Brief uit de missie 133: Pater Benedictus aan de voet van de Kilimanjaro

0
1110
handgeschreven brief

De redactie van het maandblad Katholieke Missiën plaatste in 1922 een drietal artikelen over een missionaris die werd aangeduid als pater Benedictus. Hij was afkomstig uit de Elzas in de periode vóór de Eerste Wereldoorlog, toen dat gebied tot het Duitse keizerrijk behoorde.

De geestelijke keek terug op zijn leven. ‘Het was nu meer dan dertig jaar geleden dat hij voet op Afrikaanse bodem had gezet. Benedictus had zijn aanstelling in het leger opgegeven om een hogere roeping te volgen. Hij zag de grote nood in het vaderland, maar de nood daarbuiten was groter, oneindig groter.’

Benedictus voelde zich geroepen om als missionaris bij te dragen aan de verkondiging van het christendom, het katholieke geloof. ‘Kort na zijn priesterwijding had hij zich ingescheept naar een der moeilijkste en meest verlaten missievelden, Oost-Afrika. De zwarte schaapjes riepen hem; hij zou hun een herder zijn. Een lange reis bracht hem tot aan de Kilimanjaro, de reusachtige berg van het Afrikaanse vasteland.’

De pater had het in stoffelijk opzicht slechter kunnen treffen. ‘De welbebouwde glooiingen en terrassen voorzagen een dichte bevolking van het nodige. Alhoewel bijna vlak onder de evenaar, gaven de hoger gelegen gedeelten de zekerheid van heldere en toch niet te hete dagen, klare, maar niet te koude nachten, en boden de Europeaan uit een gematigde luchtstreek de hoop zich spoediger hier inheems te maken.’

Het begin

De Elzasser kon zich al snel enigszins verstaanbaar maken. ‘Een oppervlakkige kennis van de taal der Swahili stelde hem spoedig in staat te verkeren, met de Wachaga, een vredelievende, arbeidzame stam van landbouwers.’ Helemaal vanzelf was het mondeling contact evenwel niet gegaan. ‘In 1922 nog moest hij lachen om de grappige vergissingen destijds gemaakt als hij, begerig om omgang met de Wachaga te hebben, gruwelijk hun moedertaal vermoordde. Dan waren zij uitgebarst in het hartelijke, luidruchtige lachen van de gemoedelijke Afrikaanse zwarte.’

Benedictus wist contact te leggen op hoog niveau. ‘Van de door hem meegebrachte kleding en snuisterijen maakte hij een oordeelkundige keuze om die onder de gezaghebbenden uit te delen. Een opperhoofd stond hem bereidwillig een stuk gerooid bosland af. Op zijn bevel werd een geriefelijke woning voor hem gebouwd, welke hij aan de heilige Bernardus toewijdde.’

Het duurde niet lang of de Europese priester kon ‘in dit land van de satan’ de heilige mis lezen. ‘De muren waren van gras, het hutje was bedekt met palmbladeren, maar het was bestand tegen de regen.’ Benedictus voelde zich nog hulpeloos, maar zijn geloof zorgde ervoor dat hij zou slagen in zijn werk.

‘Weldra verrees er een ander “gebouw”, dat in verbinding stond met het woonhuis en bestemd was om het volk op te nemen, welks kinderlijke nieuwsgierigheid onverzadelijk bleek.

Op aanraden van de pater rooiden de Afrikanen nog meer bomen en maakten de grond op hun eigen, primitieve manier gelijk. De pater plantte zelf Europese groentezaden en wachtte de uitslag van deze proef met niet weinig aangename voorsmaak af.’

Hulpje

Benedictus kreeg hulp van een jongeman. ‘Het was een wees, wiens ouders bij een inval van de gevreesde Massai gedood waren. Hij evenwel bleef in leven. De jongen hechtte zich als manusje van alles vrijwillig aan de geestelijke. De pater onderrichte hem in de grondbeginselen van koken en wassen. Ook maakte de knaap zich nuttig bij het ruilen van Europese goederen voor enige voedingsmiddelen der inboorlingen.’

De jongeman hielp de blanke als die erop uit trok. ‘Benedictus ging op jacht om wild te vangen – om de plantaardige kost aan te vullen. De zwarte schepte er het grootste vermaak in, de holen en sporen der bosbewoners aan te wijzen en te zien hoe de pater [voormalig militair] ze door een nimmer falend schot neervelde.’

