In de zestiende eeuw trokken de Portugezen naar Azië. Vasco da Gama ging al in 1497 voorop. In 1510 werd Goa op de westkust van India het internationale hoofdkwartier van het Aziatische, Portugese rijk. Vanuit die stad rukten de katholieke Europeanen verder oostwaarts op, naar onder meer Ceylon, Maleisië, Indonesië en Japan. Bij hun tochten waren steeds missionarissen paraat om een helpende hand toe te steken en het ware geloof te verbreiden onder de heidenen.

Op de oostkust van India vonden ze naar eigen zeggen het graf van de apostel Thomas, die niet zo maar alles geloofde. Bij dat graf zouden wonderen hebben plaats gevonden. Zieke mensen bijvoorbeeld genazen ter plekke. Een op die plaats gebouwde kerk zorgde volgens katholieke berichten bovendien als redding toen de regio op 26 december 2004 door een tsunami overspoeld werd. De hoge vloedgolf bereikte de basiliek van de heilige Thomas niet. Een paar duizend mensen hadden er bescherming gezocht. Ze bleven in leven. In brief uit de missie nummer 18 heb ik er over geschreven.

Vailankanni

Een stuk zuidelijker op die oostkust belandden de Portugezen in Vailankanni. Het in Rome uitgegeven tijdschrift L’Illustrazione Vaticana deed in februari 1933 verslag onder de titel ‘Vailankanni, het Lourdes van Britsch-Indië’. Maria, de Heilige Maagd, zou hier op drie verschillende tijdstippen verschenen zijn, al werd dat door het Vaticaan (nog) niet formeel erkend.

Arthur Quintavalle, auteur van het artikel: “Vailankanni is een dorp in het district Tanjore, op zes mijl afstand van Negapatam gelegen, en behoort tot het bestuursdistrict Madras [nu Chennai]. Het wordt aan drie kanten door water omgeven, in het westen door het Vedarmani-kanaal, in het zuiden door de Vellayar-rivier, die zich verder westelijk met het genoemde kanaal verenigt en in het oosten wordt het dorp bespoeld door de Golf van Bengalen”.

Eerste verschijningen

“Op een warme zomerdag in het begin van de zeventiende eeuw, zo verhaalde de legende, droeg een herdersknaap een kruik vol melk naar zijn patroon in Negapatam. Moe en bezweet, rustte de jongen niet ver van Vailankanni uit bij een eeuwenoude put, die thans nog bestaat.

Hij was op het punt in de koele schaduw van de boom in te dutten, toen hij vlak bij zich een zoete stem vernam. Hij schrok en was verbaasd voor zich een vrouw te ontwaren, die een kind op haar armen droeg, dat goedheid en bevalligheid ademde en omgeven was door een stralenkrans van hemels licht. De vrouw vroeg de verbaasde herdersknaap om een weinig melk.

Ofschoon deze de verwijten duchtte, die zijn patroon hem zeker niet besparen zou, bood hij de vrouw toch al de melk aan, die in de kruik was.

Toen zij gedronken had, vervolgde hij zijn weg en bij zijn patroon aangekomen en nog bezorgd welke verklaring hij zou geven voor het verdwijnen van de melk, nam hij het deksel van de kruik en zag tot zijn onuitsprekende verbazing dat deze nog geheel vol was, alsof er niets van gedronken was.

Zo sterk was zijn verwondering dat zij de patroon niet ontging en hij vertelde deze dan ook wat hem onderweg overkomen was.

De patroon begaf zich met de jongen naar de bron en de legende zegt dat, toen zij ter plaatse gekomen waren, de vrouw weer verscheen.

Overtuigd met iets bovennatuurlijks te doen te hebben, vereerden zij de verschijning op hun manier. Maar zodra het nieuws in de omstreken bekend werd begrepen de christenen dat de vrouw met het kind niemand anders geweest kon zijn dan de Heilige Maagd met haar goddelijk kindje Jezus. Sedert die tijd heet de bron, tot op de huidige dag, de ‘bron van Onze Lieve Vrouwe’”.

Nieuwe verschijningen

Bij die eerste verschijningen zou het niet gebleven zijn. “Enige jaren later zou zich een ander wonderbaar feit hebben voorgedaan. Nabij Vailankanni is een terreinverheffing. Op dit overigens naakte terrein groeiden slechts enkele bomen. Onder een van deze, een vijgenboom, placht een arme kreupele zoon van een weduwe te zitten, die de vermoeide reizigers melk te koop aanbood.

