Mijn vader was priester

0
1854

Een rijk en beheerst familieverhaal

In ‘Mijn vader was priester’ vertelt Katja Kreukels over de geschiedenis van haar familie waarin het verhaal van haar vader centraal staat. Dat hij ooit priester geweest is in de RKK, is min of meer een familiegeheim. Er wordt niet over gepraat – totdat Katja hierover met haar vader in gesprek gaat. Ze tekent zijn persoonlijke verhaal op waarbij ze met veel achtergrondinformatie reconstrueert hoe zijn wereld – zo anders dan de hare – er uit heeft gezien.

door Simone Ooms

Aan het begin van het boek neemt Katja ons mee naar de flat van haar grootmoeder, naar hoe ze als kind haar oma zag, naar het leven van haar ‘vrome’ Limburgse grootouders Joseph en Keetje. Ze leerden elkaar kennen op weg naar Lourdes. Grootvader Joseph, ook wel ‘de oude Joep genoemd’, was eigenlijk bestemd om priester te worden, maar het noodloot had die weg afgesneden: aan een verwaarloosde hersenschudding had hij dusdanig ernstige hoofdpijnklachten overgehouden, dat hij fysiek niet meer in staat was zijn studie voort te zetten. Hij trouwt zodoende met Keetje en verdient zijn inkomen als fietsenmaker. Zijn twee ongetrouwde zussen vinden het maar niks, zo’n relatie met een ‘halve priester’, en verbreken het contact. Als lezer word je je zeer bewust van het stigma waaronder iedereen die ooit ‘de kleren heeft aangehad’ gebukt gaat.

Fanfare rukt uit

Katja’s vader, ‘de jonge Joep’, groeit op als oudste zoon in het katholieke Limburg in een gezin met twee vrome ouders. Zijn geboorte zorgt gelukkig voor hereniging met ‘de tantes’. Joep blijkt goed te kunnen leren en gaat, min of meer vanzelfsprekend, als jong jochie intern op het kleinseminarie. Net als zijn vader treedt hij in bij de montfortanen. De hele familie is trots, voor de oude Joep leven allerlei herinneringen en contacten bij de montfortanen weer op. Omdat Keetje en de oude Joep het niet breed hebben, zorgen de tantes voor de nodige financiële ondersteuning zodat Joep zijn opleiding kan voortzetten. Wanneer Joep na zijn jarenlange studie en kloosterleven eindelijk tot priester gewijd wordt, is het hele dorp trots op ‘hun’ Joep: de fanfare rukt uit en een week lang is het feest.

Sociale druk

Omdat je als lezer vooraf weet dat het een keer fout gaat lopen met Joeps priesterroeping, voel je ongemak bij dit soort scènes: hoewel Joep op dat moment zelf gelukkig en vol vertrouwen is dat hij de juiste keuzes heeft gemaakt, vindt het allemaal plaats in een wereld waarin er eigenlijk geen weg terug is. Binnen het religieuze systeem start je piepjong en zijn de vervolgstappen zo goed als vanzelfsprekend. Ondertussen zet de buitenwereld de kandidaat op een enorm voetstuk. Het is aan hem om de familie-eer hoog te houden. Zie dan maar eens van het voor jou uitgestippelde pad af te stappen omdat je bij nader inzien toch wat twijfels hebt of het priesterschap echt iets voor jou is. Kreukels stipt deze vormen van sociale druk herhaaldelijk in haar boek aan. Toch krijg je als lezer in het algemeen wel het idee dat Joep op de juiste plek zit.

‘Geknakte’ roeping

Dat, en een lange aanloop, verhogen de spanning rondom de vraag waar het dan uiteindelijk toch fout zal lopen (spoiler alert!). Het moet haast wel een schokkende, plotselinge gebeurtenis zijn. Het tegendeel blijkt echter het geval: wanneer Joep als missionaris naar IJsland wordt gestuurd, belandt hij in een setting waarin hij totaal niet op zijn plek is: zowel qua klimaat als qua sociale contacten is het een kille omgeving. Joep had het veel beter gedaan als hij kapellaan was geworden in een Limburgse parochie – maar hem was niets gevraagd. Na de missie in IJsland probeert hij nog zijn weg te vinden – temidden van alle reuring door het Tweede Vaticaans Concilie en de nasleep daarvan, die Kreukels uitgebreid beschrijft – maar achteraf bezien blijkt zijn roeping in IJsland al te zijn ‘geknakt’.