Uiteraard kwam ook het geloof aan de orde. ‘Voor zover de vooruitgang in de taal het hem veroorloofde, trachtte de missionaris hem enige allereerste begrippen van God, van de schepping, van Jezus, de verlosser, aan het verstand te brengen.’

Het knechtje reageerde niet meteen negatief. ‘Hij schudde zijn kort-geknipt hoofd en gromde een soort toestemming.’

Geen succesvolle verkondiging van het geloof

De blanke priester mocht dan wel wat succes hebben bij het weeskind, bij de andere leden van de stam aan de voet van de Kilimanjaro wist hij aanvankelijk niet veel te bereiken. ‘Dag aan dag plachten zij te komen luisteren naar de korte toespraken die pater Benedictus onder een boom in het midden van het dorp hield. Meestal gingen zij onverschillig weg zonder dat het gehoorde enige indruk op hen scheen te maken.’

De Europeaan nam de tijd. ‘Hij woonde in hun midden en onderhield vriendschappelijke betrekkingen met hen.’

Toch raakte hij zo niet verder, besefte hij na een aantal maanden. Het kwam zelfs tot een crisis. ‘Zij schenen zich meer dan gewoonlijk afzijdig te houden. Op zekere dag kon hij maar niet zijn gewone voorraad jamswortelen van hen krijgen. De dorpelingen hadden die zelf nodig, werd er gezegd. De knecht was ontwijkend in zijn antwoorden.’

Missionaris versus tovenaar

Benedictus was in het nauw gebracht en zocht naar de oorzaak. ‘De pater kwam te weten dat een van de kinderen van het opperhoofd vrij plotseling gestorven was.’

Daar bleef het niet bij. Een leeuw drong ’s nachts het dorp binnen en sleurde het ene slachtoffer na het andere mee. De plaatselijke tovenaar bepaalde dat er iemand schuldig was: pater Benedictus!

‘De missionaris werd op een nacht wakker door een duivelse opschudding in het dorp. Zijn eerste gedachte was dat de wilden zijn hut zouden overvallen en hem om het leven brengen. Onmiddellijk strekte hij de hand uit om zijn geweer te grijpen. De kreten, die het bloed in de aderen deden stollen, kwamen naderbij.’ Maar het gevaar week.

De priester besefte dat er meer aan de hand was. Het was de taak van de tovenaar om aan te geven wat er moest gebeuren. ‘Hij werd ontboden om zijn toverformules. De tovenaar hurkte neer op de huid van een luipaard. Een klein gevolg van mannen stond om hem heen, klaar om zijn bevelen uit te voeren. Er werd een kuiken gebracht en gedood. Enige druppeltjes bloed werden op gedroogd gras gedruppeld.’

Benedictus wist wat er gebeurde. ‘Als een razende begon de tovenaar een pompoen en een snoer met schelpen heen en weer te schudden. Hij blies op een antilope-hoorn en rammelde woest met amuletten. Zijn ogen vlamden. Zijn gelaat kreeg een afschuwelijke uitdrukking. In onsamenhangende tonen riep hij zijn geest aan – om de stam te bevrijden van de stropende nachtelijke rover, de leeuw. Hij sprong op, sloeg de trom op een razende manier.

Zijn gevolg danste een plechtstatige dans. Het volk stond bleek van schrik. De man werd beloond met geiten en kuikens. “De menseneter zou nooit meer in het dorp terugkeren,” verklaarde de tovenaar. Maar hij had zijn rug nog niet gekeerd of er was al een nieuw slachtoffer.

De tovenaar legde uit waarom de leeuw was terug gekomen. “In tegenwoordigheid van het opperhoofd verklaarde hij ronduit dat de blanke man zijn bezwering krachteloos had gemaakt. Hij wilde zijn toverformules opnieuw uitspreken – onder uitdrukkelijke voorwaarde dat de blanke zou verbannen worden.’

Benedictus grijpt in

De missionaris begreep wat er op het spel stond. ‘Hij moest nu zijn meerderheid tonen om het vertrouwen van de stam te behouden en de inboorlingen te winnen voor het geloof.’

Benedictus richtte het woord tot de dorpelingen en de tovenaar. Er was geen sprake van preken. In plaats daarvan liet hij ‘onversaagd’ weten: ‘Wachaga-mannen. Jullie tovenaar kan je niet verlossen van de leeuw. Hij is zo machteloos als een kind. Ik ga handelend optreden. Opperhoofd, geef mij tien onbevreesde en beproefde jagers mee.’

