Brief uit de missie 138: Dodelijke ziektes in de Chinese missie van Hubert Kallen

0
336
handgeschreven brieven

Lang niet alle jonge mannen die tegen het einde van de negentiende eeuw als missionarissen naar het verre oosten trokken was een lang leven beschoren. Een aantal paters werd vermoord, bijvoorbeeld tijdens de zogenaamde Bokseropstand van 1900. Aanzienlijk meer dodelijke slachtoffers vielen er als gevolg van ziektes, die in de brieven uit de missie meestal in niet heldere termen beschreven werden. De missionarissen werden niet alleen zelf ziek, maar staken bovendien hun collega’s aan. De medische wetenschap ging wel stapje voor stapje vooruit, maar welke specifieke kennis kon je in die tijd verwachten van een jongeman die zijn opleiding op een priesterseminarie had genoten?

door Harry Knipschild

Hubert Kallen, op 31 maart 1871 geboren in Roermond, reisde anno 1897 vanuit Scheut bij Brussel naar het missiegebied dat de naam Oost-Mongolië gekregen had. Het lag boven de grote Chinese muur ten noordoosten van Peking. Vanuit de missie zond Hubert steeds brieven naar zijn familie, die bewaard gebleven zijn. Zonder al te veel terughoudendheid luchtte de missionaris zijn hart. In 1898 meldde Kallen dat een Russische onderzoeker naar Oost-Mongolië gereisd was om onderzoek te doen naar de pest, die weer eens in het bisdom was uitgebroken.

Op 23 oktober schreef hij: ‘De pest maakt vele slachtoffers. In het noorden is het ellendig. Een zekere professor Zabolotny, van de universiteit van Kiev, is bij onze confrater De Smet om die pest te bestuderen. Hij had het verslag gelezen van dokter Matignon van de Franse legatie die er verleden jaar geweest is. Daarop zakte hij af naar het onherbergzame Noord-Mongolië om nader met de gevreesde ziekte kennis te maken.’

Vuile wereld

Zelf besefte de Limburger dat hij in een ‘vuile wereld’ terecht gekomen was. Op 22 februari 1899 maakte Kallen dat duidelijk. ‘Ik ga u toch eens een staaltje geven van de zindelijkheid en u een bewijs leveren dat de missionarissen maar niet kies uitgevallen zijn om naar hier te komen. Zonder van de hutten en vuile bed-ovens te spreken, waar wij in moeten kruipen en op slapen, zullen wij ons heden maar bepalen bij het eet- en rookgerief. In herbergen en particuliere huizen is het bijna overal hetzelfde. Zelfs bij de rijkste en beste christenen is alles even vuil als bij de armste schelm.

Als men binnenkomt vallen alle leden van de familie meteen op hun knieën en buigen drie maal met het hoofd op de grond. Ze doen de grote groet voor mandarijnen en priesters, lichamelijke en geestelijke vaders.

Na het groeten pakken ze een vuil, vettig kussentje en leggen het op de kang [bed-oven]. Mijnheer wordt verzocht daar op te gaan zitten. In zo’n jaren oud vod zit een grote hoeveelheid springdiertjes. Een vlo meer of minder in China, dat kan de zaak niet maken.’

Een medebroeder had hem verteld dat hij op een warme dag eens bij een groep studenten van het seminarie gezeten had. ‘De kleine beestjes zaten in hun [Chinese] staart. Zelf voelde deze na enige tijd een kriebeling in zijn haar. Hij riep een student en liet hem zijn haar kammen. Alleen al uit zijn baardje haalde hij een dozijn lieve beestjes.’

Als gast in een Chinees huishouden hoorde je te roken. ‘Als men ergens gezeten is moet men roken of men wil of niet. Dadelijk neemt een vent, of moeder de vrouw zelfs, de beste pijp van het huis. Zij stoppen de pijp, vegen eens met de mouw over het mondstuk en bieden die u dan heel deftig aan. Als het mondstuk zuiver is, kan het nog al. Maar wat is dikwijls het geval. Het zit niet zelden vol gedroogd speeksel en als je dan nog die vuile meneer of dat smerig, oud gerimpeld wijf voor je hebt staan, aan wie de pijp toebehoort, dan moet je onder het roken maar aan iets anders denken.’

