Brief uit de missie 112: Op weg naar Oeganda in 1907

0
518
handgeschreven brief

Zeker één keer maakten missionarissen en missiezusters een wereldreis. Dan vertrokken ze uit hun geboortestreek naar een land dat heel erg ver weg lag – bijvoorbeeld het Verre Oosten, een eiland in de Stille Oceaan, het koude noorden van het Amerikaanse continent waar de eskimo’s woonden of in het hartje van donker Afrika.

Op veel plaatsen, een eeuw geleden, hadden de Britten het nogal voor het zeggen. De Britse missie, Mill Hill, in 1866 gesticht door Herbert Vaughan (1832-1903), volgde de Britse veroveringen overal ter wereld. Heel wat Nederlanders sloten zich aan bij die congregatie die formeel St. Joseph’s Missionary Society heette. De Nederlandse hoofdvestiging bevond zich te Roosendaal in Noord-Brabant.

De Nederlandse paters werden evenals hun Britse collega’s met ‘father’ aangeduid. Father Schoemaker, afkomstig uit Haarlem, vertrok in 1907, 111 jaar geleden, uit Nederland om te gaan werken in Oesoga, dat deel van Brits Oeganda uitmaakte. Schoemaker had een goede pen. Zijn reisverslag en eerste ervaringen, in de Annalen van Mill Hill afgedrukt, zijn boeiend om te lezen. Zo gaf hij een interessante beschrijving van Port Said, ‘waar oost en west elkaar ontmoeten’.

Aankomst in Port Said

“Aan de ingang van het welbekende Suez-kanaal, dat bijna iedere reiziger passeert op zijn weg naar het oosten, verheft zich de havenstad Port Said, die het middenpunt vormt tussen de drie grote werelddelen Europa, Azië en Afrika.

Een lange zeereis voert de Europeaan uit zijn westerse beschaving over de Middellandse Zee en na dagen en dagen gedobberd te hebben tussen hemel en water bevindt hij zich opeens verplaatst in een oosterse stad, tussen oosterse mensen, met een oosterse omgeving: hij is aangeland te Port Said en staat op de drempel van het oosten. Hij is in de stad van allerlei nationaliteiten, van allerlei mensen, zeden en talen. Hij is in de stad die het verbindingspunt vormt tussen oost en west.

Komt een reiziger uit Indië, Perzië, China of Japan, hij houdt in de gloeiende hitte der Rode Zee zijn lichte oosterse kleding aan, maar gaat te Port Said aan wal en koopt zijn eerste Europese kleding en ondergoed. Gaat van de andere kant iemand naar het oosten, hij maakt van het oponthoud te Port Said gebruik, om zich lichte en luchtige kleren aan te schaffen.

De stad is een mengelmoes van westerse beschaving met oosterse gebruiken. Ruime straten met flinke winkels, door gas of elektrisch licht verlicht, herinneren u aan het westen, maar de stijl van de meeste huizen en gebouwen en de smerigheid der straten – macadam in het midden en hoge smalle trottoirs aan beide kanten – zijn beslist oosters.

De helft der mensen die je ontmoet zijn blank, en je denkt dat je rondwandelt in het Senegalezen-dorp der Luikse tentoonstelling of op het dorp der Abyssiniërs in het Amsterdamse paleis van volksvlijt. Maar de bedelende kinderen en lastig vallende mannen langs de weg benemen u die zoete illusie en duwen u op onprettige wijze in de werkelijkheid terug.

Een Europees politie agent zal u de weg wijzen, een pony-tram zal u vervoeren, maar het is door straten, waarin je mahomedaanse vrouwen ontmoet, met half bedekt gelaat en tal van Arabieren op blote bruine voeten.

Evenals aan het Scheveningse strand of in het Bloemendaalse bos ziet men heren – meest jonge – en enkele dames ezeltje rijden, doch even verder ontmoet u een paar kamelen, die dromerig door de straten stappen. Zo ziet men aan alle kanten, hoe in de stad Port Said oost en west elkander ontmoeten.

Men ziet dit al op eigenaardige wijze in de haven. Een Europees schip loopt binnen en van alle kanten komen kleine roeiboten aangezwermd, waarin roeiers met bruine dievengezichten, met lappengoed aan het lijf en een doek om het hoofd.

Men begint te denken dat de boot door die bruine duivels bestormd zal worden, en het heeft er wezenlijk iets van weg. Bij dozijnen klauteren ze aan boord en bieden u met radde tong hun waren aan, terwijl anderen u een plaatsje in hun boot aanbieden om u naar de wal te roeien.

