Brief uit de missie 110: Een Belgische pater zit vast in Japan (1941-1945)

De Nederlanders hebben een zeer negatief beeld van Japanners (‘Jappen’) die blanke Europeanen in kampen opsloten tijdens de Tweede Wereldoorlog – zoals bijvoorbeeld in ‘Nederlands-Indië’. De film The Bridge on the River Kwai (1957) heeft het beeld van de wreedheid van Jappen nog eens versterkt.

Europeanen die als missionarissen in de regio actief waren ontkwamen evenmin aan het Japanse optreden. Een van hen was Jozef Spae, op 25 november 1913 geboren in Lochristi bij Gent. Spae vertrok in 1937 naar China. In 1939 ging hij naar Japan om er zeventiende-eeuwse filosofie te studeren aan de universiteit van Kyoto. Na ‘Pearl Harbour’ (8 december 1941) werd Spae geïnterneerd. Aan het einde van de oorlog kon de inmiddels 31-jarige missionaris het thuisfront voor het eerst op de hoogte brengen van zijn wederwaardigheden in Japan. Een gedeelte van zijn verslag werd in 1946 afgedrukt in het Nederlandse missieblad Annalen van Sparrendaal.

Pearl Harbour

In het begin was er voor iedereen verwarring. “We wisten niet wat er kon gebeuren. De aankondigingen over de aanval op Pearl Harbour kwamen ’s middags: de Amerikaanse vloot gezonken. Maar de gewone mensen geloofden daar niet veel van en ’s avonds was iedereen zo buiten zichzelf, dat bij het zien van het minste licht luid geschreeuw opging om de lamp uit te draaien. De mensen dachten dat de Amerikaanse vliegtuigen elk moment een aanval op de stad zouden doen. Ze wisten toen nog niet wat oorlog was.

De ene overwinning volgde op de andere. Vanaf de eerste dag werden alle Amerikaanse paters door de politie gevangen genomen en naar de centrale missiepost overgebracht. Alle scherpe voorwerpen werden hun ontnomen. Ze zouden immers zelfmoord kunnen plegen. Onze politiemensen waren buitengewoon domme mensen.

Ik zelf werd naar het politiebureau geroepen en kreeg bevel mijn huis niet meer te verlaten. Op 16 december [1941] verklaarde België de oorlog aan Japan. Om 7 uur ’s morgens kwamen vijf politie-agenten mij arresteren. Ze gaven me tijd om mijn valiesje te maken.

Dat had ik al op voorhand gedaan. Ik had het H. Sacrament in mijn huis en ze lieten me toe O.L. Heer mee te nemen naar de centrale post. Toen ik het H. Sacrament veilig in het tabernakel had gezet, werd ik bij de andere paters opgesloten.

We hadden heel wat te vertellen. De politie had het scheergerief terug gegeven: mannen, die alles zo licht opnamen, zouden nooit zelfmoord plegen. Maar toen wilden ze zich niet meer scheren.

Met onze lange baarden gaven we de indruk van vervaarlijke kerels. De politie wist niet goed wat ervan te denken. We waren tamelijk goed gelogeerd en kregen goed eten. We bleven in Kyoto tot april 1942.

Toen kregen we bevel met pak en zak klaar te staan en naar Kobe op te trekken. We mochten elk 50 boeken meenemen en kleren. Ik nam veel meer boeken mee, omdat de andere paters er niet zoveel hadden als toegestaan was”.

‘Aangenaam leven’

Spae kwam, samen met andere westerlingen, terecht in een hotel. “We mochten dikwijls gaan wandelen, en als we iets nodig hadden mochten we het onder geleide gaan kopen in de stad. Het eten was goed. We lazen mis in onze kamer. We leefden met twee of drie in een kleine kamer, juist groot genoeg om een bed te zetten, maar er was geen plaats voor stoelen of tafels”.

De missionaris werd de gelegenheid geboden om uit Japan te vertrekken. Maar hij bleef liever op zijn post. “Er kwamen andere gevangenen. Het waren meestal protestantse dominees met hun vrouwen en enige andere dames. Een van hen had een rozenkrans. Maar ze was niet katholiek en vroeg me de betekenis ervan.

