Brief uit de missie 143: Gerard Raatger: van Rossum naar Afghanistan

0
803
Handgeschreven brieven

Als je Rossum (Overijssel, bij Oldenzaal) bij Wikipedia opzoekt, lees je dat het een kerkdorp is. Als illustratie zie je de St. Plechelmus-kerk afgebeeld. Meer gegevens over het katholieke karakter meldt de website niet ondanks het bestaan van een Father Raatgerstraat. Bij de prominente Nederlanders die er geboren zijn vind je alleen sporters: een volleybalster, een voetballer en een springruiter. Van Gerard Raatger (1849-1932) wordt geen melding gemaakt.

door Harry Knipschild

Dat is wel eens anders geweest. Als gerenommeerd missionaris van Mill Hill vertoefde Gerard tientallen jaren in Afghanistan en vooral India om er het ware geloof te verkondigen. In de annalen van de missie van Mill Hill, die vanaf mei 1890 maandelijks gedrukt werden, zijn tal van interessante artikelen en brieven te vinden die de pater uit Rossum geschreven had.

Op zoek naar meer informatie werd me duidelijk dat er vorig jaar een boek over de missionaris gepubliceerd is. Ben Engelbertink, eveneens afkomstig uit Rossum en verbonden aan Mill Hill, had veel onderzoek gedaan en op basis daarvan een ‘autobiografie’ van Raatger het licht doen zien. Hij was bereid mij een grote hoeveelheid documenten en een pdf-exemplaar van zijn boek toe te sturen.

Engelbertink verantwoordde zijn aanpak. Hij gaf aan dat het boek een publicatie was van persoonlijke aard. ‘De teksten zijn een samenvatting of interpretatie van en aanvullingen op oorspronkelijke teksten.’ Op basis daarvan zijn verhaal: bijvoorbeeld hoe de inwoner van Twente het begin van zijn leven in Azië zelf ervaren zou hebben.

Priesterwijding

Gerard voelde zich geroepen om missionaris van Mill Hill te worden. Na een eerste studie in Culemborg reisde hij naar Engeland, waar hij op 20 september 1879 priester gewijd werd. In het door de Britten begeerde Afghanistan was grote behoefte aan aalmoezeniers om soldaten geestelijk ter zijde te staan. De eerste paters van Mill Hill waren al die kant op gestuurd. De congregatie bepaalde wie er heen ging.

In de autobiografie kun je lezen: ‘Het was gewoonte geworden dat de neomisten zich na de wijding bij de houten trap verzamelden, waar de rector de benoemingsbrieven aan ons zou overhandigen. Zenuwachtig scheurde ik wild de enveloppe open en zag meteen het woord Afghanistan. Dus toch! Ik wist het en mijn voorgevoelens waren uitgekomen – aalmoezenier in het Engelse leger in Afghanistan.’

Raatger stond op het punt zijn eerste stappen in een voor hem nog onbekende wereld te zetten. ‘Ik wist niets van Afghanistan, noch van het Engelse leger, behalve dan dat er veel Ierse soldaten waren. Zij waren moeilijk te verstaan. Bij mezelf was de kennis van de Engelse taal nog onder de maat en wist ik dat ik nog veel fouten maakte, ook in de geschreven teksten.

Ik bekeek het met een Twentse nuchterheid: die anderen moesten ook maar hun best doen om mij te verstaan.’

Afscheid van Rossum

Alvorens naar zijn missiegebied af te reizen droeg Gerard een eerste heilige mis op in Rossum. Hij werd er goed onthaald. De jonge priester wist wat hem te wachten stond en anticipeerde erop. ‘Ik was al meteen uit bed om mijn breviergebeden te zeggen, niet alleen het morgengebed maar ook de middaggebeden, want er zou geen gelegenheid zijn om die ’s middags te bidden in verband met de feestelijkheden. Het was moeilijk om mijn gedachten bij het bidden te houden. Ik sloot het boek.

Een uur vóór de mis stonden de bruidjes, misdienaars en acolieten klaar om mij naar de kerk te begeleiden. De pastoor en kapelaan kwamen aangereden in een koets, waarin ik ook plaats moest nemen. Er was een tweede koets voor mijn vader, broer en schoonzus. Bij de kerk was alles versierd. De kerkklok beierde lang en luid voor ieder om te horen en om zich naar de kerk te spoeden.

De pastoor gaf de feestpredicatie. Vol vuur vertelde hij de mensen dat ik eropuit zou trekken om het woord van God te verkondigen in streken waar nog geen missionaris was geweest. De voortdurende gebeden van heel Rossum zouden mij vergezellen.’

