Brief uit de missie 113: Pater Van Mansfeld als aalmoezenier bij het Britse leger in Kashmir (1895)

0
516
Handgeschreven brieven

Franciscus Xaverius van Mansfeld (1864-1941) was afkomstig uit Bergen op Zoom in Noord-Brabant. Als missionaris van Mill Hill werd hij gestationeerd bij de Britse troepen die aan het einde van de negentiende eeuw het noordwesten van Brits-Indië probeerden te pacificeren. Aan de noordkant van het vooral door moslim-stammen beheerste gebied traden de Russen op. De strijd tussen de twee grootmachten ging de geschiedenis in als de ‘great game’.

Van Mansfeld was niet de enige Nederlandse missionaris in het gevaarlijke gebied. “Vijf Hollandse Fathers zijn er werkzaam als aalmoezeniers van het Anglo-Indische leger’, was in augustus 1896 te lezen in de Annalen van het missiehuis van Rozendaal. “Deze zijn door het [Britse] gouvernement erkend en worden zeer geacht door de officieren, waarmee zij in voortdurende aanraking zijn”.

Het blad gaf meer informatie over de situatie ter plekke. “Het missieveld omvat de noordelijkste punten van Engelands uitgestrekte bezittingen in Voor-Indië en wordt slechts door een gedeelte van het reusachtige Himalaya-gebergte van Ruslands grondgebied gescheiden. Om die reden heeft de Engelse regering in de provincie Punjab verschillende garnizoensplaatsen en forten”.

Father D. Reijnders (1845-1899) uit Zevenaar had als apostolisch prefect de leiding over de missieactiviteiten in de gebieden die omschreven werden als Kashmir en Kafiristan.

Ervaring in het leger

Halverwege de jaren negentig van de negentiende eeuw had Franciscus Xaverius (vernoemd naar de missie-pionier in Azië) aardig wat ervaring opgedaan in de streek. Hij was al negen jaar ‘veldkapelaan’. Wanneer hij de troepen vergezelde deed hij dat in de zelfde donker-gele kleding als de gewone soldaten. De pater wist waarom.

“Toen ik mijn eerste expeditie maakte, had ik dit soort voorzorgmaatregelen niet genomen. De droevige gevolgen bleven niet uit. Nauwelijks waren wij enige dagen op mars, of mijn zwarte jas werd door de dichte stofwolken, het voortdurend transpireren en de veelvuldige regens zo vuil en morsig, dat ik meermalen met mij zelf verlegen was.

Dit was het enigste nadeel niet. Spoedig bleek mij dat het dragen van zwarte kleren in oorlogstijd een levensgevaarlijke mode was. Dit ondervond ik toen ik een afdeling vergezelde, die was uitgezonden om een inlands dorp te omsingelen.

De bewoners hadden hun hutten verlaten en zich in de omringende bosjes verscholen. Terwijl wij hen passeerden schoten zij enige kogels af, die blijkbaar uitsluitend voor mij waren bestemd. De inboorlingen, die mij onder zovelen in het zwart zagen, meenden stellig dat ik een hoofdofficier was. Geen wonder dus dat zij mij tot mikpunt uitkozen. Het geluk was mij gunstig, of liever: mijn engelbewaarder beschermde mij tegen de vijandelijke kogels, die mij meermalen rakelings en fluitend langs het hoofd suisden”.

Voorbereidingen voor nieuwe expeditie

De paters kwamen regelmatig onder leiding van overste Reijnders bij elkaar. Tijdens zo’n retraite in maart 1895 kwam het bericht binnen dat er meteen troepen naar Chitral gestuurd moesten worden – een noordelijke plek in het huidige Pakistan, niet ver van de grens met Afghanistan nu. Britse troepen werden er belegerd en moesten zo snel mogelijk ontzet worden. De pater uit Bergen op Zoom bood per telegram aan de troepen als vrijwilliger van dienst te zijn. Zijn aanbod werd geaccepteerd.

