Eeuwenoud archief Abdij van Berne online beschikbaar

0
304
Een zogenaamde ‘confessionale’ uit circa 1550. Een van de abten van de abdij, Otto van Boetselaer, kreeg samen met enkele andere personen het recht zelf een geschikte biechtvader (confessor) te kiezen die volmacht had om speciale zonden te vergeven of andere voorrechten kreeg.
Een zogenaamde ‘confessionale’ uit circa 1550. Een van de abten van de abdij, Otto van Boetselaer, kreeg samen met enkele andere personen het recht zelf een geschikte biechtvader (confessor) te kiezen die volmacht had om speciale zonden te vergeven of andere voorrechten kreeg.

Deze geestelijke en materiële activiteiten van de Abdij van Berne hebben veel sporen nagelaten in de vorm van archieven en handschriften, sommige in goede, andere in slechte staat, alle van groot belang voor de meest uiteenlopende onderzoeken. Tot voor kort waren ze enkel te raadplegen in de abdij zelf. Vanaf vandaag is het mogelijk deze bronnen online te raadplegen. Vanmiddag werd op een feestelijk symposium in de Abdij van Berne de aftrap gegeven.

In 2016 kon het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) via het programma Metamorfoze (het nationale programma voor het behoud van papieren erfgoed) deze oude documenten materieel laten verzorgen en digitaliseren, zodat ze niet meer fysiek geraadpleegd hoeven te worden. Vanaf vandaag zijn ze digitaal in te zien op de website van het BHIC. Het archief zelf blijft bewaard in de abdij.

Dr. Jan Sanders is rijksarchivaris in Noord-Brabant en archivaris van de Abdij van Berne. Hij vertelt: ‘Ik was jarenlang goed bevriend met Huub van Bavel, de vorige archivaris van de abdij. Toen hij plotseling overleed, vroeg de abt of ik ‘even’ de zaken van het archief wilde behartigen. Met als resultaat dat ik dit nog steeds doe. Ik merkte dat er veel vragen aan het archief werden gesteld. Vooral onderzoekers kregen toegang deze archieven, mensen die lokale of regionale geschiedenis bedreven en erover publiceerden. Daarnaast is het archief van grote wetenschappelijke betekenis en kwamen er vanuit universiteiten en wetenschappers veel verzoek binnen. Ik merkte dat er geen tijd was om alle te beantwoorden. Bovendien kon het archief een goede materiële verzorging gebruiken. Via mijn werk kende ik Metamorfoze,. Ik heb daarom vanuit mijn functie bij het  BHIC de archieven van de Abdij van Berne en van Sint-Catharinadal in Oosterhout daarvoor aangemeld. Ook bij de zusters was namelijk de zorg voor hun oude archieven in de knel gekomen. Het verzoek vanuit het BHIC werd door Metamorfoze gehonoreerd waardoord we de middelen kregen om deze archieven te conserveren en te digitaliseren.’

‘De abt en het convent hebben altijd hun volle medewerking verleend’ vertelt Sanders. ‘De communiteit is trots op haar archief dat ze al zovele eeuwen bewaart. Alle onderzoekers kunnen nu op eenvoudige wijze van het archief gebruik maken, zonder dat dit de abdij hindert. Daarbij komt dat door de digitalisering er nu een goede en volledige kopie van het hele archief bestaat die veilig opgeborgen is. Rampen met archieven zijn immers van alle tijden. Het is geweldig dat ook het archief van de zusters van Sint-Catharinadal in Oosterhout onderdeel van dit project kon uitmaken. In de tweede helft van dit jaar zal dit gereed komen en op internet verschijnen. Ten slotte kon, mede dankzij dit project, intussen het archief van de Abdij van Postel in digitale vorm aan de onderzoeker aangeboden worden. Met deze twee projecten wordt ook het historische onderzoek in West- en Zuidoost-Brabant gefaciliteerd.’

