Brief uit de missie 93: Missie onder de Sioux na ‘Wounded Knee’ (1890)

0
762

De Belgische missionaris Pieter-Jan De Smet (1801-1873), afkomstig uit Dendermonde, was actief in de binnenlanden van het Amerikaanse continent. In de Godsdienstvriend schreef hij in 1863: “Ik heb de Zwartvoeten, Raven, Assinibonen, Minitariërs, Riccariërs, Mandanen en Sioux bezocht.

Deze laatste natie wordt als de talrijkste der vlakten beschouwd. Zij telt tussen de 30.000 en 40.000 zielen. Vanwege een grote opstand tegen de blanken kon ik ditmaal niet diep in hun land doordringen. Men zegt dat zij zeer wreed zijn. De moordtonelen zijn verschrikkelijk geweest. Een aantal van hen is door Amerikaanse troepen gevangen genomen. Acht en dertig van hen zijn opgehangen. Vóór de executie hebben 32 van deze veroordeelden verzocht om door een priester, die zich ter plaatse bevond, gedoopt te worden”.

Redding op het laatste moment, zal de missionaris gedacht hebben. Door de nederlaag van de indianen zag De Smet kansen. “Ik zal dit jaar een nieuwe poging in het werk stellen om met goed gevolg in hun land door te dringen”.

De strijd tussen de Sioux en de Amerikanen was nog lang niet afgelopen. Op 29 december 1890 vond in Zuid-Dakota het bloedbad van Wounded Knee plaats, waarbij honderden indianen het leven lieten.

Verslag uit 1908

In het Nederlandse tijdschrift Katholieke Missiën van april 1908 deed een niet met name genoemde missionaris verslag van hoe het verder gegaan was. De indianenstam bestond op dat moment nog uit 25.000 personen, die voor het grootste gedeelte in Noord- en Zuid-Dakota woonden. Paters van diverse orden, vooral Benedictijnen en Jezuieten, waren er in de weer om de Sioux te ‘bedienen’.

Volgens de pater waren de Sioux verzwakt. “Ze schijnen een kernachtig ras te zijn geweest. Maar sinds de ziekten van de blanken, de tering [t.b.c.] vooral, tot hen zijn doorgedrongen en het vuurwater [whiskey] is ingevoerd, zijn ze in ieder opzicht achteruit gegaan.

De indianen moesten anno 1908 in reservaten leven. “Vroeger, toen ze nog in hun tepis onder buffelhuiden woonden, leidden zij een nomadenbestaan. Vandaar dat ze destijds veel zindelijker waren. Vuil en afval konden zich niet, zoals nu, in hun hutten ophopen. In hun kolonies moeten ze nu op hun aangewezen stuk grond blijven wonen. Hun huizen zijn vaak op grote afstand van het naastgelegen water gelegen. Men kan zich de onder hen heersende vuilheid voorstellen”.

Een voorbeeld: “Ik geloof dat kinderen soms jaren rondlopen zonder dat zij zelf of hun kleren ooit worden gewassen”.

De Sioux waren nog lang niet gewend aan een vaste woonplaats. “Wat zich aan afval, lompen en oud roest maar bijeengaart, blijft op zijn plaats liggen. Ook bij het bereiden van voedsel wordt op zindelijkheid niet gelet. Geen wonder dus dat allerhande ziekten ontstaan, waardoor ouden van dagen en kinderen in menigte worden weggerukt”.

Missiewerk aan de winkel

Een pater die wat wilde bereiken was genoodzaakt zich aan te passen. “In zulke ‘huizen’ dus moet de missionaris zijn schaapjes gaan opzoeken. Liefst met de ogen dicht neemt hij met hen zijn maaltijd. Hij overnacht er. De volgende ochtend draagt hij het heilig misoffer op – op een oude kist, een kachel, onder spinnewebben en in het gezelschap van honden en katten”.

Er was gelukkig sprake van vooruitgang. “Op enkele missie-staties zijn de huizen al in een ietwat betere toestand. De missionaris kan er een fatsoenlijker kapel op nahouden. Maar de godhuizen bestaan slechts uit een aantal boomstammen, waarvan de tussenruimten en gaten met leem worden dichtgestopt. Enige met aarde bedekte planken dienen tot dak”.