Ik verklaarde haar de rozenkrans en het weesgegroet. Van die dag af kwam ze om catechismusles. Ik doopte haar op 8 september [1942]. Het was een groot feest. Zelfs de politie was tegenwoordig. Mevrouw Eite was geheel in het wit. Na de plechtigheid hadden we een klein feestje met taart en koekjes en koffie”.

De pater had sowieso niet te klagen. “We hadden een groot sportterrein en het leven was er erg aangenaam”.

Kobe bereidt zich voor op Amerikaanse aanval

Begin 1943 vertrok de laatste boot met geïnterneerden naar Engeland en Amerika. Spae ging weer niet mee. De oorlog begon het leven in Kobe steeds meer te beïnvloeden. “De schepen, die voedsel aanbrachten van vreemde landen, kwamen niet meer. We kregen alle dagen minder te eten: van januari 1943 tot mei verloor ik 30 kg in gewicht.

Het Japanse bestuur drong er op aan, dat de burgers, die niet nodig waren voor de verdediging, de stad zouden verlaten. Blijkbaar werd de toestand gevaarlijk. We maakten een grote kelder tegen luchtaanvallen en moesten oefeningen doen met brandspuiten. Het was tragisch en tegelijkertijd vermakelijk om te zien, hoe weinig verdedigingsmiddelen de Japanners hadden tegen luchtaanvallen, waarbij brandbommen natuurlijk de hoofdrol zouden spelen.

De mannen werkten allemaal in de fabrieken en de vrouwen waren belast met de ‘emmerbrigade’, zoals die genoemd werd. We zagen ze op de daken klimmen en omver tuimelen, als ze elkaar de emmers vol water overreikten. Maar toch stonden we verwonderd hoe jong en oud zijn plicht deed zonder morren, en dat in het volle bewustzijn dat het niets zou baten”.

Zwitserse hulp

De westerlingen kregen in Kobe hulp van de consul van Zwitserland, die zowaar geld gaf om op de zwarte markt eten te kopen. De gevangenen werden door zijn inzet bovendien naar een veiliger plek overgebracht. In eerste instantie hadden ze hun verblijf vlak bij grote fabrieken van Kobe Steel, waar slagschepen en aircraftcarriers gebouwd werden. Ongetwijfeld zouden die aangevallen worden.

Spae kwam terecht in een school buiten Kobe op de berg Futatabi. “De school was heel mooi gelegen. Er was een groot woud en een park in de omgeving. Maar daar mochten we natuurlijk niet in komen”.

Op de nieuwe lokatie ‘troffen we elf Capucijnen, twee Franciscanen, drie paters van St. Sulpice en een Dominicaan. Er waren een paar broeders; het religieuze element was dus goed vertegenwoordigd. Iedere dag konden we mis lezen en de politie liet ons zelfs toe een klein huisje te gebruiken als kapel’.

Bekeringen

Jozef Spae bleef actief. Op de berg was tevens een grote groep Amerikanen ondergebracht. Die waren gevangen genomen tijdens de Japanse aanval op het Amerikaanse eiland Guam.

“Alle dagen gaf ik catechismus-les aan een paar mannen. Ik schreef een catechismus voor volwassenen. Ik gaf ook les in verschillende talen. Ik publiceerde een getypt dagblad, eerst in het geheim, maar later, toen de politie het toch wist, in het openbaar. Het was een vertaling van de Japanse dagbladen, die we mochten lezen. Het nieuws was buitengewoon welkom en ik denk dat er daardoor veel ‘goodwill’ voor onze godsdienst ontstond.

De meeste Amerikanen waren niet gedoopt en zij vonden het bewonderenswaardig dat wij alles deden wat we konden om hun het leven zo aangenaam mogelijk te maken. Ik was de ‘correspondent’ en ze kwamen over alles mijn opinie vragen. Zo kon ik ook over onze godsdienst praten en ik had het geluk er drie te dopen.

