In het jaar 1814 zette dominee Samuel Marsden (1765-1838) voor het eerst voet op de noordkust van Nieuw-Zeeland. Het was 25 december, eerste kerstdag. Vanaf een ter plekke geïmproviseerde kansel preekte hij voor de Britten die met hem meegekomen waren op basis van de tekst ‘Behold, I bring you glad tidings of great joy’. Zijn assistenten en de bemanning van het schip zaten naar hem te luisteren op kano’s die ze voor deze gelegenheid ondersteboven gedraaid hadden. Samen zongen de Britten op deze gedenkwaardige dag de ‘Old Hundreth’-psalm.

Enkele honderden Maoris, de oorspronkelijke bevolking, waren nieuwsgierig naar al die vreemde taferelen die ze van een afstand waarnamen. Van alle kanten kwamen ze aangelopen om te kijken en te luisteren. Ze wisten de vreemdelingen duidelijk te maken dat ze totaal niet begrepen waar hun geestelijke leider over gesproken had. Marsden greep de kans aan om iets van het christendom uit te leggen.

De Maoris deden wat terug als dank. Zij verwelkomden de Europeanen met een krijgsdans: ‘yelling and shouting in their usual style’ kon Marsden tevreden schriftelijk vastleggen.

Dat was in 1814 het begin van de Britse religie in Nieuw-Zeeland. Marsden kwam nog zes keer terug om zijn werk, de verbreiding van het christendom op de eilanden, zo veel mogelijk te perfectioneren. Het is allemaal te lezen in het boek van Ronald Hyam, Britain’s Imperial Century, 1815-1914.

Mill Hill

Nieuw-Zeeland werd een Britse kolonie. Vooral vertegenwoordigers van het Anglicaanse geloof hadden derhalve mogelijkheden om er de christelijke beschaving te verkondigen. Maar in de loop van de negentiende eeuw lieten ook de katholieken van zich horen in de Britse koloniën, dus ook in Australië en Nieuw-Zeeland. Dat was met name het geval na de stichting van de St. Joseph’s Missionary Society in 1866, die bekend werd als de missie van Mill Hill.

In 1947 gaven de Mill Hill Fathers een boekje uit, A Short Account of St. Joseph’s Missionary Society Mill Hill, met daarin ook een terugblik op hoe het in Nieuw-Zeeland gegaan was.

Helemaal tevreden was de auteur niet. Er waren te weinig priesters geweest in het bisdom Auckland. Derhalve was het onmogelijk om voldoende aandacht te geven aan de ‘geestelijke noden’ van de Maoris. Met name John Edmund Luck was het die zich inspande om meer geestelijken in te zetten voor de bekering van de Maoris.

In het boekje werd Father ‘John Baptist’ Becker geciteerd die na aankomst uit de mond van de ‘inboorlingen’ optekende: “We were dead. Now we are alive. We were lost. Now we are found”. Dat klonk goed, maar zo simpel was het niet. “The Maoris had good reason to abhor Europeans after the shameful treatment they had received from some white settlers in their beautiful country”.

Father Holierhoek was de eerste die de oppositie en vooroordelen van de Houhou-stammen wist te breken. Op eerste kerstdag in het jaar 1894, precies tachtig jaar nadat Samuel Marsden de eerste Brits-christelijke boodschap verkondigde, slaagde deze Mill Hill-missionaris erin om bijna honderd Maoris het katholieke doopsel toe te dienen.

Het was vooral zaak voor de missionarissen, is te lezen, om zich aan te passen aan de cultuur van de Maoris. Toen ze dat eenmaal gedaan hadden werden de Fathers in hun werk geholpen ‘with a devotion and loyalty that were extraordinary’.

Albert Hazelzet, een Nederlandse Father van Mill Hill

Er waren niet genoeg Britse priesters om te missioneren in het Britse imperium dat zich in een zeer groot gedeelte van de wereld manifesteerde. Met succes deden de Engelsen een beroep op Duitsland en Nederland. Heel wat Hollandse jongens waren er wel voor te vinden om het ware geloof in den vreemde, inclusief Brits gebied, te gaan verkondigen.

