Paus Franciscus lijkt een voorschot te nemen op het Heilig Jaar van de Barmhartigheid, dat op 8 december begint. In maart van dit jaar kondigde hij, tot verrassing van iedereen, dit buitengewoon Heilig Jaar aan. Doorgaans wordt een Heilig Jaar slechts eenmaal in de 25 jaar afgekondigd; het laatste was in 2000.

Vandaag publiceerde de paus een brief waarin hij onder meer bekend maakte dat iedereen die tijdens het Heilig Jaar een bedevaart maakt naar een kathedraal of een andere kerk waar een Heilige Deur is geopend, een aflaat zal ontvangen.

De paus voegde hier nog twee opmerkelijke maatregelen aan toe, die op het eerste gezicht vooral van juridische aard zijn. Zo zal iedereen die betrokken is geweest bij een abortus vergiffenis kunnen ontvangen van een priester. Eigenlijk kan zo’n zware zonde alleen worden vergeven met toestemming van een bisschop, maar Franciscus verruimt nu deze mogelijkheid:

“Ik heb zo veel vrouwen ontmoet, die in hun hart het litteken dragen van deze hartverscheurende en pijnlijke beslissing. Wat is gebeurd, is ten diepste onrechtvaardig”, maar zo schrijft de paus: “De vergevingsgezindheid van God kan niet ontzegd worden aan iemand die berouw heeft.”

Een tweede maatregel betreft het biechten bij priesters van de Pius X-broederschap. De leden van de broederschap zijn feitelijk uit de rooms-katholieke kerk gezet en hun priesters zijn kerkrechtelijk gesproken geschorst. Franciscus schrijft dat hij erop vertrouwt dat de breuk ‘in de nabije toekomst’ geheeld zal kunnen worden. Daarom zal iedereen die bij een priester van de broederschap te biecht gaat en vergeving ontvangt, ook in de ogen van de rooms-katholieke kerk werkelijk vergeving voor zijn of haar zonden hebben ontvangen.

De brief bevat geen veranderingen van kerkelijke standpunten over abortus en over de Pius X-broederschap. Wel verlaagt hij de drempel voor gelovigen om vergiffenis te ontvangen. Met zijn brief neemt hij juridische belemmeringen weg — overigens alleen voor de duur van het Heilig Jaar. Maar de kern van zijn boodschap is dat kerkrechtelijke overwegingen niet in de plaats mogen komen van barmhartigheid.