In de kerk kreeg Gerard een gouden kelk aangeboden. Na het celebreren van die eerste mis ontving hij onder meer een gereedschapskist. ‘Die zou handig van pas komen in de vreemde landen waar ik naartoe zou gaan.’ Aan drank geen tekort. ‘Om ongelukken te voorkomen had mijn broer ervoor gezorgd dat op het eind van de avond iedereen van een karbonade op een stuk versgebakken brood kon genieten.’

Naar India

Vanuit Engeland reisde Raatger naar Brits-Indië. ‘De zeereis was lang. Elke dag las ik de H. Mis in de kajuit, maar ’s zondags op het dek in aanwezigheid van enkele leden van de bemanning en andere passagiers. Slechts door een strikt stramien van gebed en meditatie, de maaltijden en lichamelijke oefeningen konden we de hete dagen aaneen rijgen.’

In Madras (tegenwoordig: Chennai) werd hij opgevangen door Father Browne. ‘Hij behoorde tot de eerste groep Mill Hill missionarissen in India en was gewend aan het leven hier. Ik werd naar de grote pastorie gebracht. Een fles bier werd neergezet. De pakjes brieven die ik had meegekregen werden uit de handen gegrist. De inhoud werd verslonden met gretige ogen, die verhongerd waren door de lange afwezigheid van een postschip.

’s Avonds, het was al bijna donker tegen zes uur, werd ik uitgenodigd om naar de kathedraal te gaan voor een gebed van dankbaarheid voor de behouden aankomst. Veel mensen namen eraan deel, ook veel vrouwen in prachtig gekleurde sari’s. Er werd gezongen in een taal, Tamil, die ik niet verstond.’

In Madras vernam de voormalige inwoner van het Nederlandse kerkdorp pas wat er aan de hand was. ‘In Mill Hill hadden we een zeer beperkt overzicht gekregen. Noch de algemeen overste, noch iemand van de staf was hier ooit geweest.’

De Britten hadden zich dertig jaar eerder laten verleiden om Afghanistan binnen te vallen. ‘Ik had gehoord dat het Britse leger tijdens die oorlog verslagen was. Die kwam bij de Britten bekend te staan als de ramp van Afghanistan. Lord Auckland [1784-1849] wilde een permanente tegenwoordigheid van de Britten in Kaboel om de Russen ervan te weerhouden India binnen te trekken.’

Het zat flink tegen. ‘De vijand bestond uit talloze Afghaanse stammen, fanatiek tot op het bot, gewapend met lichte geweren. Ze werden bijeen gehouden door de islam en haat tegen de blanke heidenen, die arme vrouwen verleidden en zich te goed deden aan alcohol. Hun leven was zo zondig dat een jihad tegen hen gerechtvaardigd was.’

Naar Afghanistan

Om in zijn missiegebied te komen maakte de Twentenaar gebruik van gloednieuwe door de Britten aangelegde spoorverbindingen. ‘In Oldenzaal kon ik met de trein naar Culemborg. Hier kon ik binnen een paar dagen met de trein van Madras naar Bombay [nu: Mumbai] en weer doorreizen naar Delhi.’

Aangenaam was de reis echter niet altijd. ‘De trein was overvol, de hitte verstikkend. Wanneer we stil stonden op een station moesten we oppassen dat ons ontbijt niet door apen geplunderd werd. Niemand joeg ze weg.’

Het laatste gedeelte op weg naar de missie had een wat primitiever karakter. ‘Per paard moest ik een stuk afleggen naar Peshawar. Ossenkarren stonden daarna klaar om ons te vervoeren naar het legerkamp in Kohat. Daar heb ik kerst gevierd – onvergetelijk, in de schaduw van met sneeuw bedekte bergtoppen. Inlandse soldaten hadden een groot muziekcorps bijeengebracht om mij naar een prachtig versierde tent in het kamp te begeleiden.’

Raatger kon zijn priestertaak meteen uitoefenen. ‘Velen gaven te kennen dat ze eerst wilden biechten.’

Gerard, onervaren, kreeg gelukkig hulp. “Ik sprak hun taal nog niet en vroeg mij af hoe dat zou kunnen. Een kapitein fluisterde me toe alles aan hem over te laten. Hij plaatste een hoge schutting in de tent, ging aan de ene kant zitten en ik ging met de biechteling aan de andere kant zitten. De kapitein noemde een vervaarlijke lijst van zonden in de Tamil-taal en vertaalde ze woord voor woord in het Engels. De biechteling kon mij door tekens aangeven wat hij had misdreven.’