Een van mijn leerlingen was Clark Eldridge, een beroemde ingenieur die hangbruggen bouwde. Hij was aangetrokken tot onze godsdienst, omdat de zekerheid van het geloof veel sterker is dan de zekerheid, die de wetenschap geeft. Als ik hem telkens de bewijsgronden van het geloof wilde uitleggen, niet alleen volgens de overlevering maar ook volgens het verstand, zeide hij: ‘Het is genoeg, dat ik weet, dat de Kerk het zo leert’.

Dat was echt geloof. Zijn bekering deed veel goed en wekte veel belangstelling. Ik studeerde samen met hem theologie en Latijn. Onze vriendschap was een grote hulp”.

Kobe wordt aangevallen

Eten werd schaars. “Men moet het zelf meegemaakt hebben om te kunnen begrijpen, welk een invloed de honger op uw geduld en temperament kan hebben. We waren zeer opgewonden en zenuwachtig en heel gemakkelijk kwam het tot onenigheid tussen de geïnterneerden. Ter afwisseling legden we ’s avonds een kaartje en we vierden alle verjaardagen van onze familieleden met een extra diner, waarvoor we maanden van tevoren iets opzij legden”.

Het duurde tot einde 1944 voor de Amerikanen zich bij Kobe aandienden. “Voortaan hadden we nog slechts zelden een regelmatige nachtrust. Het leek wel alsof alle vliegtuigen over Kobe kwamen. De eerste B-29’s kwamen altijd om 8 uur ’s avonds. Ze zweefden hoog in de lucht tussen de sterren met al hun lichtjes aan en ze zagen er zo mooi en onschuldig uit!

Wij dachten: kwamen ze maar wat lager om een touw neer te laten en ons mee te nemen.

Ofschoon ze dat nooit deden, verschafte het geronk van hun motoren ons toch veel genoegen. Later kwamen ze op klaarlichte dag. Twaalf vliegtuigen lieten zware bommen vallen op Akashi, juist buiten Kobe ten westen van de stad. Ons kamp beefde als bij een aardbeving. De politie had veel schrik en vluchtte naar de schuilplaats, terwijl wij buiten stonden te kijken’.

Feestdag van St. Patrick

Op 17 maart 1945 had met 350 B-29’s de eerste grote luchtaanval op Kobe plaats. Het was, legde Spae vast, de feestdag van St. Patrick, de patroonheilige van Ierland. “Het was om één uur ’s nachts. Alles wat Dante beschrijft in zijn ‘Inferno’, kregen we toen te zien.

Het Japanse afweergeschut deed zijn best gedurende het eerste uur, maar toen hadden ze geen munitie meer en de raid duurde tot half vier. Terwijl het van alle kanten knalde en plofte, regende het vuur uit de hemel. De bommenwerpers kwamen in groepen van twaalf laag over de stad en zaaiden dood en vernieling.

De povere Japanse jagers schoten als pijlen dwars door hun eigen spervuur heen en trachtten een B-29 te rammen. Zodra zij echter op de hoogte van de B-29’s kwamen, stortten zij neer als vuurbollen, getroffen door het kruisvuur van die reuzen van het luchtruim. Het was een groots schouwspel, dat ik nooit zal vergeten”.

Voor de Vlaamse priester ging het bijna mis. “De dood kwam mij plotseling zeer nabij. Een donker voorwerp kwam van de heuvel afrollen, tot vlak voor mijn voeten, en een ander vierkantig ding met een sterke gasoline-reuk. Nog andere donkere voorwerpen vlogen door de lucht en het regende granaatscherven.

Dan kwam er een gevaarte, zoemend, draaiend, en dwarrelend in een kolk van spuitend vuur, steeds dichter op mij af en dreigde me te verpletteren.

Werktuiglijk liet ik mij voorover vallen, hield mijn handen boven mijn hoofd en wachtte af, terwijl ik een acte van berouw bad.

De vuurgloed ging over mij heen en smakte druisend neer tegen een heuvel aan de andere kant van het kamp. Ik keek op: een Amerikaanse piloot lag daar voor me. Arme jongen! Zijn hoofd was verbrijzeld en hij zat nog vastgegespt in zijn stoel. Zijn B-29 was door een Japans vliegtuig in tweeën gehakt”.

