Het Tweede Vaticaans Concilie was niet de oorzaak van, maar een antwoord op de crisis in de rooms-katholieke Kerk. De auteurs van ‘Het Concilie Vaticanum II’ laten er geen misverstand over bestaan hoe belangrijk zij deze kerkvergadering vinden.

Ze zoeken daarbij de nuance en laten zich niet verleiden tot een standpunt voor of tegen het concilie. Dat een van de belangrijke verdiensten van dit boek. De discussie over het concilie bewoog zich immers jarenlang rond twee polen: een positieve en een negatieve. In de ene visie was het concilie een goede zaak, maar had het verder moeten gaan met de vernieuwing van de Kerk. Het stagneren van die vernieuwing zou hebben geleid tot de crisis. In de negatieve visie was het concilie juist te ver gegaan met vernieuwingen en dat zou in deze visie de crisis in de kerk teweeggebracht hebben.

Deze hooglopende discussies waren vaker op meningen gebaseerd dan op feiten. Dit boek gaat over die feiten. De beide auteurs zijn uitstekend gekwalificeerd om die uit te doeken te doen. Beiden hebben tientallen jaren van studie over het concilie achter de rug en hebben een grondige kennis van de internationale literatuur. Betere gidsen die de belangrijkste werken voor een Nederlandstalig publiek kunnen vertalen zijn er niet.

Die feitelijkheid maakt wel dat het boek leest als de notulen van een buitengewoon lange vergaderin. Het is zonder meer knap hoe ze de ingewikkelde discussies in een kort bestek weten weer te geven.

Maar deze stijl laat ook weinig ruimte voor emoties. Die komen slechts op een enkel moment aan het licht en dan ook nog verstopt in een onvertaald citaat in het Frans: “In de Sint-Pieter zag men kardinaal Alfrink tranen plengen”. De afstandelijke aartsbisschop van Utrecht was geheel van zijn stuk gebracht door de meest dramatische week van het concilie, die de geschiedenis in zou gaan als de ‘zwarte week’.

Dat was het moment waarop paus Paulus VI ingreep in het concilie. Zijn voorganger Johannes XXIII, die het concilie bijeen had geroepen, had de bisschoppen steeds de kans gegeven om vrijuit te discussiëren. Hierdoor werd de agenda niet door de curie bepaald, maar door de bisschoppen.

Het Tweede Vaticaans Concilie leek hiermee de positie van de paus — en dus van de curie — te heroverwegen. Het Eerste Vaticaans Concilie had nauwelijks een eeuw eerder nog de onfeilbaarheid van de paus afgekondigd. Nu werd benadrukt dat de paus de kerk bestuurde in collegialiteit met de andere bisschoppen. Juist Alfrink kon zich heel goed vinden in dit beeld van ‘Petrus én de andere apostelen’.

Een grote meerderheid van de bisschoppen had vastgesteld dat de lokale kerken meer autonomie zouden moeten krijgen, zonder dat dit de centrale positie van de paus zou aantasten. Samen met de paus zouden de bisschoppen medeverantwoordelijkheid moeten krijgen voor het bestuur van de Kerk, maar tot hun verrassing ging het stuk over het collegiale bestuur van de Kerk vergezeld van een verklarende nota. Die was tot stand gekomen onder druk van de minderheid, die het gezag van de paus voorop stelde en die bezwaar had tegen een collegiaal bestuur. Onder die minderheid bevond zich bisschop Marcel Lefebvre, die in 1988 door paus Johannes Paulus II geëxcommuniceerd zou worden en die de conservatieve Pius X-broederschap oprichtte.

De status van de verklarende nota was onduidelijk, maar de reacties spraken boekdelen: de conservatieven gedroegen zich als winnaars, maar anderen waren woedend dat de paus ten gunste van die minderheid had ingegrepen.

Het is verleidelijk om op grond hiervan een tegenstelling te creëren tussen de progressieve paus Johannes XXIII en de conservatieve Paulus VI. Ze bekritiseren zijn sympathie met de conservatieve minderheid, maar benadrukken ook dat hij steeds achter de beslissingen van het Concilie is blijven staan, wat van Lefebvre en de zijnen niet gezegd kan worden. Meer nog dan Johannes XXIII was Paulus VI beducht voor verdeeldheid binnen de Kerk, vandaar dat hij iedereen binnenboord probeerde te houden.

Ten aanzien van Johannes XXIII constateren ze overigens dat hij ambivalent stond tegenover bepaalde beslissingen en dat ook hij ingreep in de gang van zaken, wanneer hij vond dat de bisschoppen te theoretisch bezig waren en zich niet bekommerden om wat er in de wereld gebeurde.

Kortom: een afgewogen, genuanceerd en degelijk onderbouwd betoog, maar wie behoefte heeft aan een eerste introductie over het concilie zal dit sterk geconcentreerde boek met zijn hoge informatiedichtheid zwaar op de maag liggen — ook al hebben de auteurs hun best gedaan om specialistische termen te verklaren. De beste introductie biedt nog steeds de website VolgConcilie. Karim Schelkens en Jürgen Mettepenningen geven in hun boek Van Concilie tot Concilie met hun overzicht van de kerkgeschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw de broodnodige context bij het concilie.

Maar dit boek vormt de volgende stap in de studie van het concilie. Alleen al de epiloog is zeer de moeite waard. Hierin wordt nog eens op een rijtje gezet wat het concilie allemaal teweeg heeft gebracht, zoals het erkennen van de vrijheid van godsdienst. Zaken die vrijwel iedereen binnen de Kerk nu vanzelfsprekend vindt of tenminste zou moeten vinden. Zo vanzelfsprekend, dat het geen kwaad kan om er nog eens bij stil te staan.

Mathijs Lamberigts, Leo Declerck, Het Concilie Vaticanum II (1962-1965) Antwerpen: Halewijn 2015. 221 p. Isbn 978-90-8528-363-8. € 18,95.