In de negentiende eeuw trokken missionarissen als pioniers naar verre landen met als doel het verbreiden van het ware geloof. Heidenen, wilden, inboorlingen – ze moesten bekeerd worden.

Na de Tweede Wereldoorlog waren er ook andere prioriteiten, in elk geval voor de Nederlanders. In zijn dit jaar verschenen boek Tot elk goed werk bereid. Pastorale en missionaire actie van de Abdij van Berne (1890-2000) doet Jean van Stratum onder meer verslag van de activiteiten van een aantal Norbertijnen die als missionarissen vanuit Nederland naar Brisbane in Australië trokken. De paters gingen niet naar dat land om bekeringswerk te verrichten. Ze hadden een andere inzet.

Nederlanders emigreren naar verre landen

Na de oorlog trokken, schrijft de auteur, 185.000 Nederlanders naar Canada, 45.000 naar Zuid-Afrika en ruim 155.000 naar Australië. In andere landen was het minder. De Verenigde Staten hanteerden een quotasysteem. Nieuw-Zeeland liet alleen ongehuwden toe.

Dat laatste was voor de Kerk een probleem. Een single-situatie kon gemakkelijk geloofsverlies geven, tot een verderfelijk ‘gemengd huwelijk’ leiden. De kerkelijke autoriteiten zagen liever dat de emigranten een huwelijkspartner zochten voordat ze de stap overzee waagden.

Actie was dus gewenst. “Als katholieken wilden emigreren, dan verwachtte de kerkelijke leiding dat ze in de groep van geloofsgenoten in het nieuwe vaderland zouden integreren. Daarom gingen er priesters mee op de emigrantenboten, zodat dit proces van inpassing en aanpassing soepel kon verlopen”.

Er was sprake van een serieuze aanpak. “In 1949 richtte de Kerk de Katholieke Centrale Stichting voor Emigratie op, waarbij alle facetten van de begeleiding van emigranten onder het toezicht van de bisschoppen kwam te staan. Een nationale bisschoppelijke commissaris hield zich bezig met de praktische uitvoering. Er werden onder andere speciale emigrantencursussen verzorgd”.

Australië

Australië kon heel wat Nederlandse emigranten gebruiken. Die kwamen vooral terecht in de industrie en bouwsector. Katholieken waren oververtegenwoordigd, ‘wat toe te schrijven leek aan de aantrekkingskracht van een overwegend katholiek schoolsysteem, een goede kerkelijke organisatie en een hecht verenigingsleven’.

Maar de kerkelijke autoriteiten maakten zich zorgen. “Een onderzoek uit die tijd gaf aan dat zestig procent van de ongehuwde emigranten in Perth zijn geloof verloren had”. Meer dan de helft! “Dat leidde tot een dispuut of het wel raadzaam was om naar dit land te gaan. In de jaren 1950 begonnen de Kerk en de Australische regering nauwer samen te werken”.

Er waren hulptroepen van geestelijken nodig om te voorkomen dat de zaak uit de hand liep. “De oversten van veel ordes en congregaties, vertrouwd met missiewerk, werden benaderd om medebroeders beschikbaar te stellen, die de katholieke emigranten op het vlak van de geloofsbegeleiding konden bijstaan”.

De Norbertijnen van de abdij van Berne hadden bijvoorbeeld in Noord-Amerika en India ervaring opgedaan. Abt Milo Ondersteijn (geb. 1887, Den Dungen) was bereid zich ook voor Australië in te zetten. Onder leiding van Christophorus Coenen (geb. 1915, Uden), die ervaring had opgedaan in Duitsland, zouden er in 1956 drie paters naar dat land gaan – Coenen zelf en twee juist gewijde priesters: Antonius Terhorst (geb. 1920, Ulft) en Lebuinus Tiedink (geb. 1921, Terwolde).

Nog vóór hun vertrek somde Coenen een aantal problemen op. De gemaakte afspraken vond hij te vaag en de twee paters, die met hem meegingen, te onervaren. Coenen maakte zich bovendien zorgen om zaken als de financiering en het leren van de taal. De grote vraag voor hem was of de hele abdij van Berne wel achter de uitzending naar Australië stond. Vanaf het begin was er dus wantrouwen, blijkt uit de bewaard gebleven correspondentie.