Daar hij zonder hulp niet kon gaan, bracht zijn moeder hem elke morgen naar die plek en voorzag hem van de nodige melk om hem ’s avonds weer te komen halen.

Eenmaal nu verscheen ook aan deze knaap een vrouw met een kind op den arm en vroeg hem om wat melk, die hij zonder aarzelen aanbood. Toen verzocht de vrouw hem, zich naar een zeker katholiek man in Negapatam te begeven, om hem op de hoogte te stellen van hun aanwezigheid.

De jongen zei haar, dat hij tot zijn spijt niet aan dit verzoek kon voldoen, daar hij niet alleen kon gaan.

Maar de vrouw antwoordde slechts: ‘Mijn jongen, je bent niet meer gebrekkig. De Zoon van God heeft je de kracht gegeven om te lopen’.

De kleine melkverkooper bemerkte toen tot zijn onuitsprekelijke vreugde, dat hij waarlijk genezen was en fluks liep hij naar Negapatam, om de boodschap van de vrouw over te brengen.

De voorname katholiek, aan wie hij deze boodschap bracht, had de nacht tevoren de H. Maagd met het goddelijk kind op haar arm in een droom gezien. Hij begaf zich naar Vailankanni en vernam dat niemand iets van deze laatste verschijning wist, maar wel was het algemeen bekend dat jaren geleden een vrouw met een kind op de armen bij de put verschenen was en dat zij thans op Indische wijze door de hindoes als een godin werd vereerd.

Daarop ging hij aanstonds naar het gebenedijde oord, om er te bidden, en zag opnieuw de verschijning van zijn droomvisioen. Toen begreep hij dat inderdaad de Heilige Maagd met het goddelijk kind hem verschenen was. De Heilige Maagd gaf haar verlangen te kennen dat op die plek een kapel zou worden gebouwd”.

Een Maria-kapel in Vailankanni

Die kapel kwam er. “Terstond gaf de katholiek, voorzover zijn middelen hem dit veroorloofden, aan dit verlangen gevolg, bouwde een nood-kapel en plaatste op het altaar een beeld van de Heilige Maagd met kind.

Toen dit in de omgeving bekend werd kwamen spoedig katholieken en niet-katholieken derwaarts en binnen korte tijd was de kapel beroemd om de gunsten en genaden, die de pelgrims hier verkregen. Ter herinnering aan de genezing van de kreupele jongen, werd de Heilige Maagd van Vailankanni aangeroepen als O.L. Vrouw der Genezing”.

Hulp van Maria

De Heilige Maagd verrichtte niet alleen wonderen, bracht niet alleen genezing, maar zorgde bovendien voor redding aan wanhopige zeelieden die Haar in nood aanriepen.

“Tegen het eind van het jaar 1600 werd een Portugees schip in de Golf van Bengalen door een zo hevige storm overvallen dat de bemanning zich verloren waande. In dit hachelijke uur riepen kapitein en zeelieden de hulp des hemels en de voorspraak van de Heilige Maagd in en deden de plechtige gelofte, Haar ter ere een kapel te zullen bouwen op de plaats, waar zij heelhuids zouden landen.

Na een lange en uitputtende strijd met de elementen werd hun schip eindelijk nabij het dorp Vailankanni op de Indische kust geworpen. Niet zodra hadden de schipbreukelingen het schip verlaten of, neergeknield op het strand dankten zij bewogen de Hemel voor hun redding.

Men verhaalt dan, dat op dat ogenblik de Heilige Maagd Maria aan hen verscheen en hen beduidde, zich naar een nabije nood-kapel te begeven. Hoe het ook zij, op een of andere wijze kwamen zij te weten, dat er in die streek een kapel moest staan en zij begaven zich derwaarts.

Zij smaakten de voldoening een christen-kerkje te vinden, dat ondanks zijn nederigheid als een brandende fakkel was op dat eenzame strand. Daarbinnen vonden zij een beeld van Onze Lieve Vrouw met haar goddelijk kind en tezamen dankten zij hun redster voor de verhoring van hun gebed.

Terwijl zij aanstalten maakten om hun geloften na te komen, zou de Heilige Maagd zelf de plek hebben aangewezen, waar de kapel verrijzen moest. En zo bouwden zij met eigen handen een sierlijk kerkje van acht meter lang en vier meter breed.