Tegelijk komen logge bakken met kolen gevuld naar het schip om de steenkolenvoorraad te hernieuwen.

Een paar dozijn mannen zijn onder in de schuiten en scheppen de kolen in kleine ronde manden, die dan door een zestigtal of soms meer mannen in rijen worden gedragen naar de openingen die bestemd zijn om de kolen in te nemen. ’t Is een zwerm van zwarte mensen – de meesten in een korte vrouwenrok en blote benen – die daar werkt in een stofwolk, die het prachtige Europese schip bedekt en besmeurt.

Verslag van bezoek aan Port Said

De bevolking van Port Said, die tussen de dertig en veertig duizend mensen is, bestaat gedeeltelijk uit oosterlingen en gedeeltelijk uit Europeanen. Onder de laatsten zijn de Grieken zeer sterk, daar zij ongeveer zes duizend in getal zijn. Dan volgen de Italianen, Maltezen, Fransen enzovoort.

De Franciscanen hebben een eenvoudige maar goede kerk en hebben een parochie van 8.000 zielen, bijna allen onder de Europeanen, en de meesten onder de Italianen. Het is waarlijk een genot als men na een zeereis van veertien dagen neerknielt in de kerk der Franciscanen en ziet, hoe men overal ter wereld de troost heeft van Christus’ tegenwoordigheid in het H. Sacrament.

Dat men, vooral onder het Engelse gedeelte, alle soorten van protestanten vindt, spreekt van zelf. De Grieken behoren allen tot de schismatieke Griekse kerk en de Arabieren zijn allen mohammedaans.

Zo vindt men te Port Said de eigenaardige mengelmoes van nationaliteiten, talen, godsdiensten, zeden en gebruiken.

Men vindt er van alles, tot zelfs een speelbank à la Monte Carlo. Men ziet opschriften van Colman’s mosterd en verschillende Europese firma’s. Port Said in één woord is een samenraapsel van oost en west in de grootste verscheidenheid.

Doch hoe groot de verscheidenheid ook is, in één punt heerst er een merkwaardigheid van eenheid en eensgezindheid, die hierin bestaat dat allen, zo groot als klein, de vreemdeling trachten af te zetten, hetzij die komt uit het westen of uit het oosten.

De roeiers in de haven, die u drie stuivers vragen mogen, eisen zes en soms twaalf. De winkeliers geven u mindere waar en vragen hogere prijs. De koetsiers, gidsen, allen trachten u te overvragen.

En u doet het beste met de stad spoedig te verlaten, zodra u op voordelige wijze uw inkopen hebt gedaan, want u bent in de stad waar oost en west elkaar ontmoeten”.

Een revolutionaire ontwikkeling: spoorwegen in Afrika

In 1869 was het Suez-kanaal formeel geopend door Eugenie, echtgenote van de Franse keizer Napoleon III. Het schip, met de Mill Hill-father aan boord, kon vanuit Port Said dus relatief makkelijk richting Rode Zee varen. Vandaar ging het langs de Afrikaanse oostkust naar Mombasa, de havenstad van het huidige Kenia. Schoemaker maakte er in zijn reisverslag niet veel woorden aan vuil. “Men gaat als vroeger door de Rode Zee naar Aden en vandaar naar de oostkust van Afrika”.

Als je van daaruit verder wilde reizen was je vroeger nog niet jarig, besefte de Haarlemmer in 1907. “Wie een twaalftal jaren geleden als missionaris naar Oeganda ging – in groten getale zag men hen vertrekken – moest van uit de Afrikaanse oostkust per karavaan het binnenland in. Honderden dragers werden meegenomen. Over bergen en vlakten, door rivieren en moerassen, door bossen en wouden marcheerde men drie à vier maanden over smalle paden en wegen onder de brandende zon, totdat men eindelijk was gekomen in Oeganda, bijna in het midden van het zwarte werelddeel.

Gevaren dreigden aan alle kanten. Moeraskoorts en dysenterie moesten bestreden worden. Bijna iedere nacht kampeerde men onder de blote hemel en daarenboven was de reis ontzettend duur”.

Door de aanleg van een spoorlijn was reizen revolutionair veranderd. “Aangekomen in Mombasa koopt men een kaartje eerste klas voor 112 gulden en in drie dagen is men in Oeganda”.