Een van hen was Albertus Johannes Joseph Hazelzet. Albert werd op 29 november 1902 in Amsterdam geboren. Op 21 juli 1929 werd hij in Mill Hill bij Londen tot priester gewijd om kort daarna (22 oktober) in Rotterdam op de boot naar Nieuw-Zeeland te stappen. Na een reis van 14.000 mijlen over zee, legde hij in een artikel vast, bereikte hij op 5 december behouden en wel de haven van Wellington. Vanuit het zuidelijke puntje van het noordereiland moest hij nog heel wat kilometers afleggen om zijn standplaats in het noorden te bereiken.

Hazelzet: “Uit dit alles maakt u wel op, dat ik nog een flinke reis over land voor de boeg had, al was ik in Nieuw-Zeeland aangekomen”. De nieuwe pater zag er evenwel het positieve van in: “Een prachtige gelegenheid om onderweg enige staties en fathers te bezoeken”.

Van de paters Spiering en Wanders leerde hij hoe hij zich in de biechtstoel moest gedragen. Engels was dan de voertaal, ook voor de Maoris. “Als er Maoris komen die geen Engels verstaan, zeg dan maar dat ze wachten”.

Albert eindigde zijn reis in Waitaruke. “Het is een cosmopolitische plaats met een zestigtal Maoris. De pastoor is een Ier. Er zijn drie zusters, een uit Engeland, een uit Duitsland en nummer drie is een Australische en dan de kapelaan – dat ben ik, een Hollander”.

De bekering van een belangrijke Maori

Father Hazelzet en zijn collega’s deden goed werk in Omanaia, naar eigen zeggen een klein ‘protestants Maori-dorpje’ in het noorden van Nieuw-Zeeland. Hazelzet deed verslag in een missieblad van Mill Hill.

De vrouw van Te Keroi, een ‘krasse Maori-baas’ op leeftijd, was volgens hem al katholiek, hij zelf niet. “Father Becker, onze Maori karakter-kenner, hoopte in hem een zieltje meer voor de hemel te winnen. Father Becker handelde langzaam, voorzichtig, maar zeker”.

Eens in de twee maanden las de missionaris de H. Mis in Omanaia. “Dan verzamelde zich de kleine kudde in de schamele hut van Te Keroi”. Het opperhoofd zat erbij, gehurkt op de vloer, zijn benen opgetrokken. Als Father Becker preekte luisterde hij aandachtig met een of meer jonge kinderen in zijn armen, liet de Amsterdammer afdrukken in het blad van Mill Hill. “Van onze indrukwekkende liturgie begreep hij niets. Hij was er doof en stom voor”.

Zonder het te beseffen was Te Keroi in de katholieke invloedssfeer geraakt. De missie-methode van missionaris Becker – langzaam, voorzichtig, maar zeker – begon zijn uitwerking te krijgen. “Te Keroi had dikwijls de eer gehad een H. Mis in zijn eigen hutje bij te wonen. Bovendien had hij het voorrecht gehad de priester in zijn karig maaltje te laten delen. ’s Avonds vertelde hij dan aangename en vrolijke Maori-verhalen rond een vuurtje in het midden van de hut. Tenslotte bracht hij voor zijn gast het kermisbed in orde op de kale, aarden vloer in een van de vier hoeken van de hut.

Het matras bestond uit ‘een hoop oude versleten kleren’.

Becker kleedde zich dan uit. “Dit is: hij nam zijn priester-boordje af en ging naar bed. Later, toen iedereen lag te rusten, stond Te Keroi zachtjes op van zijn soortgelijk bed. Hij was bang dat Father Becker er niet warm genoeg bij lag en daarom spreidde hij zijn eigen overjas over de priester”, is in het artikel van Albert Hazelzet allemaal te lezen.

Volgens de Nederlander liet zijn Duitse collega Becker het zich welgevallen ook al kon hij de slaap niet vatten. Het ging hem er immers om het opperhoofd voor het ware geloof te winnen.

“De genade kwam!” Hazelzet plaatste niet voor niets een uitroepteken achter dat korte zinnetje. “Niet lang geleden heeft Father Becker het geluk gehad Te Keroi ook eens goed te doen. Na een goede biecht en een voorwaardelijk doopsel, en de hernieuwing van zijn huwelijksbeloften, voelde Te Keroi zich werkelijk gelukkig”. Opnieuw met een uitroepteken voegde de Nederlandse father van Mill Hill er aan toe: “En Father Becker niet minder!”

