Brief uit de missie 95: Afschaffing van de slavernij op Curaçao

0
948

Door de inval van de Fransen aan het einde van de achttiende eeuw raakte ons land in oorlog met de Britten. Als gevolg daarvan kwamen de Nederlandse koloniën in Engelse handen. Maar na de nederlagen van Napoleon keerde het tij. In 1816 werden de Nederlandse Antillen in het nieuwe koninkrijk der Nederlanden opgenomen. Dat gaf kansen voor Nederlandse missionarissen.

Martinus Niewindt, in 1796 geboren te Amsterdam, vertrok in 1824 naar Curaçao. Van zijn activiteiten in de Antillen deed hij regelmatig verslag in de Godsdienstvriend, een tijdschrift dat sinds 1789 werd uitgegeven.

Martinus Niewindt

In 1854, dertig jaar later, schreef missiebisschop Niewindt dat hij op 27 augustus 1824 op het eiland was aangekomen. De meeste katholieken waren slaven. “Spaanse geestelijken kwamen er van tijd tot tijd. Ze doopten uit Afrika aangevoerde of op het eiland geboren slaven en anderen, bedienden de sacramenten en vertrokken na langer of korter verblijf wederom”.

Niewindt: “In 1824 bestond er op Curaçao slechts één kerk: veel te klein voor de katholieke bevolking en in een allesbehalve gunstige toestand. De kerk bezat niet eens de meest noodzakelijke benodigdheden om de heilige mis te celebreren”. Van enig katholiek onderwijs was geen sprake. Het was dan ook niet goed gesteld met de ‘zedelijke toestand’ van de katholieken. De aanhangers van het ware geloof waren over het hele eiland verspreid. “Sommigen moesten een weg van tien uren afleggen om hun kinderen te laten dopen”.

Vanuit Curaçao ging Niewindt aan het werk om ook de andere Nederlandse eilanden te bedienen. “Wij waren slechts met twee dienstdoende geestelijken”. Er was onmogelijk veel werk te verzetten, maar stapje voor stapje vorderde de missie. In 1854 waren er overal in de archipel Nederlandse priesters, en op Curaçao ook zusters, aan het werk.

Bernard Frederiks

Op 7 april 1857 deed Bernard Frederiks (geb. Grave, 1826) verslag in de Godsdienstvriend. Frederiks, sinds 1844 op Curaçao en daar in 1849 priester gewijd, trad op als secretaris van de inmiddels 60-jarige bisschop. De pater, 31 jaar, begon met een goed bericht. Ondanks de armoede van het grootste gedeelte van de katholieke bevolking ging het steeds beter op het eiland. “Jaarlijks telt men een groot aantal nieuwelingen, jong en oud, die ‘tot de heilige sacramenten naderen’. Bovendien waren er tal van bekeerlingen – zij die eerder het ‘ontvangen van de genademiddelen hadden nagelaten’.

In het nieuwe katholieke ‘gasthuis voor arme en verlaten zieken’ werden 120 ‘behoeftigen en ongelukkigen’ verzorgd. Dankzij de liefderijke zorgen van de zusters hadden veel patiënten, van de noodzakelijke hulp verstoken, hun gezondheid terug gekregen. “Het draagt dan ook de algemene goedkeuring van de bevolking weg en, mag men zeggen, geniet de protectie van het gouvernement”.

De zusters hadden bovendien een nieuwe taak op zich genomen. “Per 1 april hebben twee van hen zich vanuit het gasthuis begeven naar Rif, een afgezonderde plaats dicht bij Willemstad. Ze nemen er de zorg op zich van het Lazarus- en krankzinnigenhuis”.

In dat huis woonden tal van lepra-patiënten. Melaatsen werden ze door Frederiks genoemd. “De ellendige toestand te schetsen, waarin ze verkeren, is mij onmogelijk. Hun ziekte wekt het grootste medelijden op. Dankzij de belangeloze verzorging en ware liefde van de goede zusters kunnen de ongelukkigen rekenen op een betere en liefderijke oppassing. Hun betreurenswaardig lot zal daardoor verzacht worden”. Curaçao, aldus de missionaris, “zal er getuige van zijn dat ware liefde tot de evenmens niet werkeloos blijft”.