Op 18 december 1956 werden de drie pioniers uitgeluid. Bij die gelegenheid sprak Ondersteijn: “We zijn allen blij met de kleine baby. Hij ziet er fleurig uit. Hij belooft wat voor de toekomst. We stellen die in uw handen onder de bescherming van God. Moge Hij uw werk zegenen”.

Met ‘hulp van boven’ zou het wel goed komen, was blijkbaar de gedachte.

Een moeilijk begin (1957)

Meteen bij aankomst op hun standplaats, Brisbane op de oostkust van Australië, bleek dat de afspraken inderdaad niet goed gemaakt waren. In een brief aan Nederland stelde Coenen zonder al te veel omhaal: “We zijn erin gevlogen”. Niets was (goed) geregeld. De overste van het drietal missionarissen stelde in mei 1957 meteen de essentiële vraag aan de abt in Nederland: “Aan u de uiteindelijke beslissing. Zullen we weer inpakken? Of blijven?”

Aan de paters was een eigen gezamenlijk onderkomen toegezegd. Daar was op dat moment geen spake van. Tot nader order waren ze bij de broeders Maristen ondergebracht. Coenen omschreef zijn aanwezigheid als een ‘eenzame, verlaten post zonder toekomst’. Zijn positie vatte hij juni 1957 samen met de woorden “Ik ben niet erg optimistisch”.

Overleg met de kerkelijke autoriteiten in Brisbane leidde tot meer frustratie.

Een bezoek van Coenen aan Mgr. James Duhig (geb. 1873), de zeer bejaarde aartsbisschop van Brisbane, werd door laatstgenoemde al na een paar minuten afgekapt. “Hij reikte me de hand om zijn ring te kussen”. De Norbertijn kon weer vertrekken. Zo’n behandeling had hij tijdens zijn eerdere activiteiten, in Duitsland, nooit meegemaakt. Hij vroeg zich dan ook af waarom hij en zijn twee collega’s naar het verre continent uitgezonden waren. In 1957 waren ze alleen ingezet om wat te helpen en dat terwijl ze zouden optreden als priesters voor de immigranten. Er moesten nu echt ‘spijkers met koppen geslagen’ worden, liet Coenen aan Ondersteijn weten. Anders wilde hij terug naar Duitsland.

De Nederlandse abt reageerde laconiek. Hij begreep dat zijn afgezant in Brisbane niet hartelijk ontvangen was. Daar moest hij zich echter niet door laten ontmoedigen. “De bisschop is een oude man”.

Bij een bevriende medebroeder uitte Coenen zijn gevoelens. “Men voelt dat men niet welkom is”. Bovendien bleek dat de Norbertijnen niet de enige religieuzen in Brisbane waren. Er waren maar liefst zeventien ordes en congregaties in die stad vertegenwoordigd.

In 1958 passeerde de Nederlandse missionaris in zijn correspondentie de abt van Berne. Kopieën van een rechtstreekse, pittige brief aan de aartsbisschop stuurde hij niet alleen aan Ondersteijn maar tevens aan de Norbertijnse abt-generaal Noots, die zich in de VS bevond. Met dat schrijven gooide Coenen in zekere zin de knuppel in het hoenderhok.

Vorderingen

Coenen was niet de enige die zich afvroeg waar hij in terecht gekomen was. Pater Tiedink uitte zich meer dan expliciet. “Liever honderd maal in Holland de beroerdste parochie dan hier”. Dat gold bovendien voor de immigranten, die in Nederland een veel te mooie worst voor de neus gehouden was. “In sommige gevallen is de voorlichting in Holland oplichting!”

Ook over zijn superior liet Tiedink zich kritisch uit. Hij was nogal ‘onstuimig’. Na enige tijd klaagde de pater in de correspondentie dat Coenen ‘nooit een overste voor ons is geweest’. Van harmonieuze samenwerking was blijkbaar weinig sprake.

Deze keer reageerde Mgr. Duhig, inmiddels 85 jaar. Van Stratum: “Er leek een aanbod voor een parochie te komen. De betreffende post werd nog bezet door een aan de drank geraakte geestelijke, maar bood naast parochiële zielzorg tevens werk in een ziekenhuis en een universitaire kliniek. De pastorie en de bijbehorende kerk waren wel verwaarloosd”.

Op 10 augustus 1958 kon de overste melden dat Terhorst de officiële aalmoezenier van de Nederlandse immigranten was geworden en Tiedink een job in het opvangkamp aangevangen had. Hij had zich inmiddels gevestigd in de toegewezen pastorie.

