In de loop van de negentiende eeuw trokken steeds meer missionarissen naar alle continenten van de aarde. Het voor de gezondheid zo gevaarlijke binnenland van Afrika, met onbekende en dodelijke ziektes, was pas laat aan de beurt.

De congregatie van de Witte Paters, in 1868 gesticht door Charles Lavigerie (1825-1892), vestigde zich onder meer in Victoria Nyanza (in het huidige Oeganda). Een niet met name genoemde pater deed in juli 1894 verslag van zijn activiteiten. Zijn schrijfsel werd afgedrukt in de Annalen der Afrikaansche Missiën, het maandblad van de Witte Paters.

Villamaria

De missionaris was werkzaam in het missiedorp Villamaria bij Masaka, ten westen van het Victoriameer. Het dorp bevond zich op een hoogte, omringd door heuvels die met andere dorpen bezet waren. Aan de voet stroomde een heldere beek.

“Voor onze aankomst heette deze heuvel Loebale, de naam van een heidense afgod. Maar onze christenen kennen onze missie nu onder geen andere naam dan die van Villamaria”. Officieel was het dorp vernoemd naar de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Dat zal wel te ingewikkeld geweest zijn voor de ‘inlanders’.

Een katholiek symbool, 23 meter hoog op de heuvel

De paters, nauw verbonden met de koloniale grootmachten die Afrika waren binnengevallen, hadden blijkbaar zoveel in de melk te brokkelen dat ze de plaatsnamen naar hun hand konden zetten. Missionarissen beschikten meestal over moderne wapens, geneesmiddelen, technische kennis, geld en wat al niet meer. Als je je bekeerde kwam je in de westerse invloedssfeer – met alle voordelen van dien.

In het verslag werd op geen enkele manier melding gemaakt van de aardse zaken, die ongetwijfeld hun invloed hadden doen gelden. Het accent werd erop gelegd hoe gelukkig de bekeerlingen waren. Zo hadden zij zich onder meer geweldig ingespannen om een zwaar houten kruis, 23 meter hoog, als een symbool van het katholieke geloof op de top van de heuvel te plaatsen. “De dag van de planting was een ware feestdag. De nieuwe bekeerden hadden de eer verzocht en verkregen, om alleen het kruis te mogen planten zonder dat een enkele doopsleerling er aan helpen mocht.

Meer dan duizend gedoopten waren daar, allen hadden stokken en bomen met gaffelvormige uiteinden. Een eerste maal werd het kruis overeind gezet, doch het viel weer met een groot geraas neer, gelukkig zonder een ongeluk te veroorzaken. Een tweede keer slaagden onze christenen beter, en na veel moeite stond het kruis eindelijk overeind en werd het door de menigte toegejuicht. De geestdrift en de vreugde waren ten top gestegen”.

De leider van de bekeerlingen gaf aan waarom zijn mensen bereid waren zich in te spannen. De pater verwoordde het: “Kinderen, wij moeten vandaag voor Onze Lieve Heer werken. Jezus Christus is voor ons op het kruis gestorven. Laten wij Hem, in de plaats van Zijn bloed, ons zweet geven”.

Het leven van een Witte Pater in Oeganda

Zelf voelden de paters zich arm. “In 1892 hadden wij ternauwernood kleren. Onze Heer was even arm als wij: geen tabernakel, geen kandelaars, een enkel altaarlaken. Verscheidene malen waren wij van de H. Mis beroofd, nu eens door gebrek aan hosties, dan weer door gebrek aan wijn.

Voor de zegen met het Allerheiligst Sacrament hadden wij noch koorkap, noch remonstrans. Voor wierook gebruikten wij hars van de terpetijnboom, en voor wierooksvat een ijzeren doos, die wij gevonden hadden. De hut, die voor kerk dient, is nog wel armoedig, maar het kan er mee door.

Onze gezondheidstoestand is vrij goed. Grotendeels is dit toe te schrijven aan het gematigd klimaat. Wat ons vooral afmat, is het werk, want wij moesten met tienmaal zoveel missionarissen zijn”.

Gelukkig hadden ze over het Afrikaanse eten niet te klagen. “Bananen maken de hoofdschotel uit. Soms brengen een stuk wildbraad of de vissen uit het meer een beetje verandering in het menu”.