Hubert was zich bewust van de gevaren. ‘De gewoonte heeft mij geleerd maar door te roken. Maar ik denk wel eens aan pastoor zaliger en de microben.’

Pest in de missie

Leo De Smet, uit Oudenaarde in Vlaanderen, gaf op 14 mei 1899 aan wat de gevolgen van al die vuiligheid waren in zijn district.

‘De pest – in het begin alleen builenpest – verscheen de eerste keer in 1888. Op korte tijd had zij de ganse vallei aangetast. Sedert 1896 heeft zij vier dorpen besmet die tot dan toe van de kwaal vrijgebleven waren. Volgens een nauwkeurige berekening, verleden jaar door ons opgemaakt, zijn er op een bevolking van 1500 inwoners 550 personen onder de plaag bezweken.

De talrijke sterfgevallen onder onze christenen hadden plaats in 1896 en 1898, voornamelijk in het dorp T’oeng-kia-ing-tze, waar wij wonen. Binnen weinig dagen stierven drie knechten van onze residentie. De anderen liepen weg en lieten de missionarissen alleen zitten. Deze waren dus verplicht zelf te koken en hun paarden te verzorgen. Terzelfder tijd moesten zij dag en nacht rondlopen om de zieken te bedienen.

In dat jaar alleen verloor het dorpje twee en negentig inwoners. Dan kwam er een soort van pest, verschillend van de builachtige, en die met longontsteking gepaard was. In 1898 was er een zestigtal sterfgevallen, waarvan tweederde in het gehucht Ma-liin-tao, dat twee uren van onze verblijfplaats gelegen is. Een enkele familie verloor er achttien van haar leden.

Om u enigszins te kunnen voorstellen hoe smartelijk de toestand is, zoudt u met uw eigen ogen de sombere, stomme verslagenheid moeten gezien hebben van dat volk, dat elke dag bijna geen ander schouwspel voor ogen had dan ijselijke taferelen van de naarste, akeligste dood.

Mijnheer Matignon, dokter bij het Franse gezantschap te Peking, ter plaatse gekomen om de kwaal van nabij te bestuderen, was er zelf door verschrikt: “In Indië”, vertelde hij me, “ziet men slechts zieken in de gasthuizen, maar hier zijn het ganse families die onder uw ogen uitsterven. Op enige dagen tijd zijn allen, stil en stom, de een na de andere ten grave gedaald. Dat verbrijzelt u waarlijk het hart!”‘

‘Chinese artsen zijn kwakzalvers’

Medische wetenschap in China was volgens hem van generlei waarde. Tot die conclusie kwam de missionaris toen hij, samen met een plaatselijke arts, een ernstig zieke bekeerlinge bezocht. De vrouw kreeg door te biechten vergeving van haar zonden.

‘Na de biecht kwam een zogenaamde Chinese geneesheer. Die kon natuurlijk niets anders dan mensen dood maken. Nadat de arme zieke vrouw drie bolletjes van een medicijn gegeten had viel zij in zo’n deerniswekkende toestand dat ik haar gauw de Heilige Olie gaf. Na enige uren was ze overleden.

O, die vermaledijde Chinese kwakzalvers. Ze hebben nooit iets geleerd en menen toch alles te weten. Ze moeten de mensen wel doen geloven dat ze iets weten, want ze willen [als dokter] rijk worden. Mijn hart bruist nog van verontwaardiging. De Chinese geneeskunst is van nul en geen waarde. De vroedkunde is ver onder nul. Het aantal vrouwen die in het kinderbed sterven is niet in getallen uit te drukken. De oorzaak is klaarblijkelijk: gemis aan vroedkundige kennis, gebrek aan zindelijkheid en het al te vroeg huwen, nog voor de lichaamsontwikkeling voltrokken is.’

Thee en viezigheid

Over viezigheid raakte Kallen niet uitgeschreven.

De pater dronk thee met heel wat Chinezen. ‘Thee is veel meer de nationale drank van de Chinezen dan van de Hollanders. Wanneer de christenen thee in huis hebben is het voor hen een grote eer de priester er een goed potje van op te schenken. Zijn ze te arm om die kostbare schat in hun bezit te hebben, dan weten ze al snel het theezakje van de missionaris te voorschijn te halen om diens theebladeren te gebruiken tot het voorbereiden van de kostelijke drank.