In het maandblad kon je lezen dat de pater ‘in stilte een vurig gebed tot welslagen ten hemel zond’. In zijn hut greep hij naar zijn geweer en een hoeveelheid ammunitie. ‘De leeuw kon niet ver af zijn en lag waarschijnlijk ergens te slapen. Hij was vast besloten hem te vinden en te verdelgen en daarmee ook de invloed van de tovenaar.’ De redactie voegde er aan toe: ‘Pater Benedictus was in het leger een bekwaam scherpschutter geweest.’

Het dier was snel gevonden. De missionaris nam het heft in handen. ‘De zwarte drijvers werd bevolen zich achter een bosje te posteren, op een gegeven sein een luid geschreeuw aan te heffen en dan een hoeveelheid stenen in het struikgewas te werpen.

Pater Benedictus zeeg behoedzaam op één knie om des te vaster te mikken. De leeuw sprong. Snel als de bliksem klonk het verraderlijk geluid van een raak schot. Een tweede schot raakte zijn rug. Hij viel opzij.

De pater begreep dat het roofdier zich niet meer kon verweren. Hij wenste de dorpelingen de les diep op het hart te drukken. Hij liet het opperhoofd en diens tovenaar halen.’

Overwinning van de missionaris

De tovenaar, aldus het artikel, maakte al snel dat hij wegkwam. ‘Met de vlugheid van een antilope ging hij aan de haal. De menigte lachte hem uit en juichte Benedictus toe. Toen begon er onder luid geschreeuw en getier een woeste dans om het kadaver van de mensenverslinder.’

Met zijn daad had de missionaris de rol van de tovenaar overgenomen. ‘Er had een algehele verandering plaats. De pater ondervond geen moeilijkheden meer. Hij verzamelde verscheidene kinderen om zich heen, die geregeld zijn lessen kwamen bijwonen. Volwassenen begonnen eveneens meer belangstelling voor zijn onderwijs te tonen. Ook wilden zij gaarne enige grondbeginselen van beschaving leren.’

De Europeaan liet de geboden kansen niet aan zich voorbij gaan. ‘Hij trok grotendeels zelf een meer geriefelijke kapel en een ruim verblijf voor de kinderen op. De meer ontwikkelde mannen van de stam zagen al spoedig in dat dit een verbetering van hun eigen primitieve bouwwijze was en haastten zich die ook aan hunne hutten aan te brengen. Voorts schoolde hij hen door een timmermanswerkplaats op te richten. Hun vooruitgang was aanmerkelijk. Het onderricht in ambacht en godsdienst maakte snelle vorderingen.’

Techniek en religie gingen hand in hand.

Ontspanning en inspiratie op de Kilimanjaro

Benedictus nam nu de tijd om rust in de bergen te zoeken. ‘Reeds geruime tijd had de met ijs gekroonde Kilimanjaro hem toegewenkt. Dikwijls verborgen achter een dichte mist was hij slechts van tijd tot tijd zichtbaar en openbaarde zich majestueus en onbeweeglijk, zijn witte kruin verheffende in het rijk van zon en sterren.’

In het begin was het klimmen niet zwaar. ‘Hij passeerde grasrijke duinen, bedekt met miljoenen veelkleurige bloemen, heldere, springende stortbeken, en reusachtige rotsblokken, veen en moerasgronden, totdat eindelijk het met bomen begroeide gedeelte achter de rug was. De verdunde lucht der hogere sferen veroorzaakte misselijkheid en uiterste zwakte. Toch zette hij door.

Op een hoogte van ruim vijfduizend meter bereikte hij het kille flonkerende, eeuwige ijs, waar de zon spelend regenbogen deed opvlammen en de schoonheden onthulde, welke in sneeuwbeddingen verborgen lagen. Vóór en boven hem rees de tweevoudige spits van de ontzaglijke Kilimanjaro op.

Pater Benedictus stond opgetogen van verrukking, ongevoelig voor de doordringende koude. Het geleek een visioen uit de andere wereld. In sprakeloze bewondering bleef hij geruime tijd staren naar die hogere sfeer van koude schittering en volmaakte rust, zo hoog boven het bereik van de sterveling, zo heilig stil en rustig, van zulk een ongerepte, smetteloze reinheid, dat gedachte en begeerte om zulks uit te drukken al te diep was om in woorden te kunnen uiten. Hij kon slechts eerbiedig bewonderen en zwijgend het afbeeldsel van de Almachtige aanbidden.’

