Brief uit de missie 111: Jaarverslag van bisschop Ponsot uit de missie van Yunnan (1874)

0
490
handgeschreven brieven

Als je als missiebisschop goed wilde functioneren had je geld nodig. Dat kwam in de negentiende eeuw voor een belangrijk gedeelte van een Frans genootschap, de Propagation de la Foi, gevestigd in Lyon en Parijs. In Nederland kreeg het bekendheid onder de naam ‘Voortplanting des Geloofs’.

De Fransen haalden geld binnen uit eigen land en daarbuiten. Elk jaar werd de opbrengst verdeeld onder de bisschoppen die op steeds meer plaatsen in de wijde wereld het ware geloof verspreidden. In 1874 schonk Nederland 90.000 Franse francs aan het genootschap.

Om in aanmerking te komen voor geldelijke steun aan een missie-bisdom moest de bisschop ten minste eenmaal per jaar van zich laten horen. Van hem werd verwacht dat hij in elk geval elke twaalf maanden een verslag en verantwoording van zijn activiteiten naar het Franse hoofdkwartier stuurde.

Verslag van Mgr. Ponsot

Joseph Ponsot (1803-1880), geboren in Vy-le-Ferroux ten noorden van Besançon, was vanaf 1840 apostolisch vicaris (missiebisschop) in de zuidelijke Chinese provincie Yunnan. Ponsot had zich aangesloten bij de Société des Missions de Paris, bij ons in die tijd bekend als de ‘vreemde missiën’. Op 27 juli 1874 stuurde hij zijn jaarverslag aan de ‘controle-raden van het genootschap tot Voortplanting des Geloofs’. Zijn brief werd, waarschijnlijk gedeeltelijk, in vertaling afgedrukt in de annalen van het genootschap.

Het verslag van Ponsot begon met een verontschuldiging. “Altijd een weinig laat zend ik u de tijding der voornaamste gebeurtenissen, welke in de loop van het jaar hebben plaats gegrepen”.

Moeilijke verbindingen

Vervolgens legde de prelaat uit waar de vertraging aan te wijten was. “Als oorzaak kan ik noemen dat onze dierbare missionarissen zeer ver van mijn standplaats verwijderd zijn.

Die koeriers hebben somtijds veertig dagen nodig voor de weg, welke mij van die van het westen der provincie scheidt. De afstand bedraagt tweehonderd mijlen, een gemiddelde dagreis bereikt zes tot zeven mijlen. Wanneer het regenseizoen invalt hebben zij veel oponthoud, daar de minste beekjes dan stortvloeden worden, die men niet zonder gevaar zou kunnen oversteken.

Voeg daarbij dat wij geen bevaarbare rivieren bezitten. Want de twee of drie stromen, welke Yunnan besproeien, lopen niet in deze richting. Spoorwegen zijn gans onbekend.

De missionarissen, die in het zuiden het evangelie verkondigen, zijn niet zo ver verwijderd. Nogtans bedraagt de afstand altijd honderd vijftig mijlen”.

Van de kwaliteit van het wegennet in zijn werkgebied moest je je vooral niet te veel voorstellen, legde Ponsot uit. “Onze wegen kunnen zelfs niet met de voetpaden in Frankrijk vergeleken worden. Verbeeldt u sporen van mensenvoeten, ter nauwernood zichtbaar, elkander volgende over de helling van zeer steile bergen. Men kan er vaak geen twee schreden rechtuit zetten zonder zich aan het gevaar bloot te stellen van in een afgrond te worden nedergestort. Zo zult u zich een denkbeeld kunnen vormen van de meeste wegen, die onze bergen doorsnijden”.

Corruptie

Ponsot gaf aan waarom de wegen zo slecht waren. De oorzaak was corruptie. “Met zeer geringe uitgaven zou men de wegen veel beter bruikbaar kunnen maken. Het gouvernement van Peking zondert wél ieder jaar sommen af, om te dien behoeve besteed te worden. Maar de grootmandarijnen sluiten de gelden in hun eigen koffers. Ze stellen zich tevreden met aan de grondeigenaars van ieder arrondissement het bevel uit te vaardigen de in gebruik zijnde wegen te verbreden en te vereffenen, een bevel dat op dezelfde wijze als dat van het gouvernement wordt nagekomen”.