Coenen keek nu vooruit. Met deze taken was er versterking uit Nederland nodig. Het was gewenst drie nieuwe mensen te sturen. “Een van hen moest met spoed komen vanwege het ziekenhuis. Bij voorkeur moest deze Engels kennen en liefst wat jonger zijn”.

Veranderingen

Even zag het er goed uit voor de Nederlandse missie-activiteiten in Brisbane. Lang duurde dat echter niet. Er was wel een potentiële kandidaat maar die was op korte termijn niet beschikbaar, kreeg Coenen te lezen. Er waren tevens onduidelijkheden betreffende de financiering van de reis en de huisvesting in Australië.

Bovendien hadden zich, zonder dat de overste er van op de hoogte gebracht was, Norbertijnen elders in Australië gevestigd. Coenen: “Het bewijst dat onze orde als los zand aan elkaar hangt”.

Albertus Haselager (geb. 1902, Kortenhoef), die de in mei 1959 overleden Ondersteijn als abt opvolgde, bleek minder enthousiast te zijn dan zijn voorganger over het opzetten van een Nederlandse missie in Australië. Kort na zijn aantreden liet hij weten de hele zaak in Australië nog eens ernstig te willen overdenken.

Ondanks de komst van een nieuwe missionaris, Gereon Wijnhoven (geb. 1926, Den Bosch), was er opnieuw sprake van een neerwaartse spiraal. Tiedink maakte duidelijk dat hij na zijn verlof in Nederland, gepland in 1961, liever niet zou terugkeren. En ook op Terhorst, in 1962 met verlof, leek Coenen niet te kunnen rekenen. Er was dus versterking uit de abdij van Berne nodig.

Die kwam er niet. Van Stratum schrijft er niet over, maar waarschijnlijk zal de voortschrijdende secularistatie eveneens een rol gespeeld hebben. Wel is in het boek te lezen: “Ondanks het vele werk dat de confraters in Australië verrichtten was er kennelijk maar weinig waardering voor hun inzet”. Of om het in de woorden van Coenen in januari 1960 te zeggen: “We hebben zelden een meer ondankbaar publiek meegemaakt dan de immigranten uit Holland!”

De optelsom van die secularisatie, het gebrek aan overeenstemming en een (aarts)bisschop van 87 jaar zal het optreden van de missionarissen van Berne extra bemoeilijkt hebben. Wegens het teruglopen van het aantal immigranten was de aanwezigheid van katholieke geestelijken als helpers ook minder noodzakelijk. Liep bovendien het aantal roepingen in Nederland niet terug?

Op naar het einde van de Norbertijnse missie in Brisbane

In november 1960 was de kogel door de kerk. Abt Haselager liet weten dat de abdijraad geen stichting in Australië meer wilde. Er was onvoldoende mankracht beschikbaar en de onderlinge verstandhouding was niet goed. Gaandeweg moesten de vier Norbertijnen naar de abdij in Berne terugkeren. Het was een kwestie van afbouwen.

Nu het eenmaal zover was kwam er verzet. Mgr. Duhig stuurde zelfs een noodkreet naar de abdij in Noord-Brabant. “Wij bidden vurig dat de paters niet worden teruggeroepen”. Ook Mgr. Crennan in Sydney uitte namens de Federal Catholic Immigration Committee zijn teleurstelling.

Zonder een mooie toekomst ontstond er in Nederland bovendien onenigheid over de kosten van de terugkeer. Pas in 1962 werd er een akkoord bereikt. Eerder al waren Wijnhoven en Tiedink uit Brisbane vertrokken. Terhorst en Coenen volgden in 1962.

Christophorus Coenen keerde terug bij de Duitse Oostpriesterhulp. In de periode 1965-1969 was hij namens die organisatie opnieuw actief in Australië.

Van Stratum: “Tot het einde van zijn lange leven bleef hij een joviale spirituele man, die op zondagmorgen na de hoogmis in de recratie zichtbaar kon genieten van zijn glas whisky en bijbehorend sigaartje”. In 1991 maakte Coenen een vakantietocht naar Australië en constateerde dat het geloof en kerkelijk leven van de vroegere Nederlanders er nog op ‘redelijk peil’ gebleven was. In 2005 overleed hij op 90-jarige leeftijd.