Brief uit de missie 19: Kerstmis in de Chinese missie

0
872
handgeschreven brief

Norbertus Janssens, een Nederlandse Franciscaan, reisde in 1888 naar het andere einde van de wereld. Samen met enkele medemissionarissen bezocht hij het heilige land. Vanuit Port Said voer hij per stoomschip naar Aden, Colombo (op Ceylon), Singapore en Saigon (Vietnam) om in mei van dat jaar de Chinese kust te bereiken. Van Hongkong ging het verder naar Shanghai, Fort Dagu en vervolgens het binnenland in naar Tianjin. Zijn voorlopige eindbestemming was Taiyuan, de hoofdstad van de Chinese provincie Shanxi. Een paar maanden later was Janssens pastoor van het volledig katholieke missiedorp Sintchoang. Dat lag op honderden kilometers afstand van de hoofdstad helemaal in het zuiden van de provincie.

De Nederlander moet zich nogal eenzaam gevoeld hebben. “China is geen Holland, in de verste verte niet”, legde hij vast. Bij aankomst verstond hij bovendien geen woord Chinees. “Het ongelukkigste is nog dat ik niet spreken kan. Maar hiermede ga ik met grote moed beginnen, en met de hulp van onze lieve Heer zal het wel gelukken”, meldde hij vanuit Taiyuan aan het thuisfront. In maart 1889 had hij nog geen enkele brief van familie of bekenden ontvangen. Toch bleef hij maar schrijven, in de verwachting dat die wel zou arriveren.

Norbertus Janssens leert de Chinese taal

Met de taal was hij in het voorjaar van 1889 nog niet veel verder gekomen. “Mijn dagorde is nog dezelfde als zes maanden geleden, namelijk ’s morgens met de zon opstaan, en de hele dag blokken en studeren op het Chinees tot ’s avonds laat. Ik moet zeggen dat het Chinees leren een hele toer is; vooral in het begin. Als men hoegenaamd niets kan praten en verstaan, zou men er soms de moed bij verliezen. Niet alleen zit men voor die berg van 13.316 verschillende letters [karakters] te kijken. Een groot gedeelte moet men kennen om wat te kunnen lezen en schrijven. Maar daarbij komt nog de moeilijkheid om uw mond op de Chinese uitspraak te plooien. Zo zit ik soms met mijn knecht over een en de zelfde klank of woord dagen achtereen te haspelen”.

Janssens had intussen zijn eerste kerst achter de rug. Daarvan deed hij zijn familie drie maanden later verslag. Zijn uitgebreide brief verscheen datzelfde jaar in de Annalen van de Heilige Kindsheid, een tijdschrift dat maandelijks in Tilburg werd uitgegeven. Het was duidelijk dat de Franciscaan nog flink moest wennen aan zijn nieuwe omgeving. Hij woonde tussen allemaal Chinese bekeerlingen in. Maar het waren en bleven Chinezen. Met Chinese gewoontes. “Nog nooit heb ik zulk een kerstfeest bijgewoond”, vertrouwde Norbertus toe aan het papier.

Kerstavond 1888 op het Chinese platteland in het zuiden van Shanxi

De pastoor had zijn parochianen tijdig aan het werk gezet in de dagen voor 25 december. “Vier dagen werden er besteed om de kerk te versieren en de stal van Bethlehem te maken. Aardig was het om te zien hoe de jongens van Chinees papier levensgrote beelden wisten te maken: de moeder Gods, de H. Joseph, het Kindje, de herders, os, ezel, schapen enzovoort. De meisjes hadden het meer dan druk om kleurige maar armoedige lampen en Chinese lantaarns op te hangen”. Janssens wist er bovendien voor te zorgen dat er negen dagen lang extra gebeden en gezongen werd in het parochiekerkje.

Het vieren van het christelijke feest was voor de bekeerlingen niet in alle opzichten een straf. “’s Avonds voor het feest werden voor de kerk grote vuren ontstoken. De Chinese jeugd omringde het vuur. Op hun gelaat stond te lezen dat ze die nacht niet hoefden te slapen, maar het feest mochten bijwonen. Om negen uur ’s avonds kondigde het slaan op de gong en het geknal van vreugdeschoten [vuurwerk] aan dat het feest een aanvang nam”. Alle katholieken gingen de kerk binnen. “Die was stampvol. Men bad en zong uit één adem tot elf uur”. Janssens was wél in een andere katholieke cultuur terecht gekomen. “Al die gezangen en plechtigheden werden begeleid door onze Chinese harmonie. Met bellen en trommels. Vreugdeschoten daverden”.

Om elf uur liep de kerk leeg. Iedereen trok in processie naar het open veld. “Hier werden de Chinese lantaarns ontstoken. Tussen engelen en herders werd in de Chinese taal een wisselzang gezongen om de blijde geboorte van Jezus’ geboorte aan te kondigen. De processie trok daarna weer naar de kerk. De herders volgden met de schaapjes in hun armen. Mannen en vrouwen zongen Chinese verzen, die telkens met een dubbel Alleluja eindigden”. De catechist, assistent van de missionaris, gaf opdracht dat de gelovigen voor een beeld van het kindje Jezus in de kerk met z’n allen de ‘grote Chinese kowtow’ moesten doen: “Deze bestaat in het opheffen van de handen, knie- en lichaamsbuigingen zonder einde”. En steeds weer vuurwerk.