Studeren om gedoopt te kunnen worden

Voor de inboorlingen was het niet eenvoudig lid te worden van de katholieke gemeenschap. Niet alleen in Oeganda, maar ook elders in de wereld waren missionarissen bang om te snel over te gaan tot het doopsel. De bekering was vaak een vorm van opportunisme. In ruil voor allerlei voordeeltjes ging een ‘heiden’ over tot het ware geloof.

De gedoopte kon nog wel eens spijt krijgen van zijn beslissing. Dan ‘verzaakte’ hij zijn geloof en waren alle investeringen van de paters voor niets geweest. De godsdienstige overtuigingen, beseften ze, moesten diep ingeprent worden alvorens men ertoe overging het gewijde water over het hoofd van de bekeerling te sprenkelen.

In Villamaria pakten de missionarissen het stevig aan. Gedoopt worden was het summum, de beloning van een lang proces. Dat werd duidelijk in het verslag uit 1894. “Ten eerste moet men zich drie jaar lang hebben laten onderrichten”. Dat was niet voldoende. “Men moet al de vragen van de catechismus volledig beantwoorden”. Het halen van dit examen was niet genoeg voor de volgende stap. “Men moet bovendien door zijn kerkelijk hoofd voorgedragen worden”.

Na drie jaar studie van de catechismus en een positieve voordracht kwam de nog niet erkende bekeerling terecht in de ‘catechismus van de morgen’, een vervolgopleiding van drie maanden. “Na verloop van drie maanden ondergaat de kandidaat weer een examen over de uitleg van de catechismus. Zijn antwoorden beslissen over zijn toelating tot het avond-catechumenaat, dat evenals het eerste, minstens drie maanden duurt”.

Na tenminste drie jaar en zes maanden studeren werd het pas goed spannend. “Tenslotte wordt de kandidaat tot het doopsel toegelaten als hij na een derde examen dit waardig wordt geoordeeld”.

Examen-zenuwen

Het was een zenuwachtige toestand, lezen we in het tijdschrift van de Witte Paters. “Het is onmogelijk de opgewondenheid te beschrijven die bij deze examens heerst. De kandidaten worden tien voor tien opgeroepen. Binnen gekomen knielen zij neer en zenden zij, niet zo zacht dat men hen niet verstaat, een smeekgebed op tot de H. Maagd. In de vervoering van hun gebed doen zij dan aan Maria beloften, die wel eens wat vermetel zijn.

Als de ondervragingen afgelopen zijn, ziet men de treffendste tonelen. Zij, die in hun antwoorden niet voldaan hebben, schreien hete tranen en omvatten onze knieën in de hoop ons medelijden op te wekken.

De een zegt: ‘Ontferm u over mij, ik besterf het’.

Een ander: ‘Geef mij een maand werk en honderd stokslagen maar stel mijn doopsel niet uit’.

Wederom een ander: ‘De duivel is in mijn hart en gij hebt geen medelijden met mij!’

Op de vooravond van een examen was ik zeer laat alleen op mijn kamer bezig met schrijven. Twee catechumenen, die hun examen moesten afleggen, kwamen tegen mijn rieten muur zitten en ik hoorde het volgende gesprek:

‘Wel, kameraad, slaapt gij al?’

‘Ik, slapen! Hoe zou ik kunnen slapen!’

‘In hoeveel nachten hebt gij al niet geslapen?’

‘In drie’.

‘Ik doe al vier nachten geen oog toe, zo bang ben ik. Ik heb aan de H. Maagd beloofd acht dagen te vasten, als ik er door kom’.

‘Ik zal dan ook acht dagen vasten’”, tekende de missionaris op uit de mond van iemand die maar al te graag gedoopt wilde worden.

Vreugde

Heel wat kandidaten slaagden voor het derde en laatste doop-examen. “Zij, wier antwoorden voldoende zijn, worden als ’t ware gek van vreugde. Mannen en vrouwen, jongen en ouden, snellen naar buiten en met de handen klappende, en hard schreeuwende lopen zij ver de vlakte in. Vervolgens komen zij bij hun vrienden terug, die hen omhelzen en gelukwensen met woorden als deze: “Gij hebt het er goed afgebracht! Onze Lieve Heer heeft u geholpen. Nu zijt gij gered!’ en de gelukkige catechumeen antwoordt dan: ‘Ja, de goede God heeft mij gered!’”

Het doopsel ging nog wel eens met een klein wonder gepaard. “Bij het laatste onderzoek had pater Madou een oude vrouw ondervraagd, die onder het gewicht van haar jaren gekromd ging. De arme vrouw zette een grote mond en grote ogen op. Zij kon haast niet geloven dat zij eindelijk gedoopt zou worden.

