Brief uit de missie 141: Pater Blanchin in de Opiumoorlog (1842)

0
312
handgeschreven brieven

Het missie-maandblad Annalen van het Genootschap tot Voortplanting des Geloofs drukte in 1842 een stuk af uit een brief die pater Blanchin, lid van de Missions Etrangères de Paris, op 14 februari van dat jaar vanuit China geschreven had.

door Harry Knipschild

Blanchin was kort daarvoor in Macao aan land gekomen, liet hij weten. Zeven maanden had hij aan boord doorgebracht van een zeilschip dat hem vanuit Europa helemaal naar het verre oosten vervoerd had. Blanchin voelde zich geroepen zich voor de rest van zijn leven te gaan inzetten om het katholieke geloof in China te gaan verbreiden.

Opium

Op het moment dat de missionaris zich tot zijn gehoor in West-Europa richtte, was een gedeelte van het continent in oorlog met China. De Britten hadden zich in India genesteld en wilden van daaruit handel drijven met het goed bevolkte keizerrijk. Daar woonden en leefden immers honderden miljoenen mogelijke afnemers van de producten die zij in de aanbieding hadden.

Eén van die producten was opium. De Britten stelden onafhankelijke handelaren, de zogenaamde country traders, in staat om opium aan de man te brengen in China. Er werd goed geld mee verdiend. Omdat de gebruikers weldra verslaafd raakten, vertoonde de afzet van opium een sterk stijgende lijn.

China weert buitenlanders

Europeanen waren niet zonder meer welkom in China. Het keizerrijk weerde alle buitenlanders, die men als barbaren zag. Wie zich desondanks toch in het land waagde, bracht zijn leven in gevaar.

In de eerste decennia van de negentiende eeuw, na het tijdperk van de Franse Revolutie, was er in de westerse wereld een opleving van het christendom. Dat moest bovendien uitgedragen worden over zo veel mogelijk streken op aarde.

Protestantse zendelingen en katholieke missionarissen waagden het om – ondanks de tegenstand van de Chinese autoriteiten – toch het binnenland in te trekken, met alle gevaren vandien. Sommige paters overleefden hun avontuurlijke missiereizen niet.

Blanchin verwoordde het anno 1842 als volgt: ‘De Chinezen hebben niet willen luisteren naar de apostelen, die hun de goede tijding der zaligheid kwamen prediken. China drinkt het bloed van zijn profeten. De mensen zijn tevreden er in duisternis te leven. Ze keren de fakkel, die hen werd aangeboden, af.’

Blanchin kon maar niet begrijpen waarom de Chinezen geen onderdeel wilden zijn van ‘het grote gezin der naties’, althans zo formuleerde hij het in zijn brief uit de missie. ‘China schept behagen in zijn afzondering. De mensen zijn ijdel. De zoon des hemels [de keizer], die het land bestuurt, heeft tot nog toe tegen vreemdelingen, die zijn grenzen naderen, kunnen zeggen: “Hier zijn de grenspalen welke u niet zult overschrijden – of u nu vrede of oorlog brengt. Deze grond wil niet door u betreden worden.”‘

Oorlog

Behalve enkele verkondigers van het christelijk geloof lieten ook de Britse opium-handelaren zich niet door de Chinese autoriteiten afschrikken. Britse schepen, met zendelingen aan boord, wisten hun waren en christelijke boodschap in de zuidelijke havens van het keizerrijk te slijten.

In de noordelijke hoofdstad Peking maakte men zich zorgen. Steeds meer onderdanen raakten verslaafd aan het Brits-Indische spul. Bovendien was de ongewenste import een aanslag op de schatkist. In 1839 was de Daoguang-keizer het beu. Hij stuurde een sterke man, Lin Zexu (1785-1850) naar het zuidelijke Canton, die een einde moest maken aan de misstanden aldaar. In het voorjaar van 1839 liet Lin de aanwezige Britse opium vernietigen. Daarmee ging een kostbare handelsvoorraad verloren.

In Londen nam men deze handelwijze niet. De Britse regering stuurde een vloot naar China om de keizer en zijn onderdanen een lesje te leren.