Nu komt een andere vraag. Waar is een tas om thee uit te drinken?

Na overal gezocht te hebben kwam er eindelijk een zogenaamde tas onder een vettige slaapdeken of onder een nog vettiger oud kledingstuk, broek of vest te voorschijn. Dit kleinood, een waar familiestuk, was zeker minstens een halve eeuw geleden gekocht voor het trouwfeest van overgrootvader. Lach niet.’

Uit zo’n kopje dronk de missionaris als hij bij bekeerlingen op bezoek kwam. ‘Om zuiverheid bekreunt een Chinees zich maar weinig. Die berookte en doorrookte geelhuiden kunnen maar niet begrijpen hoe wij Europeanen ons zoveel moeite kunnen geven om alles zo uitermate netjes en zuiver te hebben.’

Alles voor Onze Lieve Heer

Gebrek aan hygiëne was niet alleen overheersend bij de Chinezen onderling. Zelfs op de missiepost viel er niet aan te ontkomen. ‘Toen Monseigneur Abels hier was veegde hij het zilveren tafelservies netjes schoon. Moeder de vrouw nam daarna alles vast. Met haar vuile vingers en een zwart doekje maakte ze alles weer zo smerig dat Mgr. later nog dubbel de tijd moest nemen om het op te poetsen.

U zult mij misschien zeggen: in zulk geval zou ik zo’n mens een klap op haar kaken geven. Waarom? Zij menen het toch goed. Daarbij, met kwaad worden valt er bij de Chinezen niets te bereiken. Die flegmatieke geelhuiden lachen u op de koop toe dan nog vierkant uit.’

Kallen raakte niet uitgepraat over ‘springdiertjes’. Zoals tijdens zijn bezoek aan een man die op sterven lag. ‘Ik ging bij de zieke. Die kon niet meer dan de mond openen. Onmiddellijk gaf ik hem het H. Oliesel.’ Daarna probeerde hij uit te rusten van de reis. ‘Ik sliep een beetje op een hoekje van de bed-oven. Een ware menagerie. De kang zat [weer] vol springdiertjes.’

Aan het einde van zijn brief legde Hubert nog eens uit waar hij het allemaal voor deed. ‘Dat is allegaar voor Onze Lieve Heer. De hemel zal nooit te duur gekocht zijn.’

Verzwakt door de Bokseropstand

De missionarissen hadden het niet alleen moeilijk met het ongedierte. Rond 1900 kwam de Chinese bevolking in verzet tegen de westerlingen die steeds verder opdrongen in het land. De zogenaamde Boksers brachten veel verkondigers van het christelijke geloof en hun bekeerlingen om het leven. Bovendien werd er gevochten in plaatst van geoogst. Er kwam een tekort aan voedsel.

In het koude najaar van 1901 legde Kallen in een brief vast: ‘Hier is niets meer te krijgen. In de omtrek zijn alle winkels geplunderd en vernield. Wanneer wij iets nodig hebben, bijvoorbeeld stof, doek, wat papier, meel, rijst, keukenvoorraad, zaken voor de timmerlieden, of wat dan ook, dan moet ik een knecht te paard naar de stad sturen, op elf uur (een dagreis) van hier.

Een andere oplossing was er niet. ‘Ezeldrijvers en kar-vaarders willen nog niet gaan.’

Gelukkig ontving hij een pakketje van zijn familie in Europa. ‘Dank, dank, dank! Twee bonte hemden, allerbest. Laat er a.u.b. zo nog enige maken. Daarbij een bus ‘tête de veau à la tortue’, een bus speculatie, drie pakjes chocola om confraters te tracteren. De peperkoek, slechts in papier verpakt, was bedorven. De kinderen der kindsheid hebben hem nog opgegeten maar zij trokken vieze gezichten omdat het zo bitter was.’

Ziektes

Menige missionaris was ernstig verzwakt geraakt. De koude, de chaos, het tekort aan voedsel en niet te vergeten de ‘springdiertjes’ – dat was de realiteit van de dag.