Dus niet…

Moslim-opstand

In Yunnan en andere Chinese provincies was het al jaren behoorlijk onrustig. Als gevolg van de verzwakking van het bewind in Peking waren de moslims in veel gebied opstandig geworden. Het had de autoriteiten heel wat moeite gekost om de aanhangers van de islam enigszins in bedwang te houden.

“In de brief die ik u het vorige jaar toezond, kondigde ik u de inname aan van Dali door het keizerlijke leger. Daar deze stad het bolwerk van de mohammedaanse opstand was, werd de oorlog als geëindigd beschouwd. Ook zei ik u toen dat men voor het einde van het jaar naar alle waarschijnlijkheid de weinige steden en sterkten, die nog in handen der mohammedanen waren, zou hebben hernomen.

Dit is nu geschied, dank zij de ijver en het krachtig optreden van de opperbevelhebber der Chinese troepen, Iang-u-ko. Deze dappere officier tastte de opstandelingen zo krachtig aan dat zij binnen weinige maanden uit al hun posten verdreven waren.

Maar zoals het in China in het algemeen toegaat: de roem en gunstige uitslag hebben het hoofd van de overwinnende generaal dermate op hol gebracht dat het hof van Peking zich genoodzaakt zag hem naar de hoofdstad terug te roepen.

Zolang hij vermocht, weerstond Iang-u-ko aan een bevel, waarvan hij de vreselijke gevolgen zeer goed voorzag. Maar bedreigd van met geweld naar Peking te worden gevoerd, heeft hij besloten zich daarheen op weg te begeven. Om zijn hoofd te redden, doet hij zich door een grote hoeveelheid goud en zilver voorafgaan, een bewijs dat niet te weerleggen is, dat onherroepelijk beslist”.

De aanpak van de keizer, om zijn hoogste vertegenwoordigers te controleren, was volgens de Fransman gebruikelijk. “De politiek van Peking heeft te Yunnan en in verscheidene steden van de eerste rang een staatsgreep op touw gezet. Alle grootmandarijns zijn aan het hof ontboden, onder voorwendsel van voor hun diensten beloond te worden.

Die hoge staatdienaars, wetende wat hun te wachten stond, hebben Iang-u-ko nagevolgd en zich met goud en zilver beladen op weg begeven.

U ziet dat de keizer van China meer dan één middel ten dienste staat om zijn minister van financiën uit de nood te helpen. Het is een politiek aan de gekroonde hoofden van Europa nog onbekend, waarbij zonder veel omwegen over het leven en de fortuin der zeer toegenege onderdanen beschikt wordt”.

Europa kon op politiek gebied nog wat van China leren, was de stelling van de apostolisch vicaris van Yunnan.

Moslimleiders ‘zonder proces ter dood gebracht’

De hoogste bazen waren in Peking ter verantwoording geroepen. Lager gerangschikte mandarijnen, zoals ze genoemd werden in Europa, sloegen hun slag, ook in Yunnan.

“In de hoofdplaats der provincie is niemand achtergebleven dan de tsen-fou-tay, die tijdens de afwezigheid van de onderkoning het bestuur in handen heeft. Daar deze fortuinzoeker, welke niet zonder verdienste is, geen toezicht meer behoefde te vrezen, sloeg hij de hand aan de overgebleven muzelmanse hoofden. Vooral koelde hij zijn onverzoenlijke haat aan de marabouten, die hij zonder vorm van proces ter dood liet brengen. Op dit moment heerst er [dan ook] rust in de provincie”.

Missie profiteert van de onrust

De bisschop van Yunnan wist naar eigen zeggen te profiteren van hetgeen zich in de provincie afspeelde. “Wij maken daar gebruik van om onze vroegere posten te hernemen, in afwachting dat nieuwe veroveringen ons ten deel vallen.

Dit jaar kondigen zich talrijke bekeringen aan, en er heerst een sterk uitkomende beweging ten gunste van onze heilige godsdienst. Op vijf dagreizen van de hoofdstad zijn wij verplicht geweest een nieuwe school te openen om de catechumenen [nog niet gedoopte bekeerlingen] te onderwijzen, die reeds zeer talrijk zijn, en nog groter in getal zouden wezen, indien de twee missionarissen van dit district aan alle aanvragen konden voldoen.