Bij slecht weer kon het wel eens fout gaan. “Verleden herfst verrichtte ik in zo’n kapel de H. Dienst. Plotseling stak er een storm op, die de regen door spleten en gaten joeg, zodat ik de paraplu ter hulp moest nemen”.

Bedelvolk

De Sioux bekeerden zich niet zo maar, merkte de pater. “De indianen zijn een echt bedelvolkje. Dankbaarheid zoekt men bij hen tevergeefs. Dikwijls hoor ik klachten: ‘U hebt mijn kinderen gedoopt en nu zorgt u niet eens voor hen. Geef hun toch te eten. Mijn vrouw is ziek, zorg toch voor haar’”.
De geestelijke legde uit: “Wees niet zo onverstandig, vriend. Ik heb haar niet tot vrouw genomen. U bent met haar getrouwd. Zorg dus zelf voor haar!”

Aan de lezers van Katholieke Missiën legde hij uit: “Menigeen geeft zich als dopeling aan in de hoop vlees en andere dingen van de pater te krijgen. Ik geef evenwel nooit geschenken als ik de heilige sacramenten toedien – zelfs al zijn de mensen nog zo arm. Ik zeg dan: ‘Ik heb slechts goede dingen voor de ziel, niet voor het lichaam’”.

Zouden de Sioux dat begrepen hebben?

Vrijgevige Sioux

Anders dan de blanken gaven de indianen alles wat ze bezaten. “Het is alsof men altijd geven moet – of weigeren niet bestaat. Bij hen kan iedereen in andermans huis komen, daar eten, overnachten en voedsel voor zijn paarden halen. Presentjes geven is vanzelfsprekend.

Wanneer er iets gaande is vindt men steeds iemand die dingen meebrengt om ze aan anderen weg te schenken: een paard, een koe, kleren enzovoort. Vooral bij sterfgevallen in de familie. Ik heb al beleefd dat ze paarden, wagens, huis, ja geheel hun eigendom weggaven, zelfs schulden maakten om zaken voor de bedeling te kopen”.

De Sioux hielpen elkaar steeds wanneer dat nodig was. “Is een bloedverwant ziek dan zijn de indianen terstond van heinde en verre rondom zijn huis bij elkaar om hem te bezoeken en voor hem te zorgen. Is de zieke overleden dan knippen de vrouwen dikwijls het haar af, kleden zich in rouw en beginnen te huilen en te klagen. Ze maken een lange reis om deel te nemen aan de rouwplechtigheden”.

Als het kon probeerde de pater van de partij te zijn. “Dan blijven ze zeven of acht uur bij elkaar en ontvangen in dit of dat vak onderwijs. Ze doen hun zaken, zingen enige kerkelijke liederen en sluiten de zitting met een eenvoudig feestmaal. Zulke vergaderingen zijn altijd uiterst belangwekkend”.

De auteur van het artikel had nóg een plausibele reden om erbij te zijn: “Het zijn tevens aangename uren van ontspanning in de vermoeiende werkzaamheden van een missionaris”.

Nieuwe taakverdeling tussen man en vrouw

Het gedwongen leven in reservaten was nog niet uitgekristalliseerd. Omdat de Sioux geen nomadenbestaan meer leidden vonden er langzamerhand aanpassingen plaats. De missionaris beschreef het als volgt:

“Een vreemd verschijnsel is de minachtig voor de vrouw. Zij moet werken als een slavin, terwijl de man op zijn gemak in de hut ligt uitgestrekt. Zij moet hout kloven, water dragen, de paarden in- en uitspannen, de tent opslaan”.

De verkondiger van het katholieke geloof begreep het wel. Het was verklaarbaar uit hun vroeger leven. “Toen bestond het werk van de man in jacht, visvangst en krijg. Taak van de vrouw was het eten te bereiden, de huiden te looien, mais te planten en voor de kinderen te zorgen. Maar nu is het anders. Jacht, visvangst en krijg zijn niet meer. Daarmee heeft de man zijn werk verloren, terwijl dat van de vrouw alleen maar is toegenomen”.

