Brief uit de missie 108: Martelaren op zee (15 juli 1570)

In de loop van de zestiende eeuw, het tijdperk van de Reformatie, braken er in Europa conflicten uit tussen protestanten (aanhangers van Luther en Calvijn) en katholieken. Omdat religie en politieke macht hand in hand gingen, was de strijd om het ware christelijke geloof er tevens een van wie het voor het zeggen had.

Op het Iberisch schiereiland, Spanje en Portugal, waar de laatste moslims in 1492 door de ‘katholieke koningen’ het land uitgezet waren, hadden de katholieken het voor het zeggen. De Portugezen exporteerden hun macht en geloof via de missie naar het Verre Oosten en Brazilië op het westelijk halfrond. Met name de Jezuïeten, de ‘sociëteit van Jezus’, in 1539 gesticht door de Spanjaard Ignatius van Loyola, zetten zich overal in om een katholieke wereldbevolking tot stand te brengen. Geweld werd niet altijd uit de weg gegaan. Dat maakte deze (en andere) geestelijken niet populair bij de protestanten.

Regelmatig kwam het tot botsingen – met soms veel slachtoffers. 1572 was niet alleen het jaar van de martelaren van Gorcum maar ook van de Bartolomeusnacht. Twee jaar eerder, op 15 juli 1570, werd een groep van tientallen katholieke missionarissen, op weg naar Brazilië, overvallen door kapers, afkomstig uit het protestantse Navarra, een kleine staat in de Pyreneeën. Daarbij kwamen veertig vooral jonge Jezuieten om het leven.

De slachtoffers werden als martelaren vereerd. Het duurde echter nog tot 8 april 1854 voor ze door paus Pius IX formeel zalig verklaard werden.

Verslag uit Rome in de Godsdienstvriend

In 1855 deed het katholieke tijdschrift Godsdienstvriend uitgebreid verslag, zowel van de gebeurtenissen in de zestiende eeuw als van de officiële gang van zaken in Rome, die anno 1854 geresulteerd had in een ‘decreet tot herstel der verering van de eerbiedwaardige dienaren Gods Ignatius d’Azévedo en zijn negen en dertig lijdensgenoten, martelaren der Sociëteit van Jesus’ – de zaligverklaring dus.

Het decreet sprak duidelijke taal: “God, die aan Zijn heiligen gedurende hun sterflijk leven een harde strijd bereidt, belooft ook aan hen, die tot aan de dood onwankelbaar in de belijdenis van het ware geloof volharden, een schitterende en overvloedige beloning in de hemel, waar Hij hen met glorie en eer zal kronen in alle eeuwigheid”.

Ignatius d’Azévedo (1527-1570), leider van de groep missionarissen die uit Lissabon vertrokken was, zou gewaarschuwd zijn. “In een hemels visioen werd hem aangekondigd dat hij weldra met 39 anderen de palm van het martelaarschap zou verwerven”.

Azévedo stelde de jonge paters daarom voor de keus. Als zij het gevaar niet wilden trotseren mochten ze achterblijven totdat zich een betere gelegenheid zou voordoen. Slechts vier van hen deden dat. Onderweg, tijdens een stop op de Canarische Eilanden, ontving Azévedo ‘een tweede aankondiging van het nabijzijnd martelaarschap’.

De reactie van de missionarissen, op weg naar Brazilië, was positief: “Allen tesamen onderhielden zij elkander over het geluk en de glorie der martelaren”.

De komst van de kapers (‘ketters’ genoemd) was dan ook geen afschrikking meer. “Ignatius maande zijn metgezellen aan om hun ijver in het gebed te verdubbelen, hun blikken naar de hemel te wenden en zich moedig aan de dood over te geven”, aldus het verslag dat in 1854 te Rome door kardinaal Gigli gepubliceerd werd.

Azévedo was zelf het eerste slachtoffer. “Een soldaat bracht hem een sabelhouw toe, die hem de hersenpan kloofde. Vier andere vijanden kwamen toesnellen en doorboorden hem de borst met ontelbare lanssteken”.

De moord op hun leider deed ‘een nieuwe geestdrift ontvlammen om de martelaarspalm te verwerven’. Daar hoefden de paters weinig initiatieven voor te nemen. “Zij werden door de krijgslieden met speer en degen wreedaardig omgebracht en, na allerlei folteringen te hebben doorstaan, in zee geworpen”.

Bewondering

De houding van de Jezuïeten werd gadegeslagen door ‘een menigte ketters en katholieken die de zeeschuimers op hun galeien gevangen hielden. Allen bewonderden de moed van de martelaren’.

