Brief uit de missie 86: Belaagd door Japanners en communisten: Johan Meijer in China

0
1298

Belaagd door Japanners en communisten: Johan Meijer in China

Johan Meijer (1886-1962), geboren in Spierdijk (Noord-Holland), trok tijdens de Eerste Wereldoorlog als missionaris naar China. Hij had zich aangesloten bij de Lazaristen, een Franse congregatie die ook in Nederland vestigingen had, met name in Wernhoutsburg (bij Zundert, Noord-Brabant) en Panningen (bij Venlo, Limburg).

De oorlog bracht grote veranderingen in de wereld. Duitsland verloor zijn koloniën in China. Japan, dat al vóór de val van het Chinese keizerrijk oprukte, nam steeds meer Europese ‘bezittingen’ en invloed in China en omgeving over. In Europa zelf kwamen de communisten aan de macht in Rusland en vormden een bedreiging voor het vrije westen. Frankrijk en Groot-Brittannië konden zich in 1918 de overwinnaars in de ‘Grote Oorlog’ noemen. Maar hun positie in de wereld was er niet sterker op geworden.

De jongelui die na de oorlog als missiepaters in China het geloof van het westen verkondigden kregen te maken met de nieuwe machtsverhoudingen, die nog moesten uitkristalliseren. In de jaren twintig begon de Chinese communistische partij zich te manifesteren. In een volgend decennium rukten de Japanners er op. De Amerikanen wisten de Japanners in 1945 op de knieën te krijgen, onder andere door het gebruik van kernwapens. De communisten grepen hun kans en maakten zich meester van het Chinese vasteland. Als priester, broeder of zuster kreeg je dat allemaal over je heen.

Japanners in opmars

De Lazaristen, die nog steeds vanuit Panningen opereren, hebben onlangs het boek Taaie Trouw uitgegeven met daarin de brieven die Johan Meijer vanuit China aan de thuisbasis schreef. Daarin komt naar voren hoezeer hij een speelbal was op het wereldtoneel. Op 5 juni 1941 kon hij vanuit Poyang (provincie Jiangxi), op 700 kilometer ten zuidwesten van Shanghai, nog schrijven: “Ik heb hier een groot huis, ruime gebouwen voor scholen en een nieuwe kerk, die afgelopen jaar onder toezicht van pater Theunissen gebouwd is. Aan de overkant van de weg ligt een groot weeshuis waar vijf Amerikaanse zusters zorg dragen voor meer dan 200 weesmeisjes, oude mannen en vrouwen. We zijn hier met ons drieën, de Chinese priesters Chow en Hou, en ik”.

Helemaal veilig was het niet in het binnenland. “Op 11 januari bewerkten de Japanners met vier vliegtuigen drie kwartier lang deze stad met machinegeweren, waarbij wij ook ruimschoots ons deel kregen. In ons missiebisdom zijn 27 plaatsen waar priesters wonen. Acht ervan zijn door bommen getroffen. We hebben [gelukkig] goede schuilkelders en er is waarschijnlijk geen levensgevaar”.

Drie jaar later, op 12 september 1944, stuurde Meijer een volgende brief uit de missie. “De gevaarlijkste tijd die we hier meemaakten was in juni 1942. De Japanners overrompelden vanuit Nanchang en vanuit de provincie Zhejiang het oosten van de provincie Jiangxi. Twee maanden lang bleven zij er aan het plunderen, brandstichten en moorden. De stad I-Yang (ongeveer zo groot als Hoorn) is helemaal door hen in brand gestoken. De missiegebouwen en de kerk zijn nu een puinhoop, evenals de pastorie en de school. Pater Poizat is zo mishandeld dat hij aan de gevolgen overleden is. In Likatu is pater Kwei, een Chinees, vermoord. In Yukiang is pater Verdini, een Italiaan, samen met 36 gelovigen vermoord”.

Meijer had geluk. “De enige plaats waar niets ernstigs gebeurd is, is [hier in] Poyang. De Japanners landden er op 27 juni 1942 met kanonneerboten. De zusters waren toen al drie weken ergens in de bergen van Yukiang aan het schuilen. Nadat de Japanners aan wal waren, kwamen zij dadelijk hierheen om Amerikanen gevangen te nemen. Maar er waren geen Amerikanen. Omdat ik een Frans paspoort had lieten ze me met rust.

Het hele huis werd geïnspecteerd. Iedere middag kwamen de soldaten om het huis en de kerk te bekijken. Alles liep goed af. In de nacht van 3 juli zijn ze weer op hun boten gegaan.

In 1943 was het hier nogal rustig, maar kort geleden waren wij erg bang dat de Japanners weer zouden komen. Het is echter goed afgelopen. Ze hebben ons met rust gelaten”.