In de afgedrukte brief van Blanchin geen woord over opium. De missionaris zag de ‘halsstarrigheid’ van de Chinezen alleen in het niet toelaten van missionarissen. Het Britse militaire optreden beschouwde hij als een reactie op de weigering van het ‘trotse volk’ om de ‘apostelen’ geen toegang te verlenen.

Eigen schuld. ‘Het kanon bromt rondom het hemels rijk. De grond, geschokt in zijn grondzuilen, schijnt onder de invloed te zijn van een werkende kracht. De gebeurtenissen volgen zich spoedig op. De steden vallen voor de overwinnaar.’

Wie niet horen wil, moest maar voelen, zo redeneerde de geestelijke. ‘De oude vooroordelen zullen vervallen, inclusief de macht die deze staande hield.’ In zekere zin voorspelde Blanchin dat het Qing-keizerrijk zijn beste tijd gehad had.

China omstreeks februari 1842

Aan de eerste Opiumoorlog zijn heel wat boeken gewijd, zoals dat van Peter Ward Fay, The Opium War 1840-1842 (1975-1997) en Julia Lovell, The Opium War (2011). Wat me bij het lezen opviel was dat keizer Daoguang (1782-1850) zelf niet van de partij was. In zijn luxueuze onderkomen te Peking benoemde hij afgezanten (zoals Lin Zexu) die de zaak voor hem moesten opknappen. Julia Lovell maakte duidelijk dat de hoogste baas nauwelijks op de hoogte was van hetgeen zich ver weg op het strijdtoneel afspeelde. Hij zorgde er onvoldoende voor om op de hoogte gehouden te worden en nam derhalve vaak ondoordachte beslissingen.

Op 18 oktober 1841 – pater Blanchin was onderweg naar het verre oosten – benoemde Daoguang zijn neef Yijing tot opperbevelhebber van het keizerlijke leger. Yijing stond niet bekend om zijn militaire capaciteiten. Maar wat kon hij anders dan gehoorzamen?

In december 1841 had Yijing zich vanuit Peking verplaatst naar Suzhou. Een Britse spion rapporteerde dat de neef van de keizer een ‘man van plezier was, die van cadeaus hield en nog niet besloten had wat hij zou gaan doen [vechten of onderhandelen]’.

De afgezant van de keizer wilde wel vechten, maar wist niet hoe. Hij liet een houten doos neerzetten waar iedereen ideeën in kon stoppen. Ongeveer vierhonderd Chinezen gaven op die manier advies aan de man van het hof in Peking. Yijing reageerde door 144 van hen als adviseur te benoemen.

Nieuwe Chinese troepen

Yijing had geen haast om de Britten aan te vallen. Hij wachtte op versterkingen die in alle provincies gerecruteerd werden. In februari, ten tijde van de aankomst van Blanchin, waren twaalfduizend nieuwe soldaten gearriveerd. Ze waren uitgeput van de lange reis. Sommige militairen hadden onderweg niet alleen het voedsel van de plaatselijke bevolking afgenomen, maar zich bovendien op een andere manier laten verwennen. Lovell: ‘Ze namen de huisdeuren van de mensen af, gingen er op liggen en lieten zich door vier man liggend vervoeren tot in het legerkamp van Suzhou.’

Yijing, de opperbevelhebber van de strijdmacht die de Europeanen uit China moest verdrijven, wist al die militairen uit verschillende ver van elkaar afgelegen provincies niet onder één centrale macht te brengen. De regionale leiders weigerden zijn bevelen op te volgen.

De soldaten, soms uitgeput bij aankomst, waren voorlopig niet in staat om hardhandig op te treden. Die van de ene provincie herkenden hun collega’s van elders niet eens. Lovell: ‘After getting lost while out on patrol, soldiers from west China were mistaken for Europeans and attacked by another Qing division.’

Britse spionnen maakten bovendien melding van conflicten tussen de militairen en de plaatselijke bevolking. De soldaten werden onvoldoende gehonoreerd en kregen niet genoeg te eten. Ter compensatie zogen ze de mensen in de omgeving uit.