Bekeringen

De tijd was rijp om datgene te doen waarvoor de missionaris vanuit de Elzas naar Afrika getrokken was. ‘Hij kon nu vloeiend met de inboorlingen spreken. Hun ziekten had hij met eenvoudige geneesmiddelen behandeld. Het aantal patiënten nam met de dag toe. Hun vertrouwen in hem steeg gestadig.’

Benedictus concludeerde dat hij zijn bekeringswerk moest toespitsen op het opperhoofd. ‘Dan zouden de anderen weldra zijn voorbeeld volgen. Hij kende zijn Afrikanen genoegzaam en besefte de volstrekte macht van een zwarte bestuurder over diens onderdanen, hun eerbied voor hem en hun gewillige onderwerping aan zijn geringste bevelen.’

Het opperhoofd wilde zich wel laten dopen. Maar hij legde één groot probleem voor aan de afgezant van beschaafd Europa: ‘Wat zal ik doen met al mijn vrouwen? Zij hebben voor mij gewerkt en mij rijk gemaakt. Zij zijn mijn trouwe slavinnen geweest. Ik kan ze niet met schande wegzenden!’

Benedictus wist een oplossing te bedenken. ‘Hij stelde voor ze uit te huwelijken aan verschillende verdienstelijke jonge krijgers van de stam, terwijl hij zelf zijn meest geliefkoosde vrouw, en haar alleen, zou behouden.’

Tot zijn verwondering en voldoening stemde het opperhoofd toe. Het idee viel sowieso in goede aarde. ‘De jonge krijgers, uitverkoren om de ontvangers van zijn edelmoedigheid te zijn, waren buiten zich zelf van blijdschap. Zij zouden niet langer behoeven te werken en te zwoegen om genoeg vee bijeen te verzamelen, ten einde een vrouw te kunnen kopen. Terstond konden ze een onafhankelijk huishouden opzetten. Zij waren onuitputtelijk in dankbaarheid jegens het opperhoofd.

Met deze zet had pater Benedictus hen tevens tot zijn bondgenoten gemaakt.’

Triomf voor pater Benedictus

De dorpelingen wilden nu meteen het katholieke geloof omarmen en dus gedoopt worden.

Dat ging de pater te vlug. ‘Hij voelde zich er niet van verzekerd, dat de vorst standvastig zou blijven. Er werd overeengekomen, dat hij nog tien maanden moest wachten en zoveel volk als mogelijk naar de dagelijkse onderrichtingen zou sturen.’

Eindelijk was het zo ver. ‘Na vijf jaar van zware arbeid brak eindelijk de dag aan, waarop het opperhoofd met vijftig uitgelezen mannen van zijn stam door het heilig doopsel herboren werden.’ Voortaan gingen ze door het leven met namen van Europese heiligen.

Bovendien werd er opnieuw gebouwd. ‘De kerkgebouwen van bamboe, bedekt met palmbladeren, werden vervangen door een geriefelijke inrichting met stevige muren van gedroogd leem. Er werd een school gesticht voor jongens, een andere voor meisjes. Elk had zijn eigen lokaal met afzonderlijke huisvesting voor de zusters, die op verzoek van pater Benedictus uit Europa waren overgekomen.’

Zusters uit Europa

De zusters baarden opzien. ‘De aankomst der eerste blanke vrouwen was gedurende weken daarna het enige onderwerp der opgewonden gesprekken. Mijlen in het rond kwam het jonge volkje louter om ze te zien, soms op eerbiedige afstand, vaak heel dichtbij. Hun nieuwsgierigheid scheen onverzadigbaar.

In het begin schreeuwden de zwarte vrouwen en liepen zij weg als de nonnen hun hutten wilden betreden. Doch spoedig werden zij door hun blanke zusters overwonnen. Men kon altoos enigen in de nabijheid van het klooster aantreffen, om ongevraagd enige diensten te bewijzen, die hun eenvoudig verstand kon uitdenken, voornamelijk in den grote tuin met Europese voortbrengselen en in de plantages van bananen, suikerriet, lindebomen, oranjeappels, limoenen en Indische vijgebomen.’

Een voormalige militair, afkomstig uit de Elzas, had wat teweeg gebracht voor de verbreiding van het katholicisme aan de voet van de Kilimanjaro.