Brief uit de missie 10 – Het doden en dopen van kleine kindjes

0
1170

In de loop van de negentiende eeuw drongen er allerlei gruwelijke berichten in Europa door. De Chinezen hielden niet van hun kinderen. Een kinderleven zou nauwelijks iets betekenen in het Verre Oosten. Heel wat ouders zouden hun eigen kinderen zelfs gewoon doodmaken of er zich op een andere manier van af maken.

Ouders verdrinken hun kind Vooral meisjes moesten het ontgelden. Volgens de verhalen waren de ouders bijzonder teleurgesteld als er weer een dochter bijkwam. Het is bijna niet te geloven vanuit ons huidige perspectief. In de missiebladen van die tijd kon je het maand in maand uit letterlijk lezen. Bijvoorbeeld in 1887, in de Annalen van de Heilige Kindsheid die in Tilburg werden uitgegeven. “Zuid-Hunan”, zo was in het tijdschrift afgedrukt, “behoort onder de provincies van China, waar de kindermoord en het te vondeling leggen van kinderen het meest in zwang is. Men ziet er allerwegen ontaarde ouders die hunne kinderen terstond na hunne geboorte verdrinken of langs de openbare weg neerwerpen”.

De Franse Jezuiet Gabriel Palatre publiceerde in 1878 een boek over het doden van kinderen door hun ouders in China. Blijkbaar geloofde men in Europa al die afschuwelijke verhalen in die tijd niet meer. Zijn tekst was één groot verweer tegen de aantijgingen dat de missionarissen die naar het Verre Oosten getrokken waren al die moordpartijen uit hun duim gezogen hadden.

Volgens Palatre was kindermoord in China ‘zo oud als de weg naar Rome’.

In het eerste hoofdstuk, over ‘kindermoord en officiële proclamaties’, gebruikte hij officiële Chinese documenten uit vroegere tijden die aantoonden dat het doden van kinderen een eeuwenoude traditie in het keizerrijk was. Zo maakte de Jezuiet melding van talloze proclamaties die de keizers hadden laten afkondigen tegen het ombrengen van pasgeboren babies.
Hoe konden ze dat gedaan hebben, schreef Palatre, als daar geen sprake van was. In een ander hoofdstuk maakte hij aan de hand van boeddhistische en taoïstische Chinese boekjes en met aanschouwelijke plaatjes duidelijk dat de goden de ouders beloonden en straften naarmate ze goed of slecht met hun pasgeboren kindjes omgingen. Een goede vader werd beloond met een echte baard. Ouders die hun kinderen vermoordden werden in honden omgetoverd. Een slechte moeder baarde een kind met het lijf van een slang. Kortom, het bewijs van deze afschuwelijke misstanden was geleverd.
Vader krijgt een baard als beloning

De redding van de kinderen
Na een militaire inval van Britse en Franse troepen in 1860 was keizer Xianfeng gedwongen een aantal eisen van de westerse ‘barbaren’ te accepteren. Het hele keizerrijk kwam open te liggen voor de katholieke missie en de protestantse zending. Missionarissen die vanuit havensteden als Shanghai, Tianjin en Ningbo het binnenland introkken schreven brieven en rapporten aan de lopende band over wat ze meemaakten en wat er mogelijk was om die onschuldige kindjes te redden. Daarbij ging het vooral om de ziel van de baby. Het was van het allergrootste belang om doodzieke kinderen door middel van het doopsel te redden alvorens ze om welke reden dan ook de laatste adem uitbliezen. Geen zieltje mocht verloren gaan. Dat gebeurde trouwens niet alleen in China maar ook op andere plaatsen in Azië. De Belgische pater Roofthooft, die vanuit zijn geboorteplaats Lier onderweg was naar Peking en verder, bezocht onderweg in Saigon (Vietnam, tegenwoordig Ho Chi Minh-stad) een missieweeshuis. “Uw ogen”, schreef hij in het verslag van zijn reis, “vallen op een soort van wijwatervat, aan de ingang van het gesticht geplaatst, om de stervende kinderen die men aanbrengt aanstonds te dopen en naar de Hemel op te zenden”.

Vrouw baart kind met het lijf van een slang Eenmaal op hun plaats van bestemming aangekomen deden de Europese priesters er alles aan om zoveel mogelijk kinderen te dopen. Soms kwamen de ouders hun doodzieke kinderen bij de missiepost brengen. De missionarissen waren bereid geld te betalen aan de vader en moeder als die afstand deden van hun baby. Onmiddellijk daarna werd het kind gedoopt. In de meeste gevallen overleed het kind kort na aankomst. De paters, die het kind tijdig de katholieke kerk hadden binnengeloodst, moesten het vervolgens ter aarde bestellen. Missieposten waren omgeven met kerkhoven, waar soms duizenden, soms zelfs tienduizenden babies begraven lagen. Als het kind na gedoopt te zijn in leven bleef werd het door de katholieke kerk in een weeshuis opgevoed en voorbestemd om later een katholiek huwelijk aan te gaan.