In de Spaanse stad Avila kon zuster Theresia (1515-1582), die in 1614 heilig verklaard zou worden, waarnemen hoe de beoogde missionarissen na hun dood eeuwig beloond werden. “In geestvervoering kon zij de zegevierende tocht van deze heldenschaar in de hemel duidelijk zien”.

Ook zonder een officiële zaligverklaring werden de slachtoffers al bewonderd. “In de kerken van Portugal, Brazilië, Spanje en zelfs Rome ontvingen ze hulde. Hun kleren werden als relikwieën uitgedeeld. Hun beelden werden in kerken en kapellen voor de gelovigen ter verering uitgestald. Het jaargetij van hun marteldood werd plegtig gevierd met een mis ter ere van de martelaren in het algemeen”.

Na 284 jaar, in 1854, volgde dan eindelijk de officiële erkenning.

Eigen verslag in de Godsdienstvriend

Het relaas uit Rome was het slotstuk van een eigen artikel in de Godsdienstvriend. Het werd in 1855 gepubliceerd, kort na de zogenaamde aprilbeweging, waarbij de Nederlandse protestanten zich fel verzetten tegen het herstel van de katholieke hiërarchie in ons land.

Wellicht speelde dat een rol in de ‘kleurrijke’ toon van hetgeen je in het katholieke tijdschrift kon lezen. Hieronder enkele voorbeelden.

De auteur vergeleek de gebeurtenissen met de aanpak van de eerste christenen in Rome.

“De omstandigheden van dit drama zijn geheel nieuw. Niet meer in het strijdperk van een circus, waar de kampvechters des christendoms een bloeddorstig heidens publiek met hun folteringen verlustigden; maar in volle zee, op de Atlantische Oceaan, niet ver van de Canarische eilanden. Na een hardnekkige scheepsstrijd vond dit gruweltoneel plaats, waarin niet de blinde woede des heidendoms, maar de haat der ketterij zich koelde aan het bloed van vreedzame apostelen des evangelies, om hen te beletten vrede, licht en heil te brengen aan de wilden van een nieuw werelddeel [de indianen in Brazilië]”.

Jacques de Sores, leider van de Franse kapers, werd afgeschilderd als een zeeschuimer die door zijn ‘wreedheden, welke hij aan de katholieken pleegde’, vermaard geworden was. “Hij ging op een tweeledig doel. Als vrijbuiter was het hem om roof te doen en had hij het op de rijke ladingen der Portugese koopvaarders gemunt. Als dweepziek Calvinist maakte hij jacht op de missionarissen die naar Indië vertrokken”.

Azévedo had een portret van Maria uit Rome meegebracht. “Hij plaatste zich bij de grote mast en hield de beeltenis in zijn handen opgeheven. Zijn vurige toespraak deelde aan zijn broeders en het scheepsvolk de kracht mee, welke hij uit zijn geloof putte”.

Het lukte De Sores (of ‘Sourie’, zoals hij hier genoemd werd) daarom voorlopig niet om aan boord te komen van het schip. De eerste enteringen liepen op niets uit.

“Toen bespeurde Sourie de Jezuïeten op het dek. Deze prooi was voor hem duizendmaal kostbaarder dan alle schatten van Indië. Hij vreesde dat het schip (de St. Jacobus) door een wonder van dapperheid ontsnappen zou en beval aan alle vaartuigen de vijand vast te klampen.

Zijn bevel werdt gehoorzaamd, en aan het hoofd van vijftig der zijnen sprong Sourie op het Portugese schip over”.

Even later was duidelijk waar het Sourie om gegaan zou zijn. “Het gevecht werd verschrikkelijk. De kapitein van de St. Jacobus werd weldra door het staal der zeerovers geveld. Slechts een twaalftal gekwetsten bleef er over om de vlag te verdedigen. Zij legden de wapens neer en Sourie stond hun lijfsbehoud toe – want hij had het niet op de soldaten, maar op de Jezuïeten gemunt.

‘De Jezuïeten er uit!’ riept hij met donderende stem, ‘de Jezuïeten er uit! Geen kwartier voor die honden, die in Brazilië het zaad der valse leer gaan uitstrooien’”.

Marteldood van Azévedo

De missionarissen hoorden tot de zogenaamde biddende stand. Zij vochten niet mee, maar deden wel alles wat in hun vermogen lag. “Azévedo en zijn elf medebroeders op het dek toonden zich de heldenmoed van het scheepsvolk waardig. Bij ieder man, die daar viel, snelde een pater toe om hem in zijn armen te ontvangen en onder het schrootvuur de laatste zegen te geven”.