Met het invallen van de winter in Oost-Mongolië was er een nieuwe epidemie uitgebroken. ‘Helaas, terwijl ik deze brief schrijf, zult u in België per telegram het vroegtijdig afsterven van de allerbeste pater Louis Delvaux vernomen hebben. Nauwelijks was hij een week op zijn bestemming toen hij door de zo gevreesde tyfus werd aangetast. Zijn sterk gestel moest een slecht uiteinde doen vrezen. Het zijn de sterksten die gewoonlijk het gemakkelijkst de prooi van tyfus worden. Op de negende dag [25 november 1901], die altijd de bedenkelijkste is, is pater Delvaux jammerlijk bezweken. Droevig verlies voor ons allen, voor de congregatie, voor de missie en voor alle confraters.

In één woord, Onze Lieve Heer heeft weer een van de mooiste bloemetjes uit zijn hofje van Oost-Mongolië geplukt. Oost-Mongolië gaat gebukt onder het verlies van een van zijn beste missionarissen. Het is Gods wil. Daarom moeten wij steeds opnieuw zeggen: Heer, Uw wil geschiede!’

Delvaux was niet de enige pater die door de tyfus of vlektyfus getroffen werd. Al sinds de eerste Scheutisten in 1865 in China gearriveerd waren hadden dat soort ziektes bij vrijwel elke pater huisgehouden. De gelederen werden dan ook voortdurend uitgedund. En dat ging door, en al zeker als de omstandigheden ongunstig waren. ‘Gisteren is het nieuws gekomen dat ook een andere confrater met een zware tyfus ligt. Moge God met één offer tevreden zijn en onze arme missie niet meer beproeven.’

Kallen zelf dodelijk slachtoffer

Hubert was tot dan toe de dans ontsprongen. Maar voor het eerst bekende hij: ‘Zelf heb ik al twee keer op het punt gestaan die lelijke ziekte op te lopen. Maar telkenmale heb ik ze met een paar purgeermiddelen ontweken.’

Nog nooit had Hubert Kallen zo’n emotionele brief naar zijn familie geschreven. Hij eindigde met de woorden: ‘Ik verzoek u allen steeds de Heilige Communie voor mij te offeren en veel voor mij, mijn christenen en catechumenen te bidden. Vele hoogachtende groeten aan alle weldoeners, familieleden, vrienden en bekenden. Weest allen van harte omhelsd.’

Nog vóór de brief door een koerier werd opgehaald om hem in het verre Europa te laten bezorgen, was Hubert Kallen genoodzaakt er nog een regeltje onder te zetten: ‘De hierboven vermelde pater Heylaerts is [op 6 januari 1902 ook] aan de tyfus bezweken.’

De hulp die Hubert Kallen zo hard nodig had was weg. De ellende moet groot geweest zijn. Kallen zat weer alleen in de kou tussen de springdiertjes. Van eerder genoten copieuze maaltijden was geen sprake meer. Nog vóór de brief van 10 december 1901 bij zijn familie in Lanaken arriveerde, was die van een nieuwe ramp voor de missie van Scheut op de hoogte gebracht: Hubert Kallen was zelf op 8 januari 1902 te Shanhou aan de gevreesde ziekte overleden.

In de Maas- en Kempenbode, de regionale krant die de familie Kallen las, werd op 2 februari 1902 verslag gedaan van de dood van hun zoon. ‘In het missiehuis van Scheut kwam een telegram, enkel bevattende dat pater Kallen aan de tyfuskoorts overleden was. Op zondag ’s namiddags kwam een pater van Scheut te Lanaken bij de familie om te zeggen dat God, na het offer Hem alreeds vóór vier jaren bij het vertrek van de dierbare zoon en broeder gebracht, thans nog een tweede offer had gevergd, namelijk het leven van de jeugdige missionaris.

Waar hij overleden is, hoe de ziekte bij hem is opgekomen, hoelang hij geleden heeft, weten wij niet. Dit enkel weten wij dat hij, na ouders en vrienden verlaten te hebben, ook blijmoedig zijn leven ten offer bracht – dat hij stierf met het volste vertrouwen op de barmhartigheid van zijn Rechter en Zaligmaker, en dat, bij gebrek misschien aan priesters rond zijn sterfbed, de engelen zelf de wacht hielden om zijn apostolische ziel bij haar verscheiden te verwelkomen en ten hemel op te voeren.’