Naar het front

Tijdens het oprukken van het Britse leger kreeg de Twentenaar meer informatie. ‘Op een avond zat ik in zijn tent te praten met een Schotse officier. We dronken een glaasje cognac, iets wat ik in mijn leven nog nooit gedronken had.

Hij vertelde me over de Russen die hun invloedssfeer steeds verder naar het zuiden verlegden. Hij bevestigde wat ik eerder had gehoord over Lord Auckland. De nieuwe oorlog was al begonnen in 1878, toen ik nog in Mill Hill studeerde. Enkele missionarissen waren toen al met het leger meegestuurd om het pastoraat bij de soldaten te verzorgen. Een Engelse gouverneur was na de eerste oorlog in Kaboel gezeteld, maar hij en veel andere Europeanen waren op 3 september 1879, net voor mijn wijding, vermoord. Vervolgens was generaal Roberts ten strijde getrokken. Er waren al drieduizend mensen omgekomen, vooral aan Afghaanse kant.’

De alcohol liet Gerard niet onberoerd. ‘Ik was niet gewend om een paar glaasjes cognac te drinken. De gedachten over deze mijns inziens onrechtvaardige oorlog bleven door mijn hoofd dwarrelen. Wat kon deze jongen uit Rossum betekenen in deze strijd? In de hitte van de nacht draaide ik me nog eens om en zag voor me een prachtige stad Kaboel, waar de moslims vredig samen woonden met de christenen. Ik was hier gekomen om vrede te brengen.’

Oorlog

De volgende ochtend was de droom van de Rossummer voorbij. ‘Ik werd wakker geschud toen het reveille werd geblazen. Alles moest snel gaan, ontbijten, tent afbreken, kamelen opladen en in een lange rij plaatsen, positie in de kolonne vinden. Her en der bemoedigde ik enkele soldaten die het moeilijk vonden om weer op pad te gaan.’

Langzamerhand werd het spannend. ‘We kwamen dichter bij de mensen tegen wie we een veldslag moesten beginnen. Overal konden ze zich verbergen. We marcheerden door onherbergzaam gebied met grote steile bergen en nauwe passen. Grote stofwolken kleurden de hemel rood. Het leger sleepte zich voort.’

Aangenaam was het reizen niet. ‘Overdag kon het snikheet zijn met temperaturen rond de veertig graden. ’s Nachts koelde het af, gelukkig, maar in de bergen werd het koud en lag er sneeuw op de toppen. Mijn tropenhelm beschermde mij overdag tegen de felle zon en ’s nachts had ik een goede wollen deken om mij warm te houden. Mijn lichaam protesteerde soms tegen het voortdurend grote verschil tussen heet en koud.’

Het duurde niet lang of de strijd barstte los. ‘Het werd een enorm bloedbad, meer nog vanwege de scherpschutters, die overal achter grote rotsblokken verborgen zaten. Ik liep rond en zocht dekking wanneer de kogels te dichtbij kwamen. Ik bleef bij de gewonden om hen de laatste sacramenten toe te dienen. De tranen sprongen in mijn ogen wanneer ik deze jonge levens tot een voortijdig einde zag komen. De oorlog leek mij onrechtvaardig en zelfs stompzinnig toe.’

Terug naar Madras

Raatger had nog een taak. ‘Ik verzamelde de naamplaatjes van de doden om ze te overhandigen aan de officier van mijn peloton. Het was zijn plicht om middels de generale staf de familie te infomeren over de dood van hun zoon, informatie die dikwijls een paar maanden later werd overgebracht, ofschoon de telegraaf al geopend was. Alles moest volgens protocol behandeld worden.’

In de zomer van 1880 werd duidelijk dat het Britse leger op de vlucht was, achtervolgd door de vijand. In september werd een vredesverdrag gesloten. De tweede Afghaanse oorlog was voorbij.

Engelbertink: ‘Het vredesverdrag werd getekend in het voordeel van de Britten. Een invasie van de Russen was nu moeilijker geworden door in het verdrag opgenomen bepalingen. Een beetje land was gewonnen ten koste van vele levens aan beide kanten.’

De aanwezige missionarissen wilden in Afghanistan blijven. ‘Het zou fijn zijn om vredesbrengers in dat immense land te kunnen zijn. Eveneens was het een grote uitdaging om de Kerk uit de breiden naar die regio. Wij als missionaire congregatie zouden zoiets voor onze rekening kunnen nemen. Er waren nu meer jongeren die zich bij ons aansloten.’