Dopers op pad
Een handjevol missionarissen was niet in staat al dit doopwerk zelf ter hand te nemen. Daarom namen ze bekeerde katholieken in dienst. Het opzoeken van nog niet gedoopte kindjes was een vorm van werkgelegenheid. De ‘baptiseurs’ of ‘dopers’, zoals ze in de brieven genoemd werden, trokken rond op zoek naar potentiële dopelingen. De paters gaven geneesmiddelen mee. Dat gaf ze een mooie entree bij de ouders. In de Annalen van de Heilige Kindsheid was al in 1855 te lezen hoe de Lazarist Aniot ten noorden van de Chinese Muur zijn doopwerkzaamheden wist te verrichten. Hij had in 1854 niet minder dan 1506 kinderen gedoopt weten te krijgen. Dat had hem 1.108 Franse francs (ongeveer 250 euro) gekost. 73 centimes per doopsel had hij berekend. “Zij die de meeste uitgaven veroorzaken zijn onze vaste dopers. Het genootschap der engelen ontrukt veel kindertjes aan de dood. En dit nu doen onze dopers. Vier dopers bezoeken door elkander 32 kinderen per dag, ieder acht. Na verloop van een jaar zullen zij dus 11.608 kinderen bezocht hebben. En hoeveel zouden er, op dat getal, niet zijn gestorven indien zij onze artsenijen niet gehad hebben. De armen vooral hebben geen middelen om zich geneesmiddelen of geneesheren aan te schaffen. Ik heb alzo aangetoond wat onze dopers verrichten”.

Dopen was dus vaak een kwestie van geld. Als de missie geld te kort kwam, kon men geen dopers in dienst nemen, met alle gevolgen van dien. Ferdinand Hamer uit Nijmegen zat in het najaar van 1866 in acute geldnood. Aan zijn overste, Theophile Verbist, schreef hij op 8 september:
“In de acht maanden dat ik hier ben heb ik nog geen kinderen willen accepteren. Gelieve mij eens te schrijven of ik weer mag beginnen. Men is mij al komen vragen, maar ik heb gezegd tot nader orde niet. Alsook of ik weer baptiseurs moet aannemen, die zooals ik u schreef buiten actieve dienst zijn. Mrg Verrolles [een missiebisschop niet ver van de verblijfplaats van Hamer] besteedt al zijn geld van de H. Kindsheid voor baptiseurs. Hij zegt: zulks brengt meer zieltjes in de hemel en kost minder geld. Ik heb dit jaar onder de rubriek van gedoopte kinderen van heidenen dus tot nog toe een 0. Een baptiseur die de medicijnen verstaat en alle dagen rondgaat krijgt drie ligaturen in de maand. Voordat ik ze in dienst stel zou ik gaarne weten hoeveel ik er moet aanstellen”.

Dopen met een bakje warm water
De paters lieten niet al het werk over aan de dopers. Ze traden ook zelf op als ze de kans kregen. De Belgische missieoverste Verbist meldde in een lange Franstalige brief van 25 november 1866 hoe het hem en zijn metgezel onlangs vergaan was.

“Op reis kwamen we in een groot heidens dorp. We stegen van onze paarden af en hielden halt in een herberg om er uit te rusten. Aan het komen en gaan van mensen merkten we dat er problemen waren. Toen we informeerden wat er aan de hand was hoorden we dat het kind van de herbergier aan pokken leed en dat de ouders erg ongerust waren. Niemand durfde bij het kind te komen. De Chinezen geloven dat de Europese missionaris almachtig is. Ik liet merken dat ik belangstelling had. U gelooft het niet – veel heidenen hebben geen tedere gevoelens voor hun kinderen. Toen de vader hoorde van mijn aanwezigheid kwam hij aansnellen, viel voor mij op zijn knieën en smeekte mij zijn zieke kind te bezoeken. Mijn compagnon vroeg een bakje schoon warm water. Ik vroeg de man zich even te verwijderen. Ik doopte het zieke jongetje en gaf het de naam Augustus. Later vernamen we dat het kind kort na gedoopt te zijn in de hemel het leger van engelen was gaan versterken. Het was mijn voorrecht geweest het bij God te brengen met de boodschap er de aanbidding en liefde van de leden van de Heilige Kindsheid van België te vertegenwoordigen”.
***

Bisschop Hamer in 1894 De missionarissen, eenmaal aanbeland op hun missiepost, gingen door en bleven doorgaan.

Ferdinand Hamer bleef enigszins optimistisch. Op 10 april 1896, dertig jaar nadat de stand van de doopsels nog op nul stond, liet hij zijn familie weten: “Met het missiewerk doen wij wel geen grote wonderen, maar steeds is er toch wat vooruitgang. Het getal christenen en catechumenen [bekeerlingen] vermeerdert van jaar tot jaar. Meer standplaatsen worden er opgericht, kerken gebouwd en zo boeren wij al voort. De doopplechtigheden van Paaszaterdag duurden drie volle uren, maar geeft zoveel troost dat het niet vermoeit”.

Harry Knipschild