Er zitten veel bijzondere documenten tussen, maar Sanders vindt er drie wel heel bijzonder: ‘Een confessionale: een document van de pauselijke curie waarin een aantal personen, onder wie een van de abten van de abdij, het recht kreeg een biechtvader met verregaande volmachten te kiezen. Ik ken in Nederland geen vergelijkbare exemplaren.

Een perkamenten blad, gebruikt als versteviging van een boekband, met een religieuze tekst, vermoedelijk geschreven in de negende eeuw, dus lang voor de stichting van de abdij zelf; ook zoiets heeft een hoge zeldzaamheid.

En ten slotte brieven uit de eerste decennia van de twintigste eeuw van vooraanstaande katholieke politici en voormannen, voordat ze daadwerkelijk die hoge posten bekleedden, zodat de ontwikkeling van hun gedachtegoed gevolgd kan worden.’

Geschiedenis van de abdij

De Abdij van Berne in Heeswijk kent een eeuwenlange geschiedenis, die echter niet in dat dorp begint. De wortels van dit norbertijnenconvent liggen in het gehucht Bern ten noordoosten van Heusden, tegenwoordig gemeente Zaltbommel. Daar stelden heer Fulco van Berne en zijn vrouw Bescela van Someren hun kasteel ter beschikking voor een klooster. In 1134 kwamen er de eerste norbertijnen aan vanuit het toen vijf jaar oude klooster Mariënweerd bij Beesd. Bern lag in het graafschap Holland en viel onder de bisschop van Utrecht.

Het oorlogsgeweld in de Tachtigjarige Oorlog verdreef de kloosterlingen rond 1580 naar ’s-Hertogenbosch. Toen die stad in 1629 viel, mochten ze van de Staatse regering nog enkele jaren in hun versterkte huis in Heeswijk bij de pastoor inwonen, maar korte tijd later moesten ze de wijk nemen naar het buitenland. Tot aan de Franse tijd woonden ze in Vilvoorde bij Brussel. Daarna mochten ze terugkeren naar het noorden.

In die eeuwen van ballingschap waren de norbertijnen echter niet helemaal van de Brabantse kaart geveegd. Al eeuwenlang leverden ze pastoors voor een groot aantal parochies: Berlicum vanaf 1240, Heeswijk vanaf 1284, Engelen, Vlijmen, Hedikhuizen en Oudheusden vanaf 1285, Bokhoven vanaf 1369 en Lithoijen vanaf 1613. Op deze pastorieën konden de norbertijnen quasi-ongezien voortleven. Nog steeds zijn norbertijnen hier actief in de zielzorg, een van de kenmerken van de orde.

Van aanvang af kregen ze schenkingen om in hun materiële behoeften te voorzien. Dat waren voornamelijk gronden, boerderijen, tienden, cijnzen en pachten. Op afstand beheerden zogenaamde proosten en uithofmeesters namens de abdij grote goederencomplexen, zoals in Maarsbergen, bij Altforst in het Land van Maas en Waal, in het nu verdwenen dorp Honswijk bij Woudrichem, in Gaal en Mun tussen Schaijk en Heesch, in Bernhese in Heeswijk en Dinther, en in Babyloniënbroek.

In 1857 konden de norbertijnen van Berne – want zo bleven ze zich noemen – na drie eeuwen weer een echt convent vormen. Daarvoor gebruikten ze hun oude bezit in Heeswijk. Naast voortzetting van hun pastorale werkzaamheden namen ze in het begin van de twintigste eeuw ook maatschappelijke taken op zich in het onderwijs en de organisatie van katholieke werkgevers en werknemers. Voormannen daarvan waren ‘de sociale werkers’ Gerlacus van den Elsen (1853-1925), Pius van Aken (1876-1938), Johan Nouwens (1875-1968) en Julius van Beurden (1878-1945). Hun activiteiten leidden onder meer tot het Gymnasium Sint-Norbertus in Heeswijk, de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond en bedrijven als FrieslandCampina, Interpolis, Cehave Landbouwbelang, VION en Rabobank. Diverse werkgevers- en werknemersverenigingen vinden hier hun wortels.