Chinese missie in de problemen

Elders hadden de paters het een stuk moeilijker. “De katholieke missies in andere delen van China zijn er erg aan toe. Behalve dat er ontzettend veel plaatsen gebombardeerd, geplunderd en in brand gestoken zijn, hebben de Japanners in het noorden de missionarissen, die Nederlander, Belg of Amerikaan zijn, in concentratiekampen gezet. In Peking moeten er 12 bisschoppen, 250 priesters en 150 zusters gevangen zitten. In Shanghai ongeveer 200 priesters, broeders en zusters. In zo’n gevangenkamp krijgt men te veel om van de honger te sterven en te weinig om van te leven”. Johan voegde er nog aan toe: “Er zijn daardoor veel plaatsen waar de gelovigen zonder geestelijke hulp van priesters zitten”.

Meijer had andere problemen. “Sinds twee jaar is het leven hier in Poyang erg moeilijk vanwege de hoge prijzen van de levensmiddelen. Alles kost nu ongeveer 150 keer zoveel als vroeger. Het geld heeft zienderogen zijn waarde verloren. Vóór deze oorlog kostte een mud rijst ongeveer 6 piasters, nu tussen de 800 en 900. Een pond vlees kostte 0,25 piaster en nu 40 piaster. Vooral dingen die van ver komen, zoals kleren, stof en suiker, kosten 400 tot 500 keer meer dan vroeger”.

De inflatie ging door. Nog geen jaar later moest je voor een pond vlees bijvoorbeeld al 110 piasters betalen. “Daardoor zijn de meeste bisdommen straatarm geworden en hebben zij hun kapitaal opgebruikt. In veel plaatsen lijden de missionarissen armoede. Onze bisschop ontvangt echter geld uit Amerika en daardoor zijn we springlevend gebleven”. In augustus 1946 was de prijs van een pond vlees gestegen tot 800 piaster. “Dat is 3200 keer zo duur als vóór de oorlog”.

Communisten trekken op

Na de nederlaag van Japan gingen de communisten zich vanuit het noorden steeds nadrukkelijker manifesteren. Meijer, inmiddels 61 jaar, hoopte ongetwijfeld dat ook deze ramp aan zijn deur voorbij zou gaan. Op 22 maart 1947 meldde hij: “In Poyang en omstreken is het rustig gebleven. Je zult wel eens horen dat er nu een burgeroorlog in China heerst. Jammer genoeg klopt dat voor zes provincies in het noorden. Dichtbevolkte streken, wel 20 keer zo groot als Nederland, zijn in rep en roer. Een groot aantal katholieken is vermoord – men zegt meer dan duizend in het bisdom Peking en wellicht 1.500 in Xiwanzi [boven de Chinese Muur].

Onze confraters uit Polen en zusters van Shuntehfu (provincie Hebei) zitten gevangen bij de communisten en zij worden er dikwijls vreselijk mishandeld. Een zuster is een oog kwijtgeraakt en van een ander heeft men het been kapot gemaakt. Twee paters zijn vijftien keer gegeseld. In de provincie Hebei was de missie vroeger zeer bloeiend. Nu wordt alles door de communisten vernield. Kerken, scholen en kapellen worden in brand gestoken.

De missionarissen verblijven in grote steden, die nog in de macht van de regering zijn. Men zegt dat de regering ongeveer 5 miljoen soldaten heeft, maar al die kerels schijnen bang te zijn van de communistenbendes. Tot nu toe hebben ze weinig tegen de roden uitgevoerd”.

Communisten nemen de macht over

In 1949 grepen de communisten onder leiding van Mao Zedong de macht in de missiepost van Johan Meijer. “Op 1 mei”, schreef deze op 14 oktober, “heeft het rode bevrijdingsleger zonder slag of stoot Poyang bezet. De militairen en beambten van het vorige regime waren op tijd vertrokken. Hier kan men wel 10 of 20 jaar soldaat zijn zonder dat men een geweer afschiet”.

De Lazarist had nu direct te maken met de nieuwe heersers. “Ons huis en bijgebouwen werden [weldra] als kazerne gebruikt. Evenzo een deel van het weeshuis. Dat duurde tot begin september. Toen werden ook het weeshuis en priesterhuis bezet. Ongeveer 100 mannen zaten in de school. Dat zijn mannen van de artillerie. De baas kwam mij vertellen dat ze vooral kwamen om de missie te beschermen”.

Naar eigen zeggen liet Meijer niet met zich sollen. “Ik zei hem dat ik al negen jaar in deze plaats woonde en nooit iets slechts van het volk ondervonden had en dat bescherming overbodig was. Maar hij had bevel om de missie te beschermen. Om de bescherming beter te maken kwamen er 200 mannen in ons huis en er zijn er nog meer op komst om het huis te bezetten”.