Kobe wordt platgebrand

Voor Kobe was 6 juni 1945 een dag om nooit te vergeten. “We waren al een beetje gewoon aan vlammen en vernieling. Maar de mensen werden om zo te zeggen stapelgek, toen de raid die dag begon.

De Amerikanen hadden hun komst aangekondigd door strooibiljetten. Enkele minuten voor zeven begon de radio van het commando-vliegtuig dringende waarschuwingen uit te zenden: ‘450 B’29’s vliegen nu in formatie over Wakayama-stad. In tien minuten zal het gebeurd zijn en binnen zes minuten zijn we boven Kobe. Vandaag zullen we de stad aanvallen vanaf het oosten en van oost naar west zullen we alles plat branden. Vlucht zonder dralen!’

Men zal begrijpen, welk een indruk zulk een nieuws maakte. De mensen wisten immers dat de Amerikanen altijd hun woord hielden”.

Kerken, voor zover aanwezig, werden niet gespaard. “De eerste brandbommen troffen de pastorie van de goede pater Fage, een groot vriend van alle missionarissen en een heilig man. Hij rende naar de kerk, samen met zijn catechist, diens vrouw en zijn huishoudster. Hij wilde het H. Sacrament redden.

Maar de brandbommen suisden neer bij duizenden en duizenden en vormden een draaikolk van vlammen rondom de kerk. De hitte was zo vreselijk dat metalen voorwerpen, die in de grond verstopt waren, ervan smolten. De kerk was één vuurpoel. De deuren zetten uit en gingen niet meer open. De vier trouwe dienaren van God, in de kerk, knielden neer voor het altaar van O.L. Vrouw en wachtten daar hun dood af. Daar hebben we hun verkoolde beenderen terug gevonden.

Waardige dood voor zulk een missionaris. Pater Fage was de eerste missionaris in Kobe, toen het nog gevaarlijk was voor een vreemdeling om in een Japanse stad te verblijven. Requiescat in pace.

Die dag zijn ongeveer 60.000 mensen gedood en meer dan een millioen waren dakloos. Kobe werd geheel verwoest”.

Ook na de capitulatie van bondgenoot Duitsland gaven de Japanners zich niet over. “Luchtaanvallen werden dagelijkse kost. Het voedsel werd zeer schaars. In de stad werden kinderen gedood om ze van de honger te bevrijden. Mochten wij wel meer voedsel vragen? Ik geloof van niet en wij durfden niet te klagen.

Kleinere vliegtuigen kwamen nu samen met de B-29’s. De Amerikaanse vloot bombardeerde Japan. Het einde was blijkbaar nabij. Maar niemand wist hoe dat zou komen. We verlangden ernaar dat de Amerikanen zouden landen, maar toch was dit verlangen vol vrees. De commandant van het kamp vertelde ons dat hij bevel had ons te fusilleren wanneer de landing begon. We weten niet of dit waar was, maar we waren er niet helemaal gerust op”.

In zijn brief maakte Jozef Spae geen melding van de atoombom-aanvallen op 6 en 9 augustus 1945. Wel schreef hij achteraf over de ‘vreselijke aanval op Nagasaki’.

Hemelvaartsdag 1945

Ondanks de jarenlange internering leefde de Belgische missionaris nog volgens de kerkelijke agenda. Althans, zo werd het in zijn verslag later afgedrukt. De geïnterneerden konden intussen naar de Japanse radio luisteren!

“Het feest van O.L. Vrouw Hemelvaart: het was de eerste verjaardag van het doopsel van meneer Eldridge en te zijner eer hadden we een feestje op touw gezet. Maar er was een grotere verrassing. ’s Morgens om 9 uur kondigde de radio aan dat de keizer zou spreken. Om half elf werd dit herhaald.

Klokslag twaalf uur zaten we allen rond de radio en het was mijn taak een vertaling te geven. Het Japans nationaal lied werd gespeeld, langzaam en majestatisch. Dan hoorden we Zijne Majesteit met een hoge zangerige stem een document aflezen.

