In memoriam voor de vorige week overleden theoloog Harry Kuitert, door Peter Nissen.

Een van de eerste boeken die ik las toen ik, deze maand precies veertig jaar geleden, begon met de theologiestudie aan de Nijmeegse universiteit, was Zonder geloof vaart niemand wel. Een plaatsbepaling van christendom en kerk van de op 8 september overleden Harry Kuitert. Het boek is voortgekomen uit een reeks van radiovoordrachten die Kuitert, sinds 1967 hoogleraar systematische theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, in 1973 en 1974 voor de NCRV verzorgde. Het boek is mij om verschillende redenen tot de dag van vandaag dierbaar gebleven. Om te beginnen liet Harry Kuitert zien dat je over theologische kwesties in volstrekt helder Nederlands kunt schrijven, zonder nodeloos jargon en zonder hopeloos ingewikkelde constructies. Harry Kuitert heeft deze vaardigheid tot in zijn laatste boeken vastgehouden. Daardoor wist hij een groot lezerspubliek te bereiken.

Verpakt in godsdienst

Het boek van Kuitert was voor mij ook de eerste kennismaking met een vorm van theologiebeoefening die ik voor het gemak toch maar even vrijzinnig noem, ook al wilde Harry Kuitert zelf liever niet zo genoemd worden. Toen ik aan de studie in Nijmegen begon, had ik een periode achter de rug waarin ik, als monnik in een benedictijnenabdij in het zuiden des lands, eigenlijk vooral kerkvaders en monastieke theologen had gelezen. Prachtige lectuur voor wie de hele dag gedragen wordt door Latijnse psalmen en antifonen en voor wie woont in een gebouw waar het in de gangen nog lang naar wierook en kaarsen blijft ruiken, maar onherkenbaar voor de meeste mensen van deze tijd. De vragen die Harry Kuitert in zijn boek aan kerk en christendom durfde stellen, zijn de vragen van onze tijd.

Het zijn vragen die kerk en christendom uit hun beschermde, stormvrije en vanzelfsprekende positie halen. Ook het christendom is een vorm van godsdienst, van religie: dat is een gedachte die voor veel Barthianen al vloeken in de kerk is. En wat is die godsdienst? Niet meer dan een menselijk zoekontwerp, een oriëntatieschema. De aanhangers van dat zoekontwerp kunnen wel zeggen dat ze het van Boven hebben ontvangen, dat het hen is geopenbaard. Maar, zo zegt Kuitert dan, ‘menselijke uitspraken worden niet méér waar als iemand zegt dat ze op openbaring berusten. Alle spreken over boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van boven komt.’ Die woorden, uit Zonder geloof vaart niemand wel, zijn ooit uitgeroepen tot de beroemdste theologische zin in het Nederlands. Zij maken duidelijk dat het mogelijk is theologie te bedrijven zonder van allerlei religieuze a-priori’s uit te gaan. Alles mag in de theologie bevraagd worden, alles mag ter discussie gesteld worden. Ook dat door theologen vaak zo schroomvol benaderde begrip openbaring. Wij kennen Gods openbaring alleen in de vorm van menselijke gedachten en woorden, ‘verpakt in godsdienst’, zo zei Kuitert.

Antropologisch vloertje

Wat Kuitert in Zonder geloof vaart niemand wel laagdrempelig en lichtvoetig behandelde, werkte hij drie jaar later, in 1977, systematischer uit in zijn boek Wat heet geloven? Structuur en herkomst van de christelijke geloofsuitspraken. Daar onderbouwt hij de gedachte dat geloof een zoekontwerp is. Daar beschrijft hij ook wat hij het ‘antropologisch vloertje’ van geloof noemt: het basisvertrouwen of oergeloof dat mensen op de been houdt. Wat heet geloven? is wat mij betreft een van de belangrijkste boeken van Kuitert. Kuitert zelf zag het ook als zijn ‘meest doorwrochte werk’. Het vormt het fundament voor veel van zijn latere boeken, ook en juist die waarin hij de christelijke geloofsuitspraken aan een kritisch onderzoek onderwerpt, zoals Het algemeen betwijfeld christelijk geloof uit 1992 en Schiften uit 2004.