Einde van de slavernij op komst

Frederiks bevestigde nog eens: “De slaven zijn allemaal katholiek”. Het afschaffen van de slavernij ging de katholieke missie derhalve aan. “De minister van Koloniën [Pieter Mijer] heeft aan de Staten Generaal beloofd dat nog in de loop van dit jaar een wet wordt voorgedragen tot de zo lang gewenste emancipatie van de slaven in onze West-Indische bezittingen”. En hij verduidelijkte: “Het gouvernement wil die ongelukkigen van hun juk ontslaan en hun de dierbare vrijheid schenken”.

De eerste maatregelen waren al genomen. “Op 14 februari zijn van hogerhand bepalingen afgekondigd ten aanzien van voeding, kleding en verpleging van de slaven”. Deze waren er ‘wat hun stoffelijke toestand’ dus op vooruit gegaan. Maar ook het ‘zedelijke’ was niet vergeten, stelde Frederiks.

“De meesters zijn verplicht hun slaven zoveel mogelijk in de gelegenheid te stellen om godsdienstig onderwijs te ontvangen. In geen geval mogen zij beletten dat zij in hun vrije uren godsdienstig of ander onderwijs genieten”. Bovendien: “Aan kinderen beneden de veertien jaar moet toestemming gegeven worden om twee uur per dag onderwijs te genieten, wanneer de gelegenheid daartoe bestaat”.

Wie niet meewerkte kon rekenen op een bekeuring. “Overtreding wordt gestraft met een boete van tien gulden, oplopend tot honderd gulden”.

Het resultaat kon je verwachten. “Tengevolge van deze bepaling verlangen al honderden slaven en slavinnen, jong en oud, voornamelijk godsdienstig onderwijs, dat zij vroeger nooit genoten hebben. Alleen al in het gedeelte van Willemstad waar het gesticht van de Zusters der Liefdadigheid zich bevindt worden alle avonden ongeveer 400 slaven in de godsdienst onderwezen. Op een andere plaats worden landslaven en particuliere slaven in de catechismus onderwezen”. Elders, alsmede op de eilanden Bonaire en Aruba, was de vraag naar onderwijs eveneens volop aanwzig.

Hoe kon je slaven op het platteland onderwijzen? Dat was niet eenvoudig. “De slaven kunnen zich niet zomaar op één plaats verenigen”.

Er werden enkele plekken geselecteerd waar de in de omgeving gestationeerde slaven ’s avonds bij elkaar konden komen ‘om in de godsdienst onderwezen te worden’. Er stond heel wat op het spel. “De zielen kunnen en moeten van het eeuwig verderf gered worden”.

Blijft de vraag waarom dat niet eerder gebeurd was.

Frederiks: “Denk niet dat het de schuld van onze priesters is dat die ongelukkigen in zulk een betreurenswaardige staat verkeren. Ook vroeger zouden ze er alles aan gedaan hebben om hen in onze Heilige Godsdienst te onderwijzen, als ze er de gelegenheid toe hadden gehad”. Omdat het niet gebeurd was verkeerden de (katholieke?) slaven dus in de ‘volstrekste onkunde in het godsdienstige’.

Problemen

Frederiks was er geen voorstander van dat de slaven te snel hun vrijheid werd gegeven. Dat gaf alleen maar problemen, vond hij. Eerder hadden er al slavenopstanden in het gebied plaatsgevonden, zoals die onder leiding van Toussaint l’Ouverture in de jaren 1790 op Haiti. “Welk een heilloze gevolgen kan de onmiddellijke vrijlating der slaven hebben als die niet voldoende voorbereid zijn. De Engelse en Franse eilanden liggen hier voor ons. Die waarschuwen ons. Tot op de dag van heden hebben zij nog te boeten van de gevolgen die een gegeven vrijheid zonder voorbereiding geeft”.