Van Mansfeld wist dat hij kleding in de juiste kleuren moest dragen. Voor de rest was het afzien. “Wegens het beperkt aantal transportdieren mochten wij slechts weinig bagage meenemen”. Voor dat soort gelegenheden had hij wél een klein altaar bij de hand. “Ik moest zorgen voor mijn draagbaar altaar – het geschenk van een milde dame uit Bergen op Zoom. Dit altaar heeft mij al heel wat onschatbare diensten bewezen en vergezelt mij trouw op al mijn tochten. Vanwege zijn geringe afmetingen kwam het mij ook nu goed van pas”.

Het hulpmiddel om de mis op te dragen was volgens hem dringend nodig: “Iets in de vorm van een altaar, zelfs een gewone tafel, zoekt men vergeefs bij de inboorlingen”.

Omdat er haast geboden was kon er verder niets worden meegenomen. “Wegens gebrek aan voer moest ik mijn paardje op stal laten en alle marsen te voet afleggen. Om geen tijd te verliezen mocht niemand een tent of veldbed meenemen”.

Wat dat betekende werd snel duidelijk. “Het waren lange, afmattende tochten. ’s Avonds sliep iedereen – van de generaal af tot de trommelaar – op de harde, steenachtige bodem. Onder de blote hemel zochten wij enige verkwikking en rust voor het vermoeide lichaam, om de volgende morgen welgemoed een nieuwe tocht te beginnen”.

Eerste gevechten

Het oprukken van de Britten verliep niet ongestoord. Integendeel. “Wij moesten een bergketen passeren die door 10.000 vijanden bezet was”. De missionaris omschreef de gang van zaken als ‘ontzettend zwaar werk’. De berg was immers meer dan steil – zo ‘steil als een muur’. “Op verschillende plaatsen moesten de manschappen elkaar opheffen”. En dan te bedenken dat er niet eens een gewone weg naar boven was.

De troepen onder Europees commando wisten het gevecht toch snel tot een goed einde te brengen. “Na een goed onderhouden geweervuur van ruim vier uur was de berg in onze macht. Die nacht werd de top door onze troepen bezet”. Maar niet zonder slachtoffers, veel doden en gewonden.

Veldkapelaan aan het werk

De Nederlandse veldkapelaan besefte dat de tijd om op te treden gekomen was. “Ik hielp de heelmeesters zo goed ik kon, sprak de gewonden moed in, laafde hun dorstige en koortsige lippen en deed wat een priester in zulke omstandigheden doen kan”.

De Britse troepen trokken verder. Van Mansfeld nog niet. “Onze brigade ontving bevel de doden en gewonden weg te brengen naar een kamp op anderhalf uur afstand. Ik bood aan de gewonden te vergezellen”.

Het was een extreem zware dag geweest. Iedereen was dood- en doodmoe. “Nooit zal ik die nacht vergeten. Uit vrees voor een vijandelijke overval werden wij door enige soldaten geëscorteerd. Iedere gewonde werd in een soort hangmat door vier inboorlingen gedragen. Slechts uiterst langzaam vorderde deze sombere stoet. De dragers hadden een zware taak achter de rug en waren zo afgemat dat zij hun last iedere twee minuten moesten neerzetten”.

De soldaten voelden er niets voor bij de gewonden te blijven hangen. In het donker slaagden ze er in zich van ons te verwijderen en lang vóór ons het kamp te bereiken. Weldra was ik de enige die deze treurige groep vergezelde”.

De Noord-Brabander in het verre Kashmir, 32 jaar, was in feite de direct verantwoordelijke geworden. “Bij elke schok kermden de gewonden van pijn, terwijl de dragers van vermoeidheid onwillig werden. Ik bemoedigde hen op alle manieren, dreigde hen zelfs met de kolf van het geweer, dat ik van een der soldaten, die te vermoeid was, had overgenomen. Toch duurde het uren voor wij het kamp mochten bereiken.

