heerlijk stroompje van het zuiverst denkbare water, dat zijn weg probeerde te boren door heel dik struikgewas. De hitte van de dag en het aanlokkelijke water noopten mij om er een bad te nemen, dat me welkome verfrissing bracht”.

Niet alle ‘Tien Geboden

Toen Goossens zijn tocht wilde voortzetten zag hij een tiental mannen naderen. “Hun huidskleur was behoorlijk blank voor dit land. Ik maakte een praatje met hen en vroeg waar ze vandaan kwamen. Ze vertelden dat hun huis tussen de bergen van Sambas lag. Ze beschouwden zich niet als onderdanen van Groot-Brittannië of Nederland. Aan geen mens betaalden de mannen schatting”.

Goossens vertelde de rondreizende ‘inboorlingen’ dat hij als missionaris het katholieke geloof verkondigde. “Natuurlijk begon ik hen de Tien Geboden uit te leggen.

Ze luisterden met veel aandacht en schenen er veel voor te voelen om iets over God en Zijn geboden te leren”.

Als je de pater mag geloven praatte hij zonder blikken of blozen over het vijfde gebod, “Gij zult niet doden”.

“Plotseling zeiden de mannen goede dag en gingen er vandoor. Toen ik mijn verwondering te boven was, wilde ik mijn catechist [helper] vragen wat dat plotselinge vertrek te betekenen had. Ik zag nog juist dat hij zich achter een uitstekende rots had verborgen”.

Toen hij de ‘inlanders’ nog eens goed nakeek, realiseerde de missionaris zich ineens wat er aan de hand was. “De twee laatsten droegen ieder op hun rug een blijkbaar pas gesneld menselijk hoofd. Ze waren dus net op de terugreis van een sneltocht en nu zat ik hen te vertellen dat het verboden was te doden. Dat ze hun liefste tijdverdrijf er aan zouden moeten geven, dat was te veel gevraagd”.

Goossens besefte achteraf dat hij zelf ook slachtoffer had kunnen zijn. Maar hij had hulp gehad. “Mijn engelbewaarder zorgde ook bij deze gelegenheid goed voor me”.

Uitbarsting van de Krakatau

Een bijzondere ervaring had de Brabantse priester eind augustus 1883. “De zondagmorgen bracht ik door in mijn hut bij het dorpje Grogo. In de verte hoorde ik een lawaai – als van het afschieten van zware kanonnen. Ik dacht dat Hollandse soldaten aan de andere kant van de [Brits-Nederlandse] grens een poging deden om die onafhankelijke koppensnellers te onderwerpen.

Het werd hoe langer hoe donkerder. Toen ik naar buiten ging zag ik de hemel gehuld in een echte Londense mist. Ik begreep dat het niet de kanonnen der Hollanders waren”.

Goossens wilde weten wat die verschijnselen te betekenen hadden. “Ik besloot de volgende ochtend naar Kuching te roeien om daar informatie in te winnen.

Het water stond hoog. De rivier stroomde bijna over zijn oevers. De snelle stroom voerde ons mee. We hadden er slechts voor te zorgen dat we midden op de rivier bleven. Daar hoorden we het gebulder van de stroomversnellingen, die we moesten passeren.

De omgeving was prachtig: grote keien en prachtige tot op grote hoogte uitstekende rotsen, begroeid met een soort klimop. In de gewone tijd was er bijna geen water op die plaats. Maar nu zag het er anders uit. Mijn roeier werd bang toen we dichterbij kwamen.

Ik riep hem toe samen het Onze Vader te bidden en dan op God te vertrouwen. Hij zou ons helpen.

Onder het bidden van het Onze Vader werd het lawaai oorverdovend. We zagen niets meer dan schuim. Ineens voelden we dat onze boot tegen een grote kei gesmakt werd. Mijn gezel slingerde er uit, maar aangezien ik midden in de boot zat kon ik erin blijven.

Het vaartuig dook in een holte, die het water niet vlug genoeg had kunnen vullen. Ik dacht dat het met me gedaan was. Het bootje, en ik erin, schoot met duizelingwekkende snelheid de rivier af. Maar ik was mijn roeispanen, en nog erger: mijn roeier, kwijt. Ik kon de boot niet tot stilstand brengen.

Ineens hoorde ik uit het bruisende water een geroep. ‘Shin foo’ [geestelijke vader]! Daar was mijn knecht naast de boot, met de roeispaan nog in zijn hand. Hij slaagde erin om weer binnen boord te komen. Hoe weet ik niet”.

Door al dat water was het tweetal binnen korte tijd in Kuching. “Daar wisten ze ook niet wat er aan de hand was. Op hun beurt dachten ze dat ik er in het binnenland wel meer van zou weten”.