Middernacht, 25 december

De missionaris had zich – dat werd van hem verwacht – intussen in zijn eigen verblijf teruggetrokken. De catechist en de notabelen van het missiedorp kwamen hem officieel uitnodigen de nachtmis op te dragen. “Statig trok de pater, bekleed met het koorkleed, voorafgegaan door de deputatie en onder het spelen van de harmonie en het afsteken van vuurpijlen, naar de kerk. Na het volk gezegend te hebben begon klokslag twaalf de H. Mis. Hoe hartroerend is het op zulk een wijze voor het eerst in China de kerst-mis te mogen zingen”.

Op dat moment besefte de Nederlander maar al te goed welke zware taak hem te wachten stond. “Als men die brave christenen, dankbaar voor de gave van het geloof, rondom Jezus geknield ziet liggen, dan denkt men ook aan de miljoenen in onze onmiddellijke omgeving. Ze kennen Jezus niet. Ze willen hem niet kennen. Ze knielen neer voor hun afgoden en duivels. Hoe vurig is dan de wens dat Jezus eens door allen gekend en bemind wordt!”

Na afloop van de nachtmis was Janssens moe. Als het aan hem had gelegen was hij gaan slapen. Die rust werd hem echter niet gegund. “Het was onmogelijk. Het volk bleef tot vijf uur zingen en bidden in de kerk. Daarna begon de tweede H. Mis”. Pas na de derde H. Mis mocht hij vetrekken. “De pater werd weer even plechtig naar zijn huis geleid als hij te middernacht was afgehaald”.

Het kerstfeest

Steeds weer bleek dat niet de Europese priester maar de Chinese catechist bepaalde wat er allemaal moest gebeuren. Ook op kerstdag zelf. “Om elf uur ‘s morgens begonnen de ceremonies in mijn huis. Klein en groot komen de pater feliciteren met het feest. Buiten wordt een tapijt gelegd, en een versierde stoel en tafeltje gezet. Een deputatie komt de pater in zijn huis inviteren om buiten op die stoel te gaan zitten. Onder het commanderen van de catechist maken de mannen de grote kowtow, zoals die eerder beschreven is. Vervolgens de vrouwen. Daarna moet de pater de zegen geven. Even deftig wordt hij weer in zijn huis geleid”.

Eindelijk was er een beetje rust voor Janssens. Hij genoot van zijn kerstmaaltijd. Maar toen werd hij plotseling ‘vergast op de liefelijke tonen van een aantal fluitspelers’. Waarschijnlijk fluisterde de catechist dat de missionaris nu aan zet was. “Hij moet aan de leden van harmonie en zangkoor een diner geven”. Dat was echter geen grote uitgave, stelde hij enigszins tevreden vast. “Het bestaat in repen deeg, in water gekookt, en niets anders”. Een Chinese mond was op het platteland snel gevuld.

Op naar het nieuwe jaar

Na het uit Europa overgenomen kerstfeest volgde de overgang van het oude naar het nieuwe jaar. “Dat wordt niet volgens de zon, maar volgens de maan gerekend. Dit jaar viel het op 31 januari”. De Chinezen vierden nu hun eigen feest. Van Janssens werd verwacht dat hij er niet afzijdig bij bleef.

“Op die dag worden de beste spulletjes uit de kast gehaald. Chinese dames, die men gedurende geheel het jaar met geen tang zou aanpakken, komen te voorschijn. Ze zijn van boven tot onder met de fijnste zijde bekleed, met zilver, soms met goud behangen, op fijn met gouddraad bewerkte schoentjes. Met een koord aan de hals hebben ze een spiegel hangen, om zich zelf te bewonderen. Men kan gerust zeggen dat de meesten dan hun hele rijkdom met zich meedragen”.

In de omliggende dorpen, wist Janssens, ‘houden de heidenen in die tijd op straat komedie ter ere van hun afgoden. Hier kan dat natuurlijk niet plaatshebben. Dit dorp bestaat uitsluitend uit christenen’. Opnieuw moesten de gewone Chinezen eer bewijzen aan hun superieuren. “Eerst knielt men neer. Men maakt twee diepe hoofdbuigingen tot op de grond. Opstaande maakt men met gevouwen handen weer twee diepe buigingen. Vervolgens knielt men weer neer”. De pater zat, zoals hij aan zijn familie schreef, ‘die dag tot vervelens toe op receptie’. Hij moest zich het heidense tafereel laten welgevallen. Bovendien werd van hem verwacht dat hij die dag geschenken uitdeelde aan iedereen die hem eer kwam bewijzen. Het vuurwerk daverde drie weken lang door. Maar daarna was het afgelopen. Norbertus Janssens kon zich nu gaan richten op het bekeringswerk.