Onderweg werd ik plotseling opgeschrikt door een vreselijk geraas achter ons. Ik dacht dat de vijand ons overviel. Het geweer, dat ik droeg, was met zeven patronen geladen. Ik keerde mij om, vast besloten om ons leven zo kloek mogelijk te verdedigen. De duisternis belette mij een hand voor mijn ogen te zien.

Het gedruis kwam nader, totdat ik een dier, zo snel als de oneffen weg het toeliet, voorbij zag snellen. Ik haalde weer vrijer adem, en was innig blij dat ik uit zelfverdediging geen gebruik van mijn wapen behoefde te maken.

Het was middernacht toen wij het kamp bereikten. Ik gebruikte mijn rantsoen – mijn eerste maaltijd sedert 8 uur ’s morgens – en sliep weldra in op mijn bed van steen. De volgende morgen werden de doden begraven”.

Verder naar Chitral

Pater Van Mansfeld haalde de gewone troepen in. “Wij passeerden de berg, die gisteren het toneel van de verwoede strijd was, en trokken dieper het vijandelijk grondgebied binnen. Na twee dagen moest onze brigade wederom de voorhoede vormen. Wij kampeerden op de velden, waarvan het groene koren voor de lastdieren werd afgemaaid en sliepen op de doorweekte bodem, die door een geweldige regen in een moeras was herschapen. De levensmiddelen konden niet zo snel vervoerd worden als wij voort trokken, zodat wij gedurende twee dagen bijna niets te eten hadden”.

Op 7 april 1895, palmzondag, kon de priester eindelijk zijn draagbare altaar tevoorschijn halen. Maar vergeefs. “Ik stond juist op het punt om de soldaten bijeen te roepen tot het bijwonen der H. Mis, toen de vijand plotseling begon te vuren op een afdeling genietroepen, die bezig was een brug over de rivier te werpen.

Onmiddellijk werd onze gehele brigade te wapen geroepen en de genietroepen ter hulp gezonden. De berg-artillerie, die de kanonnen op muildieren vervoerde, bombardeerde de vijand aan de overzijde, terwijl de infanterie hen met een stortregen van kogels beschoot. Intussen zwommen de cavaleristen over de rivier en dreven, beschut door het vuur der onzen, weldra de vijand uit zijn stellingen”.

Ook die hindernis werd dus genomen.

De laatste loodjes

Het oprukken ging niet zonder onaangenaamheden. “De gehele landstreek die wij nu moesten doortrekken, was één reusachtig moeras. Het vuile, zwarte slijk en modder reikten ons tot aan de borst. Wat zou ik blij geweest zijn als ik bij onze aankomst in het kamp even onder een flinke, Hollandse pomp had kunnen staan.

De volgende morgen staken wij opnieuw de rivier over en kampeerden aan de overzijde. Velen kunnen zich onmogelijk een denkbeeld vormen van zulke bergstromen. Deze bestond uit vijf armen en ofschoon het water slechts tot onze borst reikte, was toch de stroming zo sterk dat velen werden meegesleept en jammerlijk in de golven verdronken.

Na ons rantsoen gebruikt te hebben, ging de tocht verder noordwaarts, nu en dan gestuit door onwaadbare rivieren”.

Technische voorsprong

In één opzicht hadden de Europese troepen een voorsprong op de mensen die zij met het woord ‘inboorlingen’ aanduidden. Uit het verslag van de missionaris blijkt dat zij per telegraaf met elkaar konden communiceren. Bovendien beschikten ze over moderne wapens en konden in recordtijd bruggen bouwen.

Franciscus Xaverius: “Het is werkelijk interessant de genie-troepen aan het werk te zien. Telegraafdraden en -palen is alles wat zij nodig hebben om binnen twee dagen een brug te slaan, sterk genoeg om een geheel regiment over een brede bergstroom te laten trekken”.

Aankomst in Chitral

Het omsingelde Chitral werd van twee kanten tegelijk ontzet. Tegen zoveel geweld waren de plaatselijke bewoners (‘vijanden’) niet opgewassen.