Enige mandarijnen hebben getracht ons te bemoeilijken; maar omdat zij van mindere graad [lagere rang] waren en zich door de grootmandarijnen der hoofdstad niet gesteund voelden, hebben zij ons ten slotte met rust gelaten”.

Bekeerlingen werden vaak (financieel) gesteund. Dat maakte het aantrekkelijk om over te gaan naar het katholieke geloof. Maar als de missiekas leeg was, kwam er dan een einde aan de ‘bekeringen’.

De paters van de Vreemde Missiën hadden volgens het verslag vooral succes bij de oorspronkelijke bewoners van Yunnan. “De Y-jen, inboorlingen van het land, doen ons goede verwachtingen koesteren. De missionaris, die zich in hun midden bevindt, zal er eerstdaags een tiental, welke hij zelf onderwezen heeft, dopen, en hij bericht ons dat vele anderen zullen volgen.

De Y-jen zijn, naar het blijkt, de vroegere bewoners der provincie, misschien ook van China, die door de Chinezen naar de bergen zijn terug gedreven, waar zij zonder stoornis hun taal en hun zeden bewaren. De Chinezen verachten hen, en stellen slechts hun rijkdommen op prijs, die zij hun door alle mogelijke middelen afpersen. De reeds gedoopte Y-jen bezitten een zeer levendig geloof. Het doopsel doet de slagboom vallen, die hen van de Chinese christenen scheidt en, onder dit opzicht, bewijst het hun hier op aarde reeds een grote weldaad.

Geve God dat zij zich allen bekeren en de Kerk zal hen met dezelfde tederheid omarmen als hun trotse overwinnaars, op hun beurt door de banden ener zelfde liefde beteugeld!”

Seminarie

De al verleende subsidie uit Frankrijk had onder meer de bouw van een seminarie mogelijk gemaakt. “Het seminarie van de missie bevindt zich te midden van een kleine christenheid [dorp met uitsluitend katholieke bewoners] van vijfhonderd personen. Volgens mijn gewoonte begaf ik mij na de paastijd daarheen, om er voor de leerlingen de retraite te houden, en het H. Sacrament van het vormsel toe te dienen.

Ik had de troost op Hemelvaartsdag hieraan negentig personen deelachtig te zien. Het feest was luisterlijk. De kerk, de schoonste en grootste van het vicariaat, kon de christenen niet bevatten, die van alle zijden waren toegestroomd. Er was zingende hoogdienst, en ’s avonds plechtige zegen met het H. Sacrament.

Van waar die grote toevloed van mensen? Wat had er toe bijgedragen om aan dat feest die inderdaad buitengewoon plechtige toon te geven?

Alle eer komt daarvan toe aan de godvruchtige deelgenoten van de Voortplanting des Geloofs. Zonder juist een jaar van hongersnood te wezen, was het vorige toch zeer slecht. Verscheidene heidense familiën verkeerden weldra in de uiterste nood, en klopten te vergeefs [! HK] aan de deur der rijke heidenen. Zij werden integendeel goed ontvangen door onze christenen, die ze der liefdadigheid aanbevolen, welke gij ons vergunt uit te oefenen.

Wij haastten ons hen ter hulp te komen. En, met de bijstand van God, mochten wij niet slechts het leven van hun lichaam, maar tevens het veel kostbaarder leven hunner ziel redden”.

Geld geeft geloof

Ponsot: “Dit verklaart hoe ik in zulke kleine christenheid aan nagenoeg honderd personen het H. Vormsel heb kunnen toedienen. Nog eens, na God, komt aan de leden van de Voortplanting des Geloofs alle verdienste van deze nieuwe bekeerlingen toe, want God heeft zich van hun aalmoezen en gebeden bediend om ziel en lichaam van die arme heidenen te redden.

Onnodig te zeggen, mijne heren, dat zo onze hulpmiddelen overvloediger waren geweest, het aantal bekeringen, dubbel, ja drie dubbel had kunnen zijn”.

Het aantal bekeringen liep volgens Mgr. Ponsot dus evenredig met de hoogte van de uit Europa ontvangen financiële bijdrage.

Het jaarverslag, dat later dat jaar in Lyon arriveerde, liet dus duidelijk zien hoe belangrijk het was om ruimhartig te doneren om zieltjes in het verre oosten te winnen.