In 1883 liep de communicatie voor hedendaagse begrippen nog uiterst traag. De afstand van Kuching tot Java bedroeg ruim 1100 kilometer. De bemanning van een schip uit Singapore, dat later in Brits-Borneo arriveerde, wist wat er gebeurd was. “We hoorden van de vulkanische uitbarsting van de Krakatau [ten westen van Java] waarbij 40.000 mensen het leven lieten”.

Maria Hemelvaart op Borneo

In Grogo droeg Goossens de mis elke dag in zijn eentje op. Een bevriende dayak stapte tijdens de mis naar binnen. “Zijn gezicht toonde verwondering over het prachtige gewaad dat ik aan had. Hij begon het meteen te betasten en te onderzoeken.

Ik was in doodsangst dat hij de ampullen leeg zou drinken of de kelk aanraken”.

De Europese priester wist hoe belangrijk het was niet afwerend te handelen. “Gastvrijheid is een van der grootste deugden van de dayaks. Een aanmerking zou mijn invloed over die mensen een stuk doen dalen. Ik slaagde erin hem aan zijn verstand te brengen dat ik tot God aan het bidden was. Ongestoord kon ik mijn heilige mis afmaken”.

Goossens besloot maatregelen te nemen. “Buiten mijn huis bracht ik een kenteken aan om te laten zien dat het geen gewoon huis was, maar een gebouw gewijd aan de eredienst van God. Boven de deur bevestigde ik een plaat van de hemelopneming van Maria”.

De dayaks begrepen niets van de katholieke afbeelding. “Ze kwamen me vertellen dat ik een knappe vrouw moest hebben als dat portret van haar was. Het zou me bovendien veel tranen gekost hebben om afscheid te nemen van al die lieve kleine kindertjes.

Dat waren de engelen op de plaat, die Onze Lieve Vrouw ten Hemel voerden!

Ik was sprakeloos van verbazing. Maar zij konden niet beter weten. Daarom gebruikte ik de gelegenheid iets over O.L. Vrouw te vertellen en verder nog wat te praten over godsdienstige onderwerpen. Tegelijk stelde ik de missiepost onder de bescherming van Maria en vroeg Haar om mij te helpen deze heidenen te bekeren”.

Op stap met Father Jackson

Samen met zijn overste, de Brit Thomas Jackson, maakte Goossens een ontdekkingstocht het binnenland in – op zoek naar steeds nieuwe plekken om missieposten op te zetten, er kerkjes en schooltjes te laten verrijzen.

“Father Jackson had gehoord van mijn reis naar Singhi Hij wilde daar zelf ook eens een kijkje gaan nemen. Op zekere dag verlieten wij Kuching in een zogenaamde sampan, een kleine boot, geheel overdekt, behalve van voren, en bestuurd door één man. Deze bootjes zijn erg gemakkelijk, maar als er wat gebeurt, valt het nog niet mee om er uit te komen.

Na een half uur roeien werd de stroom van het water te sterk en raakte het dak van ons bootje vast in de takken van overhangende bomen. Wij kapseisden, maar gelukkig dicht aan de kant, zodat we er tenminste nog in slaagden vaste grond onder de voeten te krijgen.

Mijn dagboek van die tijd vermeldt dat ik tot op mijn middel in de modder vastzat, en wel een half uur werk had om eruit te komen. We waren druipnat en vreselijk vuil. We zagen er helemaal niet meer als blanke mensen uit. Dus besloten we om terug te keren. Overigens, wat zou een krokodil hier een prachtige gelegenheid gehad hebben!”

Krokodillen

Goossens had zich al eerder met de gevaren van krokodillen bezig gehouden. “De rivieren wemelen van de krokodillen. Men treft ze aan van vijf tot zeven meter in lengte. Ze houden zich het liefst op, waar de inboorlingen gewoon zijn te te baden of uit hun boot aan wal te stappen. Wanneer zij, uit gebrek aan voedsel, eenmaal een mens tot prooi kiezen en buit maken, dan worden ze, gelijk de tijgers in Brits-Indië, mensenjagers en menseneters.

Gelijk een boomstam liggen ze onbeweeglijk met hun snuit juist boven het water, gereed om een onbedachtzaam roeier uit de boot te kapen of zelfs een moeder haar kind te ontrukken. De dood, veroorzaakt door een krokodil, is een verschrikkelijke dood. Hij draagt zijn prooi weg boven water om het bij de eerste gelegenheid tegen een rots te rammen en te verpletteren”.