Reizen per trein door Afrika

Op een aanschouwelijke manier legde Schoemaker vast wat hij meemaakte.

“De Oeganda-spoorweg, die van uit Mombasa dwars door Oost-Afrika naar het reusachtige Victoria Nyanza meer voert, is in vele opzichten uiterst interessant. Deze spoorlijn, die ongeveer 950 kilometers lang is, was in 1902 gereed en kostte ongeveer 85 miljoen gulden. Het is dus niet te verwonderen dat men u duur laat betalen voor uw bagage en vrachtgoed. Doch laten wij ons niet bezig houden met die huishoudelijke zaken, maar liever de trein eens bekijken.

Een aardig station met overdekt perron vinden we te Mombasa. Terwijl de vriendelijke Engelse stationschef ons alle mogelijke inlichtingen geeft, sjouwen de zwarte kruiers met onze bagage. De trein staat klaar en allen stappen in: de Europeanen in de eerste en tweede klas, de negers en indiërs in de derde.

In het begin had men voor de derde klas reizigers niets dan een soort open veewagens, met lage omheining, maar thans heeft men voor hen behoorlijke coupés, bijna hetzelfde als in Holland.

De eerste en tweede klas coupés zijn prettig ingericht. Het zijn kleine wagens van twee coupés en evenals bij een tram heeft men de deuren niet op zijde maar van achteren. Derhalve vindt men een zitbank aan beide zijden.

Ook voor de nacht heeft men ze uitstekend ingericht: men kan liggen op de banken en daarenboven kan men aan beide zijden een bed neerlaten, dat overdag bevestigd is aan de zoldering.

We kopen gauw wat Afrikaanse vruchten, want de treinreis duurt twee dagen en twee nachten, met een paar flessen spuitwater, en wachten op het fluitje van de stationschef.

Het was een prachtige vrijdagmorgen – 27 december 1907 – toen ik met drie medemissionarissen, waaronder de eerwaarde heer J. Hurkmans uit Den Bosch, om 11 uur vertrok uit Mombasa. Voortdurend klom de trein langzaam tegen de steile hoogten op, zodat we reeds een uur buiten de stad prachtige vergezichten genoten op de bergen en dalen langs de kust.

Langzaam ging de trein verder, ofschoon hij getrokken werd door een stevige machine. Hier en daar stonden groepjes negers en vermakelijk was het te zien, hoe enkele negers achter de trein aanliepen of op de loopplanken der bagagewagens gingen zitten.

In allerlei bossen kronkelde zich de weg. Over het algemeen was er weinig natuurschoon, bijna overal accaciabomen en doornbosjes, die het uitzicht belemmerden. Men kreeg een gevoel alsof men spoorde door een reusachtige, maar verwaarloosde tuin. De grond zag roodbruin en de dorpen waren uiterst schaars. Van tijd tot tijd ging de trein wat vlugger over een vlakte, over het algemeen was het echter langzaam klimmen.

Etenstijd

Tegen zeven uur in de avond bereikte de trein het station Voi, waar een uur oponthoud gegeven werd om het middagmaal te gebruiken. Restauratiewagens zijn er nog niet op de Oeganda-spoorweg. Zo ver is men nog niet. Maar men heeft de goede regeling dat de trein op geregelde tijden in bepaalde stations blijft stilstaan en wacht tot de reizigers klaar zijn met hun ontbijt of middagmaal. Wat een verschil met het vroegere karavaanleven.

Op ons gemak gebruikten we het middagmaal, liepen nog wat rond en kwamen weer fris in de trein terug.

Buiten was het pikdonker. In de coupé iets beter dan een nachtlichtje, en terwijl de trein voortrolde, zongen we vrolijke liedjes voor tijdpassering.

Deze keer geen leeuwen

Het eerst volgende station was Tsavo, zo berucht geworden bij de aanleg der spoorlijn. De lijn werd gebouwd door werklieden uit Engels-Indië. Alles ging goed, doch bij Tsavo kwam een kink in de kabel. Twee grote leeuwen hadden het gemunt op de arme werklieden, sprongen ’s nachts over de kampvuren – iets wat uiterst zeldzaam is – en sleepten hun prooi mee.

De werklieden gingen toen slapen in de wagens van de trein, maar ook hierin waren zij niet veilig, zodat het werk gestaakt moest worden.

Een expeditie van jagers trok uit om jacht te maken op de twee geweldige dieren en doodde ze. Alsdan kon men doorgaan doch drie weken lang had het werk stil gelegen. Later is zo iets niet meer voorgevallen en ook thans is men veilig in de trein.