Langzaam maar zeker voltrokken zich veranderingen. “De man begint in te zien dat hij moet leren te werken. Een groot gedeelte van de mannen is daarmee begonnen zodat ze gedeeltelijk in hun eigen behoeften kunnen voorzien”. Het ging schoksgewijs. “De mannen zijn erg onbestendig. Men weet nooit of ze niet dezelfde dag het werk zullen staken. Zolang ik toekijk kun je hen vertrouwen”.

Taal van de Sioux

Aan de missionarissen heeft de mensheid op taalkundig gebied veel te danken. Overal waar ze heen gingen moesten ze communiceren met de plaatselijke bevolking. Anders was bekeren uitgesloten. De geestelijken maakten bijvoorbeeld zelf woordenboeken die later van wetenschappelijke betekenis bleken te zijn.

Nieuw aangekomen in hun missiegebied moesten de geloofsverkondigers soms maanden, ja jaren, besteden om een taal moeizaam onder de knie te krijgen. De eerste vuurproef was biecht horen. Een priester luisterde, of probeerde te luisteren, en gaf dan de absolutie.

De niet met name genoemde pater besteedde eveneens een deel van zijn tijd aan het leren van de Sioux-taal. Daarover schreef hij:

“Een grote moeilijkheid is het aanleren van hun taal. Ze hebben enkele keelgeluiden, die een vreemdeling alleen met de grootste inspanning kan uitspreken. Ze hebben de gewoonte om woorden en zinnen te verkorten, voornaamwoorden en voorzetsels met andere woorden samen te smelten, waardoor deze voor het gehoor een geheel ander karakter krijgen. De Sioux hebben maar twee tijdvormen, de toekomende en tegenwoordige tijd. Wil men een andere tijd uitdrukken, dan moet men dit door de samenhang van de gehele zin doen uitkomen. Juist dit is wat de taal zo lastig maakt”.

In het missie-artikel kon je enige voorbeelden lezen. “Heilig (‘waken’) is voor hen alles wat zij niet kennen of niet begrijpen. God is de ‘grote heilige’. Een geweer is een ‘heilig ijzer’. Een paard is een ‘heilige hond’. Een geneesheer noemen ze de ‘heilige man’.

Ondanks de moeilijkheid om de taal te leren was de missionaris wel enthousiast over de onderlinge communicatie. “De taal der Sioux is, wanneer die zuiver gesproken wordt, welluidend en krachtig in de mond”. In sommig opzicht was de taal overbodig, vond hij. “Eigenlijk hebben onze indianen niet eens een taal nodig. Met hun handen weten ze alles duidelijk uit te drukken. Het is interessant een gesprek te kunnen horen (of beter: te zien), vooral wanneer de oude stamhoofden met tong en handen bezig zijn”.

De pater had moeite met de namen van de indianen. Die vond hij bizar. In plaats van Piet of Jan, afgeleid van katholieke heiligen als Petrus en Johannes, gingen ze door het leven als ‘Lange meloen’, ‘Rode haas’, ‘Vliegende havik’, ‘Waanzinnige donder’ of ‘Narrenkop’. Andere namen waren voor hem zo ‘onfatsoenlijk’ dat hij ze in zijn artikel niet wenste te noemen.

Op naar het bekeringsresultaat

De schrijver van het artikel was natuurlijk naar het Sioux-gebied gereisd om resultaten te boeken. Hij bevestigde nog eens: “Het voornaamste arbeidsveld voor het bekeringswerk zijn de huizen. Daar moet de missionaris de Sioux gaan opzoeken. Soms vindt men geen geschikt aanknopingspunt voor een gesprek over godsdienstzaken. Maar dan tonen de indianen zich zelf behulpzaam. Is de steen eenmaal aan het rollen, dan gaat de rest van zelf”.

En als er één schaap over de dam was, volgden er meer – ook in de Amerikaanse missie. “Zijn de Sioux eenmaal christen dan stellen ze alles in het werk om ook vrienden en bloedverwanten tot het christelijk geloof over te halen”.