Elf dagen later besefte de voormalige bewoners van Spierdijk welke kant het dreigde op te gaan. “Tot nu toe is er geen verbod om de kerkelijke oefeningen te houden. Geen soldaten in de kerk. Mis, lof, enzovoorts, gaan door als voorheen”. Meijer was echter overgeleverd aan hun willekeur. “Ze springen met ons huisraad om alsof ze thuis zijn”.

Van kwaad tot erger

De missionaris bleef hopen op betere tijden. “De soldaten zijn meestal boerenjongens, die van Marx, Lenin en Stalin niet veel afweten. Ze komen merendeels uit Manchoerije”. Meijer vergeleek hen met halve wilden uit een oerbeschaving. Alleen al de manier waarop zij zich schoon hielden. “Men neemt een kom water (half bierglas), doet een paar druppels in de ogen, spoelt de mond met de rest, spuwt het water uit op de handen en wast de handen”. Zo slecht waren ze verder niet. “Zij moorden alleen als het strikt noodzakelijk is. Daarom is het te vrezen dat jullie nog jaren moeten wachten alsvorens ons als martelaren te kunnen vereren”.

De situatie verslechterde echter voortdurend. Geestelijken werden gevangen gezet, mishandeld of vermoord. Bij Meijer viel het nog mee. “Pater Wu en ik mogen onze jaarlijkse missiereizen niet meer maken. In andere plaatsen van ons bisdom heeft men meer moeilijkheden. Omdat ik dokter ben (dagelijks komen er 15 tot 30 mensen voor pillen bij mij) kunnen zij mij niets doen. Nu is er geen vrees”, schreef hij op 7 februari 1951.

Drie maanden later mocht hij niet meer naar buiten. “Ik ben vrij om in huis en in de tuin te lopen. Uitsluitend op zondag mogen de katholieken naar de kerk komen. Met Pinksteren las ik twee missen en was er veel volk. Pater Wu leest nu dagelijks de mis in het weeshuis en ik in onze kerk”.

Op 3 maart 1952 constateerde de Nederlander dat hij niet meer in staat was te functioneren. “Op 29 november [1951] heb ik een soort volksgerecht ondergaan. Er viel niet zo veel voor. Ik ben niet ter dood of tot gevangenisstraf of andere straffen veroordeeld. Maar ik mag sinds die tijd niet meer voor de gelovigen mis lezen of andere godsdienstoefeningen houden. De inwoners van het weeshuis mogen zelfs niet meer met mij spreken en ik ook niet met hen.

Jongens en meisjes onder de 18 jaar mogen geen geloofsonderricht ontvangen, niet de mis horen, niet biechten of ter communie gaan. Ook in de nabij gelegen stad Nanchang zijn vier Nederlandse paters op non-actief gezet. In ons bisdom zitten drie Chinese priesters in de gevangenis”.

Weg uit China

Als het aan Johan Meijer lag zou hij China nu liever willen verlaten. Hij was niet de enige. “Holland moet nu wel overlopen van ex-missionaren uit China. Vóór deze omwenteling waren er ongeveer 3.000 buitenlandse priesters en ook nog heel wat broeders en zusters. Velen zijn reeds vertrokken, anderen wachten op een reisvergunning. Enkelen zitten in gevangenissen.

Ik heb een reisvergunning of paspoort aangevraagd maar nog niet gekregen. Het is nog niet te voorzien wanneer het zal komen, dus maar wachten”.

Op 15 april 1952 bevond hij zich in het Britse Hongkong. Blijkbaar had hij toestemming gekregen om communistisch China te teverlaten. “Op 10 april, Witte Donderdag, ben ik per boot van Poyang naar Nanchang vertrokken, waar ik op Goede Vrijdag aankwam. In Nanchang ben ik niet naar de katholieke missie gegaan. Daar hebben Alex Smits, Zigenhorn, Kleine, de Tsjech Zeman en de Fransman Dulac huisarrest. Alle vijf in één kamer. Aartsbisschop Chow zit in een andere kamer en nog twee Chinese priesters in een andere kamer. Zij mogen niet met elkaar spreken.

Op Paaszaterdag ben ik per sneltrein naar Kanton gegaan en daar op zondag aangekomen. Gisteren, 14 april, ben ik per trein naar Kowloon en per veerboot naar Hongkong gereisd. Hongkong is een prachtige Engelse kolonie. Hier heeft onze congregatie een huis gehuurd waar we zo goed als thuis zijn”.

Op 3 mei 1952 vloog Johan Meijer vanuit Hongkong naar Schiphol in Nederland. Binnen een jaar vertrok hij echter opnieuw naar China. Op 24 januari 1953 was hij terug in Hongkong en reisde door naar Taiwan, het eiland waar Zhang Kaishek samen met zijn aanhangers heen was gevlucht. Meijer werd op Taiwan weer gewoon missionaris. Op 76-jarige leeftijd overleed hij in 1962 op Taiwan.