In Wat heet geloven? is Kuitert voortdurend, en heel nadrukkelijk in het laatste hoofdstuk, in discussie met Karl Barth, de mastodont van de gereformeerde theologie van de twintigste eeuw. Die discussie zet hij voort tot in zijn voorlaatste boek, Alles behalve kennis uit 2011. Tegenover Barth staat in de theologiegeschiedenis van de twintigste eeuw uiteraard Paul Tillich. Kuitert en Tillich hebben veel met elkaar gemeen. Anders dan Barth vertrekken zij niet vanuit de particulariteit van het christelijk geloof en zijn claim van openbaring, maar vanuit de algemene zoektocht van mensen naar zin en betekenis, vanuit het basisvertrouwen in het leven, dat in een diversiteit van zoekontwerpen wordt uitgewerkt. Van die zoekontwerpen is het christendom er een. Deze benadering is mij dierbaar. Zij stelt ons, dunkt me, in staat om de kloof te overbruggen tussen de theologie en de religiewetenschappen, een kloof die de academische bestudering van religie in Nederland momenteel lijkt te verlammen.

Met Tillich zegt ook Kuitert dat wij de traditionele geloofsvoorstellingen over God achter ons moeten laten om uit te komen bij de God voorbij de godsbeelden. Dat is de God van de mystieke ervaring, die bij Kuitert in het boek Zeker weten uit 1994 een prominente plaats krijgt. Deze mystieke kant van Kuitert is bij het grote publiek nauwelijks bekend. Het zou de moeite lonen haar nader te bestuderen. Dat geldt ook voor de relatie tussen de theologie van Kuitert en die van Tillich. De vorig jaar verschenen biografie van Kuitert door Gert J. Peelen schiet in dit opzicht zeker te kort; Tillich wordt er maar twee keer terloops in genoemd.

Naar Nijmegen?

Wat ik niet wist toen ik veertig jaar geleden voor het eerst een boek van Kuitert las, was dat de schrijver op precies datzelfde moment naar voren werd geschoven voor een benoeming aan de Nijmeegse theologische faculteit. Daar was in 1977 de jezuïet Piet Schoonenberg met emeritaat gegaan als hoogleraar fundamentele theologie. Edward Schillebeeckx schoof Kuitert naar voren als kandidaat voor de opvolging van Schoonenberg. Kuitert zelf geloofde er niet in: ‘Ik ben niet katholiek en al helemaal niet recht in de leer’, schreef hij zijn vriend Schillebeeckx. Maar de benoemingscommissie zag er wel iets in. Kuitert kreeg, helaas, gelijk: de Nederlandse bisschoppen staken een stokje voor zijn benoeming.

Schillebeeckx en Kuitert waren toen al enkele jaren met elkaar bevriend en bleven dat tot het einde toe, ook al waren ze het lang niet overal over eens. Schillebeeckx betrok Kuitert bij de redactie van het van huis uit katholieke Tijdschrift voor Theologie, zij lazen en becommentarieerden elkaars werk, zij traden samen op bij congressen en op de Nederlandse televisie. Hun debat over het Jezusboek van Schillebeeckx verscheen in 1975 als boekje: Jezus van Nazareth en het heil van de wereld. Kuitert was in 1982 betrokken bij de toekenning van de Erasmusprijs aan Schillebeeckx en werkte mee aan de bundel bij diens afscheid als hoogleraar in 1983. Zij hadden een gedeelde drive: de christelijke geloofstraditie in gesprek brengen met de vragen van onze tijd. En zij hadden een gedeeld lot: beiden werden in hun eigen kerk met wantrouwen bejegend. Dat lijkt het lot te zijn van alle theologen die werkelijk iets nieuws te zeggen hebben. Zo’n theoloog was Kuitert.

Peter Nissen is hoogleraar Spiritualiteitsstudies aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en remonstrants predikant in Oosterbeek.

Foto: Still uit Jacobine op zondag (KRO/NCRV)