Van hun idealen kwam evenwel niets terecht. ‘De mensen van Afghanistan maakten geen verschil tussen soldaten en priesters. Ze zagen alleen maar blanke mensen die een slecht leven leidden. Ze verkrachtten hun vrouwen en werden dronken van de alcohol. Ze zouden doorgaan met een jihad op hun eigen grondgebied.’

Een telegram uit het hoofdkantoor van Mill Hill bij Londen gaf duidelijkheid: alle Afghaan-aalmoezeniers moesten zich zo spoedig mogelijk naar Madras begeven om daar te wachten op een nieuwe benoeming. ‘Het was moeilijk om afscheid te nemen van de manschappen. Dikwijls werd ik ’s nachts wakker, badend in het zweet, komend uit een droom waarin ik gescheurde lichamen moest zegenen en begraven.’

De militaire terugtocht had ook gevolgen voor de missie van Mill Hill. ‘Het benoemen van enkele missionarissen tot aalmoezenier was een middel geweest om een missiegebied te vestigen. De stichter van Mill Hill [Herbert Vaughan, 1832-1903] was wanhopig geworden omdat hij niet meteen een missiegebied kreeg toegewezen door Rome. Een verzoek om aalmoezeniers voor het leger te benoemen greep hij dus met beide handen aan. Het was hem niet gelukt om zodoende een werkgebied voor missionarissen te veroveren.’

Nieuw missiegebied

Mill Hill beschikte dus wel over ambitieuze paters, maar niet over een passend missiegebied. ‘Onze stichter hoopte dat Rome ons [Brits] Borneo zou toewijzen. Ik probeerde me verdienstelijk te maken in de missie van Madras. We zaten dikwijls bij elkaar, af en toe een glas bier wanneer we een goede gift hadden ontvangen van een weldoener.’

In afwachting van nieuws uit Europa nam Raatger zelf initiatieven. ‘Madras was niet mijn stad, net zoals Oldenzaal of Hengelo ook niet mijn steden waren. Liever bleef ik op het platteland van Rossum, waar ik bovendien mijn eigen taal kon spreken.’

Zo kwam hij terecht in het nabij gelegen Nellore. ‘Er was al een kerkje gebouwd en een pastorie, een heel eenvoudige hut met een dak van palmbladeren. Veel mensen stonden bij de ingang te wachten. De kinderen dansten van plezier. We gingen meteen het kerkje binnen om de Heer te bedanken. Een overvloedige maar eenvoudige maaltijd was klaargemaakt door de katholieke gemeenschap. Hier had ik zo lang op gewacht. Ik probeerde zo snel mogelijk de plaatselijke taal (Telegu) te leren.’

Jubileum

De annalen van Mill Hill gaven in oktober 1919 (zijn veertigjarige missiejubileum) in het kort weer hoe het Gerard vergaan was, nadat hij toestemming kreeg in India te blijven. ‘Tweemaal in het jaar trok hij per huifkar zijn geheel missiegebied door. Zo’n reis door de 15 dorpen van het district duurde een paar maanden.

Na ruim een jaar werd hem de Patibanda-missie opgedragen, die ruim 300 katholieken telde. Driemaal in het jaar werden hier alle gelovigen, verspreid over een oppervlakte zo groot als Twente, bezocht. Deze arbeid, dertien jaar volgehouden, was zo zwaar en afmattend, dat Father Raatger in 1895 tot herstel van zijn gezondheid naar Europa werd terug gezonden.

Maar na tien maanden was hij weer op zijn post en hervatte hij lustig het werk. Het gevolg is, dat Fr. Raatger en zijn volk de Patibanda-missie sedert 1896 met drie grote en zeven kleine kerken verrijkt hebben. Bovendien werd een klooster voor inlandse zusters gebouwd.

Sedert vijf jaren is Fr. Raatger pastoor en rector bij de zusters te Guntur. Ook daar en in de omliggende dorpen werkt hij nog krachtig voor de glorie van God. Wij wensen Fr. Raatger nog vele jaren van zegenrijke arbeid in het missieland; moge hij nog getuige zijn van de ongekende bloei van het missiewerk in Indië, die hij en andere kenners van dat geheimzinnig land, voorzien, zo slechts de mannen en de middelen niet op zich laten wachten!’

Twee jaar later, in 1921, keerde Raatger terug naar Nederland. In 1932 overlijdt hij in Delden.