Haar lange magere armen omhoog stekende, riep zij: ‘Ik was verouderd en ik ben weer jong geworden! Ik was arm, nu ben ik rijk. Maak plaats, vrienden, laat mij ook eens springen’. En de gelukkige oude scheen de buigzaamheid van de vijftienjarige leeftijd terug bekomen te hebben”.

Lang niet iedereen slaagde erin langs deze opgelegde weg gedoopt te worden. “Enige dagen geleden zei een arme oude man, die uitgesteld was, wenende tegen mij: ‘Vader, zie mijn wangen, hoe gerimpeld zij zijn! Zie mijn borst hoe mager zij is! Gij kunt mijn beenderen tellen. Ik zie wel, dat gij mij zonder doopsel zult laten sterven’.

Ik kon hem niet weerstaan: de grijsaard werd gedoopt. Veertien dagen daarna was hij dood”.

Niet alleen de bekeerlingen waren blij met het doopsel, ook de missionarissen zelf: “Onnodig is het er bij te voegen hoezeer wij door deze dorst naar het doopsel en deze goede gesteltenis van onze catechumenen gesticht en getroost worden. Wij achten ons daarvoor overvloedig voor onze moeite beloond”.

Te veel belangstelling voor het doopsel in Villamaria

Ondanks deze strenge selectieprocedure was de toevloed van potentiële bekeerlingen niet af te remmen. Bovendien moesten de gedoopten de kans krijgen om regelmatig te kunnen biechten. De missionarissen van Villamaria konden het werk niet aan.

“Onze bisschop [Jean-Joseph Hirth, 1854-1931] vond hier bij zijn bezoek 570 catechumenen, die tot het [derde] avondcatechumenaat toegelaten, zich tot het doopsel voorbereidden. Bovendien 1900 ingeschrevenen voor de ochtendcatechismus, die zij geregeld bijwoonden.

Monseigneur zag in dat wij mede door het biecht horen te veel werk hadden. Als het doopsel telkens aan zo’n talrijke menigte werd toegediend, zouden wij onder het werk bezwijken”.

Hirth verklaarde daarom: “Dierbare medebroeders. Gij zijt te zwaar beladen; weldra zult gij onder het zware werk bezwijken, dat de voorbereiding van zulke grote groepen met zich meebrengt en dat later nog toeneemt door het biechten van die christen geworden menigte”.

De missiebisschop kwam tot de overtuiging dat het aantal bekeringen ingedamd of op zijn minst uitgesteld moest worden.

“De hoogvereerde prelaat besloot:
1. Dat het doopsel om de zes weken aan niet meer dan honderd personen zou toegediend worden.
2. Dat het aantal inschrijvingen voor de ochtend-catechismus tot driehonderd zou beperkt worden. Van deze zouden er alle zes weken, honderd tot het avond-catechumenaat toegelaten worden.
3. Dat er op het avond-catechumenaat niet meer dan driehonderd personen zouden zijn. Om de zes weken zouden er honderd uitgezocht worden, die men zou dopen”.

Verdriet en hoop

De missionarissen moesten het slechte nieuws aan de inlanders verkopen. “Wij moesten er 1600 wegzenden. Wij konden hun slechts tot troost zeggen, dat hun namen niet vergeten waren, dat men hen allengs (honderd elke anderhalve maand) uitnodigen zou de ochtend-catechismus geregeld bij te wonen.

Monseigneur vertrok naar de hoofdstad en liet ons voor het bekend maken van deze beslissing zorgen. Toen wij dit besluit aan onze lieden mededeelden, ontstond er, zoals u wel zult begrijpen, een gejammer en geklaag, waaraan geen einde scheen te komen. Arme en dierbare catechumenen! Ons hart bloedde evenzeer als het hunne. Maar het is onmogelijk hun de wijsheid van die maatregel aan het verstand te brengen”.

De correspondent van de Annalen der Afrikaansche Missiën plaatste aan het einde van zijn verslag nog een alternatieve oplossing voor het doop-probleem: “In plaats van het aantal nieuw-bekeerden te verminderen, dat van de missionarissen te vermeerderen. Wij zijn met werk overladen, komt ons te hulp”.

Het leek zo eenvoudig – je kon bij wijze van spreken zoveel bekeringen tot stand brengen als je maar wilde. Problemen leken er niet te zijn. Welke katholieke jongeman zou zich niet geroepen voelde onderdeel van die succesformule te worden…