In het Nederlandse gebied zou het zo’n vaart niet lopen – dankzij de aanwezige priesters. “De invloed van de priester op de slaaf zal groot en genoegzaam zijn. Er zijn daarom geen strenge maatregelen nodig om bloedvergieten te voorkomen”.

Zo eenvoudig was het evenwel niet. “We zijn bezorgd. Hoe kan in alles voorzien worden als de vrijheid daar zal zijn. De toekomst ziet er treurig en zeer duister uit”.

In het betoog van de missionaris uit Grave kwam nu de aap uit de mouw. Zijn brief was een oproep. “Waren er wat meer priesters. Hoeveel meer zouden ze voor die ongelukkigen [de slaven] kunnen doen. Niet alleen is het getal der werklieden [paters] niet toereikend. Ook sommigen van onze missionarissen beginnen de last der jaren te voelen. Ze zijn hier al zo lange tijd werkzaam geweest. Wat dan, wanneer aan al die slaven de vrijheid gegeven wordt?”

Er waren enorme veranderingen op komst. “Groot, ongetwijfeld, zal de hervorming zijn die de maatschappij hier ondergaan zal. En wie is er meer in staat dan de priester om de slaven op hun vrijheid voor te bereiden. Zij kunnen eenmaal nuttige leden van de maatschappij worden”. Nogmaals: “Wie, beter dan de priester, gezien de invloed die hij op hen heeft, zal die slaven tot brave christenen kunnen vormen?”

Het ging om een groot gedeelte van de bevolking op Curaçao. “Het is betreurenswaardig voor de toekomst dat er zo velen zijn, voor wier eeuwig ongeluk wij uit gebrek aan geestelijke hulp te vrezen hebben”.

Oproep

De missie op het eiland had dus dringend behoefte aan versterking. “Ik waag het mijn stem te richten op mijn jeugdige medebroeders om met ons in ’s Heren wijngaard te komen arbeiden en vele zielen voor God te winnen”.

Hoe langer het duurde, hoe groter zouden de problemen zijn. “Reeds is het veld, dat te arbeiden is, groot. Maar weldra zal het nog uitgestrekter zijn”. Om naar Curaçao te komen hoefde je nog niet gewijd te zijn. Bij Frederiks zelf was het ook zo gegaan. “Laat desnoods tenminste enige geschikte jongelieden hierheen komen, die roeping voor de dienst van de Heer gevoelen. Als ze [in Nederland] hun humaniora [klein seminarie] afgedaan hebben kunnen ze zich hier voorbereiden om eenmaal met vrucht [als priester] voor hun evenmens te arbeiden”.

De jonge missionaris wist dat hij in zijn oproep op hoog niveau gesteund werd. “Dit is ook het hartelijk verlangen van mgr. Vecchiotti, pauselijk internuntius [vertegenwoordiger van de paus] in Den Haag. Onlangs bevestigde hij dit aan mgr. Niewindt. Hij beloofde zijn bijzondere medewerking”.

Er was bovendien, zoals altijd, behoefte aan meer giften uit het vaderland. “In de laatste jaren hebben wij gezien dat de bijdragen steeds verminderd zijn. Dat is hier gevoeld. Het kan niet nalaten een nadelige invloed op het werk van de missie te hebben”.

De priester legde het nog één keer uit. “De slaven zijn katholiek. De zorg voor hun onderwijs zal dus op ons neerkomen. Om hierin te voorzien is het nodig dat er meer scholen komen en onze schoollokalen vergroot worden. Er moeten meer onderwijzers en zusters komen. Er is geld nodig. Hier bestaan geen fondsen”. Zijn conclusie was duidelijk: “Hoe weinig zal het de slaven baten als hun juk wél verbroken wordt, maar zij niet tot nuttige leden van de samenleving gevormd kunnen worden”…

De katholieken van Nederland vroeg hij nadrukkelijk om hulp. “O, mochten toch die vurige verlangens vervuld worden!”…