Afkicken van eerbied

Hoewel Joep in die tijd zeker niet de enige priester is die een andere weg kiest, doet zijn besluit een schokgolf door de familie gaan. De relaties met zijn ouders komt ernstig onder druk te staan en ze zien elkaar lange tijd niet en het weinige contact dát er is, verloopt uiterst stijfjes. Joep moet bovendien zijn weg vinden in het ‘gewone’ leven, een nieuwe identiteit opbouwen. Zo moet hij bijvoorbeeld echt afkicken van alle eerbied waarmee hij als geestelijke werd bejegend. Als hij een paar jaar later trouwt, vindt er gelukkig een verzoening plaats met de familie, zelfs met de tantes. Joep voelt zich enorm gesteund en gewaardeerd wanneer iedereen op de receptie van de bruiloft komt. Desalniettemin blijft er in de familie een soort afspraak gelden dat er nooit meer over Joeps priesterverleden gesproken wordt.

Veel achtergrondinformatie, geen melodrama

‘Mijn vader was priester’ is op een vlotte manier geschreven waardoor het makkelijk en prettig leest. Door de vele achtergrondinformatie wordt het verhaal van een persoon, van een familie, in een (kerk)historische context geplaatst. Daarmee is het een heel rijk verhaal geworden. Kreukels is er bovendien in geslaagd om op zeer open en beheerste wijze de geschiedenis van haar familie te beschrijven. Ik bedoel daarmee dat zij dit doet zonder in de val van een overvloed aan melodrama en sensatie te trappen – wat ik vooraf een beetje vreesde toen ik op de achterflap de frase ‘familiegeheim aan mij geopenbaard’ las. Ze is echter ook open en eerlijk over het feit dat ze zelf niet zo veel meer heeft met het katholicisme, hetgeen je soms ook tussen de regels leest als ze de ‘vroomheid’ van familieleden en anderen beschrijft. Voor een ‘vrome’ katholiek zal die tone of voice misschien even wennen zijn.

Actuele vragen worden opgeroepen

Kreukels schetst dus een kleurrijk beeld van een voor velen onbekende wereld van nog niet eens zo lang geleden. Toch roept het boek allerlei vragen op die nog steeds actueel zijn: wanneer weet je zeker dat je een bepaalde roeping hebt? Kan dat later nog veranderen of is dat falen? Betekent een roeping tot een kerkelijk ambt ook dat je dat ambt op álle plekken en onder álle omstandigheden moet kunnen uitoefenen – of mogen we erkennen dat ambtsdragers ook individuen zijn die op bepaalde plekken nu eenmaal doodongelukkig worden? Hoe voorkom je als religieuze instelling, ook nu nog, dat je kandidaten op een soort eenrichtingsroute terecht komen waaruit eigenlijk geen weg terug is? Waar ligt de scheidslijn tussen respect voor ambtsdragers en een wellicht onnodig hoog voetstuk? Maar ook: wanneer krijgt enthousiasme en aanmoediging vanuit je omgeving (over wat dan ook) iets beklemmends en verandert het in sociale druk?

Niet over gevoelens praten

De aanloop naar de ‘geknakte roeping’ van Joep is wellicht wat lang beschreven, maar geeft ook een compleet beeld van familiedynamiek, sociale verhoudingen en andere zaken die de situatie maakten zoals die was. Het daadwerkelijke ‘knakken’ van de roeping wordt in mijn beleving relatief kort behandeld – maar ook hier heb ik het idee dat het beeld dat het geschetste beeld, het eindresultaat, vrij compleet is. Tel daarbij op dat Joep van een generatie is die niet gewend is om veel over gevoelens te praten, zoals Kreukels ook in haar verantwoording schrijft. Ze is er mijns inziens toch in geslaagd om die gevoelens naar boven te halen en deze, voorzien van context, op levendige én beheerste wijze met de lezer te delen.

Al met al zeer de moeite waard.