Tweede poging

Na zich in Kuching verschoond te hebben trokken de twee paters er opnieuw uit over de rivier. “Nu ging het beter. Na zes of zeven uren varen kwamen we aan een klein dorpje, Busok genaamd. We kregen er rijst en gezouten vis. Daarna sliepen we in de boot. ’s Morgens brachten we een bezoek aan een Europeaan die daar woonde en gebruikten een kop thee bij hem. Hij was beambte van een mijn-maatschappij.

We waren nog maar acht kilometer van ons doel, Singhi, verwijderd. De weg erheen was een echt dayak-pad, over heuvels en door moerassen, beekjes en jungle. Father Jackson [geb. 17 februari 1846] was dat marcheren niet gewend. Eindelijk belandden we aan de voet van de Singhi-berg, ongeveer 600 meter hoog. Het duurde wel 2 ½ uur voor we boven waren. We moesten over rotsblokken klauteren, soms over een boom of langs een ravijn kruipen. Dikwijls hielden we even halt om de natuur te bewonderen en tegelijk eens even op adem te komen.

Singhi

We arriveerden tegen de middag, het heetst van den dag. De mensen waren druk bezig met voorbereidingen voor een feest, dat die avond plaats zou hebben. We gingen eerst de hoofdman bezoeken, een flinke kerel, die om zijn kaal geschoren hoofd een doek droeg bij wijze van kroon, maar verder net zo ongekleed was als de rest. De mensen op Singhi wonen allemaal samen in een grote kampong, in huizen volgens dayak-gebruik op palen gebouwd, en hier en daar gescheiden door prachtige riviertjes, watervallen en ravijnen.

Men bracht ons naar het huis van de onder-hoofdman, waar de raad der ouderlingen bijeenkwam en waar wij hen ons plan voorlegden om een missiestatie onder hen te openen. Een geschikte plaats hadden wij al gevonden in het midden van de kampong.

Na lange discussies over de voordelen die er voor hen aan onze vestiging vastzaten, zoals het verkopen van rijst, fruit, gevogelte, varkens enzovoort aan ons, en ook het vooruitzicht dat de zieken medicijnen zouden kunnen krijgen, en wij misschien wel een ziekenhuis zouden beginnen, kregen wij ten antwoord, dat zij die dag geen tijd hadden om te beslissen, vanwege het op handen zijnde feest.

Wij zeiden, dat wij wel tot de volgende ochtend wilden wachten. Daarna gebruikten wij onze rijst met stroop, waarbij zij bij wijze van geschenk twee eieren (al ver heen!) voegden.

Het hele huis zat vol met nieuwsgierige dayaks, die met belangstelling toekeken hoe wij ons maal naar binnen sloegen”.

Als gevolg van hun tocht over de rivier waren de broeken van de paters doornat geworden. Na de maaltijd lieten ze die in de zon drogen. “Al gauw kwam er een dayak op me af met het verzoek hem mijn broek te geven.

Het duurde heel wat, voordat ik hem aan zijn verstand gebracht had, dat ik niet zonder broek in Kuching terug kon komen. Dat snapte hij niet; hij had zelf toch ook geen broek! Ja, die mensen waren heel primitief”.

Goossens en Jackson werden bovendien overstelpt met vragen. “Waar zijn jullie vrouwen, of kom je er misschien hier een halen? De tweede vraag, fluisterend: Heb je jenever bij je? Dat waren zowat de twee eenige dingen die hen interesseerden!”

De missionarissen werden uitgenodigd die avond mee te feesten. “Een soort toneel was opgeslagen, en daarboven een troon. Een ladder leidde naar boven. Men legde een mat op de grond voor ons om op te gaan zitten, en daar kreeg ook de hoofdman in de gaten dat ik onder mijn toog nog een broek aanhad. Wat een overdaad!

Evenals mijn vriend van die morgen vroeg hij of ik hem de broek niet cadeau wilde doen. Aan het eind van iedere dans, uitgevoerd door de vrouwen, van wier kledij kleine belletjes en stukjes metaal hingen te klingelen, kwamen zij allen om de hoofdman staan, en werd er gezamenlijk een slok gedronken; en telkens posteerde de hoofdman zich een trede hoger op de ladder.

Na het laatste bedrijf stond hij boven op de ladder en trok toen, ten volle aanschouwe van de verzamelde menigte, een broek aan over zijn inlandse dayak-bekleding. Waar hij dat ding zo gauw vandaan gehaald had, weet ik niet; maar blijkbaar zou hij mijn pantalon verkozen hebben boven het exemplaar in zijn bezit”.

Zo simpel was het volgens Goossens niet om de heidenen te bekeren, legde hij vast. “Father Felix Westerwoudt [geb. 1861 in Amsterdam] kwam naar Borneo en vroeg om de slechtste missie-statie. Hij werd naar Singhi gestuurd”.