Door natuurpark

Met dezelfde nieuwsgierigheid echter, waarmee men in Zaandam het Czaar Peter-huisje aanziet, keken we uit het raam in Tsavo, ofschoon er niets te zien was.

Toen rolden we ons in de reisdekens om te slapen, want de nachten zijn hier koud. Dwars voerde de trein ons die nacht door het grote leeuwen-district, doch we hoorden het gebrul van de dieren niet. Of de trein te veel leven maakte, of de leeuwen niet brulden, of we zelf misschien al te vast sliepen, laat ik in het midden.

De volgende morgen – zaterdag – snorden we door de uitgestrekte Athi-vlakte, die meer dan 200 kilometers lang is. Het is een van de interessantste spoorlijnen der wereld. Overal ziet men wild grazen op de vlakte: hier een groep gazellen en antilopen, daar een kudde zebra’s. Wat verder staan een paar giraffen met de koppen hoog in de lucht, terwijl overal grote wilde ganzen, eenden en gieren rond vliegen. Dicht bij de Athi-rivier stak een groep gazellen vlak voor de locomotief de spoorbaan over.

Buitengewoon vreemd is het deze dieren zo dicht bij het spoor te zien, soms maar een paar honderd meters van u af. Men moet wel weten dat het streng verboden is op de dieren te schieten. Hutten of dorpen ziet men in deze vlakte bijna niet.

Nairobi

Ongeveer half twaalf waren we de vlakte uit en kwamen te Nairobi, een der voornaamste plaatsen van Oost-Afrika, waar zich een prachtige katholieke kerk verheft vlak bij het spoor. Er is hier een aardig station met zinken dak, vrijwel Europees ingericht. Ook hier bleef de trein geruime tijd stilstaan voor een middagmaal.

Zodra de trein Nairobi achter de rug had, veranderde het landschap als bij toverslag. Prachtige heuvels en dalen aan weerszijden van de weg en een uiterst vruchtbare grond. Overal verrezen de hutten en zag men de negers aan het werk in hun mais-plantages, aardappelvelden en koffie-plantages. Het was hier het vruchtbare land van de stam der Wakikuyn en aan alle kanten zag men negers op de trein afkomen. Over het algemeen wilde en woeste gezichten, terwijl hun kleding bestaat uit een soort van vel. In hun oorlellen hangen zij grote sieraden, die het vlees doen uitrekken.

Verwelkoming door Mill Hill-missionarissen

Het landschap werd hoe langer hoe mooier. De trein reed langs hellingen, die ons dalen deden zien vier à vijf honderd meters onder ons in de diepte, totdat wij tegen zes uur in de onvruchtbare vlakte van Naiwasha kwamen. Hier bevonden wij ons in ons eigen missiegebied. Aan het station Naiwasha werden we verwelkomd door de eerwaarde heer L. Plunkett, die gevestigd is in onze eerste missie-statie. Die avond ging de reis door grote vlakten, waar aan alle kanten grote vuren brandden. Het heigras werd afgebrand. Het was werkelijk een groots gezicht, want op vele plaatsen verhieven de vlammen zich meters hoog en verspreidden een spookachtig licht.

Om 8 uur was Nakuru bereikt en daarmede het einde van de vlakten en de vuren. Die zaterdag-nacht ging het over bergen en door de Mau-bossen en bereikten we een hoogte van 3.000 meters. Het was verbazend koud die nacht. Het water was ijskoud, maar in de morgen daalden we bijna 2.000 meter, zodat het weer heet was, toen we zondags morgens om 9 uur het eindstation Kisumu binnen stoomden en aldaar hartelijk verwelkomd werden door G. Brandsma uit Bolsward, die ik in 1899 had zien vertrekken naar de missie en nu wederom aantrof in uitstekende gezondheid.

Eindpunt Oeganda

Het laatste gedeelte der reis was geweest door het land der Masai, een der woeste stammen van Oost-Afrika.

Over het algemeen is deze reis buitengewoon prachtig, maar vreselijk stoffig. De natuur is heerlijk en als men links de Kilimanjaro ziet, 7.000 meter hoog en rechts de Kenia (6.000 meter), beide met sneeuw bedekt, kan men nauwelijks geloven dat men in Afrika is.

Een flinke stoomboot bracht ons in een dag over het meer, een afstand van ruim 250 kilometers. Oeganda was bereikt”.