Alle ogen waren op mij gericht, maar tot mijn spijt verstond ik er niets van. De keizer spreekt immers geen gewoon Japans maar een soort letterkundige taal, die men slechts kan verstaan als men ze geschreven ziet.

Allen vroegen mij angstig: ‘Pater Spae, wat zegt hij?’

En ik moest antwoorden dat ik het niet wist.

Vlak daarop werd er echter een omschrijving van de keizerlijke aankondiging uitgezonden in het gewoon Japans. Na de eerste zinnen hoorde ik reeds dat het vrede was, en zei heel rustig tot de opgewonden luisteraars: ‘De oorlog is voorbij en Japan heeft de Potsdam-voorwaarden aanvaard: gevangenen mogen het kamp overnemen en onze veiligheid is gewaarborgd’.

U had het daverend applaus eens moeten horen, waarmee deze woorden werden begroet. Velen konden hun tranen niet bedwingen en vielen elkaar om de hals. Onze bewakers, die wel eens beweerd hadden harikiri (d.i. buikopensnijding) te zullen plegen als Japan verloor, kwamen onze kamer binnen om ons te feliciteren.

We hadden nog enige conserven bewaard in geval van uiterste nood. De blikjes werden geopend en we deelden alles samen met onze bewakers. Families uit de stad kwamen ons bezoeken en dezelfde avond nog gingen velen naar de stad om van de eerste vrijheid te genieten”.

Feestdag van de geboorte van Maria

Nu het officieel vrede was bleken de Japanners grote sympathie voor de Amerikanen en andere westerlingen te hebben. Dat was vooral het geval toen Amerikaanse vliegtuigen parachutes met kleding, boeken, dagbladen en voedsel (corned beef) lieten neerkomen.

“Op 8 september (weer een feest van Onze Lieve Vrouw) kwamen de eerste Amerikaanse soldaten ons officieel bevrijden. Een nieuw tijdperk voor Japan aangebroken. Wij missionarissen waren vol hoop voor de toekomst. En onze hoop werd nog overtroffen door de werkelijkheid.

Wanneer men nu rondwandelt door de straten van die uitgebrande steden en de mensen zien uw ‘roman collar’ (priesterboord), dan komen ze naar je toe en vragen of je een katholiek priester bent en ze verklaren katholiek te willen worden.

Zij vragen slechts om onderricht en het doopsel. Ze hebben allen reeds met belangstelling over de katholieke Kerk gelezen en nu er geen politie meer is om hen tegen te houden, willen ze met duizenden ons geloof omhelzen. Hadden we maar meer missionarissen en zusters.

Zelfs de keizer zou er aan denken katholiek te worden. In elk geval er zijn verschillende katholieken in de omgeving van het hof. De Japanse tekstboekjes worden nu herzien en een katholiek staat aan het hoofd van de herzieningscommissie. De katholieke universiteit opende als een van de eerste weer haar lokalen. Overal in de scholen is er vraag naar missionarissen. De tijden van Franciscus Xaverius schijnen terug gekeerd!”

Aan zijn achterban in België kon Jozef Spae nu laten weten: “Ik zou willen dat u allen eens de vreugde van het missionarisleven zou kunnen genieten. Zij zijn niet te beschrijven, maar wie ze eens genoten heeft, voelt zich eenzaam en verlaten, als hij ervan verstoken is. Dat is de reden waarom alle missionarissen willen sterven op het missieveld.

De goddelijke genade en haar werking blijft altijd een geheim, maar de missionaris ziet haar werking als het ware met het blote oog, in de zielen van hen tot wie hij gaat.

De omstandigheden van het apostolaat zijn dikwijls zo overweldigend, en uw eigen machteloosheid dringt zich zo sterk aan u op, dat men zich enkel en alleen op God moet verlaten. Dan zal Zijn genade u opnemen en terwijl men voelt dat alles ‘door Hem met Hem en in Hem’ gedaan wordt, geniet men de onbeschrijfelijke vreugde Zijn werktuig te zijn.

Ik weet dat u, mijn familieleden en vrienden, zult blijven bidden dat ik altijd een goed werktuig mag zijn in Gods handen”.