Volgens het verslag in de Godsdienstvriend begreep Azévedo dat het laatste uur voor hem en de zijnen geslagen had. Hij wist zich nog door een aantal getrouwen te omringen ‘teneinde gezamelijk de dood in te gaan’.

Een van hen ‘plaatste zich voor de musketten van de aanvallers, terwijl hij een akte van geloof uitsprak’.

Tevergeefs. “Een sabelhouw kliefde Azévedo het hoofd, waaruit het bloed op zijn lijdensgenoten neergutste”. Maar de missie-overste zou desondanks nog even stand gehouden. “‘De engelen en mensen zijn de getuigen’, riep hij, ‘dat ik sterf voor de verdediging der heilige, katholieke, apostolische en roomse kerk’.

Hij gaf de geest, terwijl hij het afbeeldsel der Heilige Maagd tegen zijn hart klemde, dat men hem niet uit de handen had kunnen rukken; het volgde hem in de golven.

De Hugenoten verscheurden zijn lijk. Daarna brachten zij de overigen met hun dolken om, of verpletterden hen met hun donderbussen”.

Nog meer martelaren

Na de gewelddadige dood van de missie-overste moesten ook de andere Jezuïeten aan boord van het schip, dat naar apostel Jacobus vernoemd was, het ontgelden.

Zo ook Benedictus de Castro. De pater had met de jeugdige Jezuïeten in het scheepsruim gebeden. Met een crucifix in de hand kwam hij naar boven. “Hij naderde de strijdenden in de hitte van het gevecht, en zei moedig, terwijl hij het verlossingsteken aan de Calvinisten voorhield: ‘Ik ben katholiek, een zoon der roomse Kerk, en wil als zodanig sterven’.

Drie geweerschoten beantwoordden zijne geloofsbelijdenis”.

Dat was niet voldoende om hem tot zwijgen te brengen. “Omdat hij met spreken voortging doorboorde men hem met degensteken en wierp hem nog levend in zee”.

Emmanuel Alvaro was eveneens moeilijk klein te krijgen volgens het kleurrijke verslag. “Hij verweet de Calvinisten verblinding en halsstarrigheid. Men verwondde hem in het aangezicht, strekte hem halfdood op het scheepsdek uit en, om zijn pijn te vergroten, verbrijzelde men zijn beenderen”.

Alvaro zou zich juist opgepept voelen. “Temidden van de gruwzame foltering richtte hij de ogen naar zijn metgezellen en zei: ‘Mijn broeders, ik bid u, heb geen medelijden met mij, maar benijd veeleer mijn geluk. Ik had mij tien jaar voorbereid om naar Brazilië te vertrekken. Door een zo gelukkig einde acht ik mijn moeite uitmuntend beloond’.

Woedend over deze taal slingerden de Calvinisten de missionaris in zee”.

Door de dood van Azévedo was Jacobus d’Andrade automatisch de nieuwe missie-overste geworden. Terwijl de gevechten plaats vonden nam hij de biecht af van zijn metgezellen. Dat viel op.

“De Calvinisten, die aan deze handeling in hem een priester herkenden, voelden hun verbittering ten top stijgen, toen hij de zijnen toeriep: ‘Bereid uw zielen voor, broeders. Want uw verlossing is nabij!’

De wreedaards stormden op hem los, doorboorden hem met dolksteken, en wierpen hem half-dood over boord”.

En zo ging het door in de Godsdienstvriend.

Herinnering aan de martelaren van Brazilië: onder water

Missionarissen, die in het kader van de verkondiging van hun geloof het leven verloren hebben, worden soms met bijzondere verhalen herdacht, waarvan de waarheid discutabel is. Waarom zouden ze door de Kerk niet gewoon zalig verklaard kunnen worden omdat ze in naam van hun geloof gevallen zijn?

Hoe dan ook, de Jezuïeten, onderweg naar Brazilië, werden in 1854 officieel zalig verklaard. Ook op een andere manier werden ze geëerd. In zee, bij het eiland La Palma, werden in 1999 op een diepte van twintig meter veertig kruisen geplaatst.Vijftien jaar later, in 2014, kwam er nog een groot kruis bij met daarop de namen van alle slachtoffers. Zo is het op het internet te lezen.

‘Las Cruces de Malpique’ is blijkbaar een populair oord voor duikers geworden.