Te Keroi op het matje geroepen

Uit het verslag valt op te maken dat het resultaat van de katholieke missionaris niet onopgemerkt bleef. De harmonie in het dorp was immers verstoord. “Toen kwam er opspraak. Omanaia was in rep en roer. De Maori-welsprekendheid barstte los. Wat haalde die oude man in zijn hoofd? Waarom had hij het protestantse [anglicaanse] geloof opgegeven. Was dat niet goed genoeg meer voor hem?”

Nog op de dag dat hij door Father Becker gedoopt was vond er een grote vergadering van alle Omanaia-dorpelingen plaats. “Jong en oud, mooi en lelijk, allen gingen ’s middags naar de Maori-vergaderzaal”. Het moet een drukke bedoening geweest zijn en niet alleen voor de lokale bevolking. “Anglicaanse, Mormoon en Ratana-zendelingen voegden zich bij de ouderlingen van de stam en namen op de kale vloer plaats”.

De zaal liep vol. “Achteraan kwam Te Keroi aangeslenterd, met een glimlach op zijn bruin gelaat. Hij werd gevolgd door Father Becker met zijn witte lokken en aartsvaderlijke grijze baard. Alvorens zich op de harde grond neer te vleien, haalde hij eerst even zijn rode sjerp flink omhoog: een noodzakelijke voorzorg als je een paar uur lang zo laag op de grond moet zitten. Iedereen vond een plekje met de rug tegen de muur.

De eerste ouderling (kaumatua) stond op en begon zijn redevoering. Op het ritme van de uit zijn mond rollende woorden liep hij gesticulerend op en neer. Zijn tred hield maat met zijn woorden. En na hem drong iedere spreker er op eloquente wijze op aan dat Te Keroi zich goed rekenschap moest geven van zijn stap”.

Te Keroi neemt het initiatief

Uit het verslag van Albert Hazelzet is niet op te maken of hij zelf getuige was van het optreden van John Baptist Becker en stamhoofd Te Keroi. Het is mogelijk dat hij alleen maar opschreef wat hem later verteld werd.

“Het was de beurt aan de oude man. Met behulp van zijn stok stond hij vlug overeind. Even keek Te Keroi naar zijn los hangende veters. Dan stak hij zijn hoofd fier op, liep een paar passen voorwaarts en begon: ‘Ik groet u allen, hier vergaderd. De sprekers vragen mij rekenschap te geven waarom ik katholiek geworden ben. Ziehier mijn antwoord’”.

Te Keroi besefte dat hij wellicht niet lang meer te leven had. Dat bepaalde zijn houding, maakte hij duidelijk. “Ik heb lang geleefd. Maar ik weet, eenmaal moet ik sterven en dan moet ik voor God verschijnen. En dan moet ik niet u, mijn vrienden, maar Hem rekenschap geven van al mijn doen en laten”.

Iedereen wist dat de leider van de stam geen brandschoon verleden had. Volgens Hazelzet verklaarde Te Keroi dat hij ‘veel zonden’ bedreven had. “Zelfs als grijsaard heb ik God met zonden beledigd”.

Father Becker wist volgens de Nederlander niet wat hij hoorde toen hij hem al zijn ‘zonden’ hoorde opsommen. “Hij kreeg het te kwaad, begon zijn hoofd te schudden en zat verlegen op zijn nagels te bijten. Het rood kwam op zijn baardeloze konen te staan.

Alle Maori’s staarden Te Keroi aan, verroerden geen vin. Alleen hier en daar zag men een heimelijke glimlach”.

Openbare biecht

Het stamhoofd had in het openbaar opgebiecht wat hij allemaal verkeerd gedaan in zijn leven. Vervolgens vroeg hij de aanwezige zendelingen of ze hem konden of wilden vergeven.

“Nee, zei de zendeling van de Ratana-religie. Nee, zei de Mormoon-zendeling. Nee, zei de Anglicaanse zendeling”.
Het leek wel een toneelstuk. “Te Keroi keerde zich om en richtte zich tot Father Becker. Father heeft u misschien de macht mijn zonden te vergeven?

‘Ja!’

Vrienden, legde de dorpsleider uit: ‘Daarom werd ik katholiek!’”

Dankzij het sacrament van de biecht, aldus de Amsterdamse Mill Hill-missionaris, had het katholieke geloof weer eens gezegevierd.