Toen zij met het werk gereed gekomen waren, weifelden zij, of zij in hun kerkje het beeld zouden plaatsen, dat zij in de noodkapel gevonden hadden, ofwel dat zij bij een volgende reis een nieuw beeld uit het vaderland zouden medebrengen.

Op een morgen vonden zij echter tot hun diepe verwondering het beeld van de nood-kapel reeds op het altaar, zonder dat iemand, naar zij konden vaststellen, het daarheen had gebracht. De zeelieden maakten hieruit op, dat de Heilige Maagd zelf verlangde in dat oude beeld van de oorspronkelijke kapel vereerd te worden en zij dachten er niet meer aan een nieuw beeld te verschaffen”.

Een kerk in Vailankanni

De geredde schipbreukelingen wilden meer. Een kapel was niet genoeg. “Zij vervingen de nood-kapel door een groter en waardiger kerkje. Niet tevreden met dit geschenk, wilden zij het altaar, waarop het beeld van de H. Maagd op zo wonderbare wijze was overgebracht, zo mooi mogelijk maken en brachten daarom bij een volgende reis uit Ceylon tegels van Chinees porselein mee, waarop verschillende taferelen uit het Oude Testament en het leven van de Zaligmaker waren afgebeeld. Met deze tegels werd het altaar versierd als met een mozaiek.

Die versiering heeft het altaar tot deze dag behouden, zodat het niet alleen een voorwerp van godsvrucht, maar ook een kunstmonument van een originele soort is.

Sedert dien is de toevloed van pelgrims echter zo groot geworden dat het kerkje der Portugese zeelieden te klein werd en een groter gebouw nodig bleek. Het kerkje bleef echter een heiligdom vormen binnen de kerk.

Deze is zeer ruim, maar nog niet ruim genoeg om het aantal pelgrims te bevatten, dat telken jare op het feest van 8 september toestroomt. Dit aantal bereikt gedurende de feestdag en de voorafgaande noveen de 60.000; een gelijk aantal bezoekt de kerk in de loop van het jaar.

Niet alle pelgrims zijn katholiek en uit de omstreken afkomstig; er komen ook niet-katholieken, mohammedanen en hindoes van elke stand en van iedere kaste en zij komen uit alle delen van Brits-Indië, Birma, Ceylon, Straits Settlements, Saigon, Fiji en Natal”.

Financiële hulp voor de kerk in Vailankanni

Niet iedereen was in de gelegenheid om de verre reis naar Vailankanni, in de huidige Indiase deelstaat Tamil Nadu, te maken, rapporteerde L’Illustrazione Vaticana in 1933. “Velen, die zelf de reis niet ondernemen kunnen, zenden door middel van kennissen of per post hun aalmoes aan de vicaris. Anderen nemen hun toevlucht tot een ingenieus middel: zij verbergen hun aalmoes in de holte van een bamboestok, die zij aan beide zijden dicht maken en waarop zij het adres van het heiligdom schrijven. Deze stokken werpen zij in zee, en een verrassend groot aantal bereikt inderdaad zijn bestemming. Een verzameling ervan wordt bewaard in het priesterhuis”.

De auteur van het artikel over het Lourdes in India, Arthur Quintavalle, wilde geen fouten maken. Daarom plaatste hij onderaan een voorbehoud. “Over het miraculeuze karakter van de verschillende feiten heeft de Kerk zich nog niet uitgesproken. De bovennatuurlijke feiten zijn niet door de Heilige Stoel onderzocht. Ze bezitten alleen het gezag van traditie en legende”.

Intussen is de kerk gaandeweg steeds verder uitgebreid en heeft de status van basiliek gekregen. Een laatste grote toevoeging, ruim veertig jaar geleden, zorgde ervoor dat de Maria-basiliek een grote gelijkenis heeft gekregen met die in het Franse Lourdes en dat het stadje daarom aangeduid wordt als het ‘Lourdes van het oosten’.

Minder gelukkig was Vailankanni bij de tsunami van 2004. Omdat de basiliek van Maria, evenals die van de heilige Thomas, op een heuvel gebouwd was, bereikte de vloedgolf niet de kerk, waarin op dat moment de mis opgedragen werd. Maar honderden ‘pelgrims’ en omwonenden, dicht bij de basiliek, werden in zee gespoeld. Er waren zeshonderd slachtoffers. Van velen van hen zijn de stoffelijke overschotten niet meer teruggevonden.