Ondanks dat, aldus de auteur van het boek over de Opiumoorlog, had de afgezant uit Peking het best mogelijke leger tot zijn beschikking. Aan hem de taak om de Britse indringers in Ningbo aan te vallen en uit te schakelen.

De grote aanval zou plaatsvinden op 9 februari 1842, vijf dagen vóór pater Blanchin zijn brief uit de missie schreef. Lovell: ‘9 February, however, came and went. A council of war was held, at which other officers urged him to fix a time for the assault.’

De man die knopen moest doorhakken liet zijn officieren voorlopig nog wachten. Op 10 februari, de dag van het Chinese nieuwjaar, bezocht hij een tempel – met een orakel – die gewijd was aan de god van de oorlog. In de weken, volgend op de bijeenkomst van de hoge militairen en zijn gebed aan de god, werd er niet gevochten.

Blanchin durft

Het is onduidelijk in hoeverre pater Blanchin op de hoogte was van de militaire ontwikkelingen een stuk noordelijker op de Chinese oostkust. Hij verbleef in de Portugese kolonie Macao. De Europese priester was echter hoopvol gestemd. China lag dankzij de Britse inval voor het grijpen, daar was hij van overtuigd. ‘Alles doet zulks geloven. De politiek begeert het. Het kanon eist en voltrekt het reeds.’ De Europese soldaten waren een behoorlijk eind gevorderd in het keizerrijk. ‘Onze grenzen zijn al uitgebreid geworden.’

Blanchin had de daad bij het woord gevoegd. ‘Op een van mijn wandelingen heb ik een bezoek gebracht aan een van die poorten, waar voor eeuwig geschreven scheen te staan: “Gij zult niet verder gaan”. Ik ben door die poort gelopen in tegenwoordigheid der verstomde Chinezen – ik vreemdeling, ik missionaris!’

Zomaar een stukje China binnenlopen was een historisch moment, althans zo zag hij het. ‘Een jaar geleden was zulk een daad zonder voorbeeld. De vermetele zou streng gestraft zijn geworden. Ik heb mij een ogenblik op Chinese grond opgehouden – om als het ware bezit te nemen van die grond, welke ik vruchtbaar maken moet.’

Blanchin noemde zijn voorgangers niet in de brief die hij naar Europa schreef: mannen als François-Régis Clet uit Grenoble (1748-1820) en Jean-Gabriel Perboyre uit Puech (bij Cahors, 1802-1840), die het er niet levend vanaf gebracht hadden. Wel schreef hij: ‘China is lang genoeg besproeid met het bloed der martelaren.’ Dat moest maar eens afgelopen zijn. ‘Het zweet van de apostel moet voortaan voldoende zijn. Het wordt tijd dat onze stem gehoord wordt in de steden. Het licht moet de duisternis gaan verdrijven. Evenals elders op aarde moet het kruis vereerd worden!’

Dankzij de Europese inval kon hij optimistisch zijn. ‘De grote oogst schijnt rijp. Ik hoop dat talrijke werklieden [nieuwe missionarissen] toesnellen om ons te helpen bij het oogsten.’

Het vervolg

Blanchin kreeg de kans niet om zijn missiewerk voort te zetten. Historicus Peter Ward Fay bevestigde het enthousiasme van de Fransman. Hij voegde er echter aan toe: ‘He died suddenly three weeks later. Reading him, one cannot help feeling that he at least had wished that the soldiers and the cannon were French.’

Het waren Britse troepen die tijdens de Opiumoorlog keer op keer de kastanjes uit het vuur moesten halen. Zij zorgden ervoor dat missies als die van Yijing op niets uitliepen. Op 29 augustus 1842, een half jaar na de brief van Blanchin voelden de Chinezen zich gedwongen het verdrag van Nanjing te tekenen. De regering in Peking verklaarde zich bereid de Europeanen voortaan in een van de havens van elke provincie toe te laten en er handel te drijven, ook in opium. Bovendien werd het geloof van het Westen in die ‘treaty ports’ toegelaten. De katholieke missie zette een belangrijke stap voorwaarts in China…