In het blad van de missie van Rozendaal kon je dan ook lezen: “Schermutselingen hadden nu nog slechts zelden plaats. De macht van de vijand was gebroken en spoedig bereikte ons het heugelijk bericht dat Chitral ontzet was door een tweede veel geringer legermacht, die een meer oostelijke richting gekozen had.

De weg die wij gevolgd hadden, was vóór ons door geen enkele Europeaan betreden.

Ofschoon wij de voldoening niet mochten smaken om zelf het garnizoen te ontzetten waren toch onze pogingen niet vruchteloos geweest. Want bij onze aankomst was de meerderheid der vijanden verplicht ons te bestrijden en daarom genoodzaakt Chitral te verlaten. Hadden wij dus de vijand niet in het noorden aangetast, dan zou de andere afdeling de weg versperd gevonden hebben en onmogelijk in staat zijn geweest zo spoedig Chitral te ontzetten.

Rust in Chitral

Het doel was bereikt. “Nu brak een vrij eentonig tijdperk aan. Wij moesten vijf maanden lang het land bezet houden, totdat een geregelde weg was aangelegd en de rust was wedergekeerd. Nu ontvingen wij onze tent en verdere bagage en konden het ons dus wat geriefelijker maken, al was het nog verre van een paradijs-leven zo vijf maanden lang in een kleine tent te moeten verblijven, blootgesteld aan hevige stormen, afgewisseld door een brandende hitte van 110 graden [43 graden Celsius] in de schaduw.

Toch werden wij er voortdurend aan herinnerd dat wij in een vijandelijk land waren. Elke nacht werd ons kamp beschoten, wat nu juist niet kalmerend werkt voor een aangename nachtrust. Enige meer ondernemende luidjes gingen nog verder, zij maakten zich meester van enige kleinere holle telegraafpalen, vulden deze met spijkers, stukjes ijzer enz. en schoten ze daarna op ons kamp. Deze projectielen maakten een vervaarlijk geraas, maar bleken zeer onschadeljk te zijn”.

Troost voor het priesterhart

Eenmaal in het stadje tussen de hoge bergen gearriveerd kon de geestelijke enigszins over gaan tot de orde van de dag. “Natuurlijk moet een priester, die vijf maanden lang in een dicht ineengedrongen kamp verblijft, veel ontberen. Toch heeft ook dit leven zijn ogenblikken van troost en opbeuring. Welk een troost voor het priesterhart, ’s zondags de H. Mis te mogen opdragen in de open lucht, omringd door de katholieke soldaten en officieren, godvruchtig rondom het altaar neergeknield, meestal met een der officieren tot misdienaar. En dan de eerbied die de manschappen de priester betonen wanneer zij hem bij zich zien, als doodsgevaar met al zijn verschrikkingen hen aangrijnst. Dat vergoedt ruimschoots het doorstane leed”.

De Brabander gaf nog een aardig voorbeeld over zijn ervaring als veldkapelaan. “Bij een vorige expeditie was ik bij een compagnie van een Iers regiment. Wij moesten plat op de grond liggen totdat een andere afdeling de vijand in de flank zou aantasten. Terwijl een dichte regen van kogels over onze hoofden heen vloog, overal dood en schrik verspreidend, zag een Ier mij aan zijn zijde en riep aanstonds zijn vriend toe: ‘Er is geen gevaar, Jan. De aalmoezenier is bij ons’”.

Eind goed al goed

De Britten leken in 1895 in het verre noordwesten van Brits-Indië bereikt te hebben wat ze hadden willen bereiken. De missionaris kon terug naar zijn gewone missiepost. “Eindelijk kwam het welkome bevel om het land te verlaten. Welk een verandering bespeurden wij op onze terugtocht. Overal had de beschaving, geleid door de Engelse ingenieurs, haar stempel gedrukt.

Een bergpas, die wij in april met licht-beladen muilezels in minder dan zeven uur niet konden overtrekken, konden wij thans in galop met wagens en karren passeren.

Een ieder verlangt naar huis, naar tafels en stoelen en de duizenden gemakken van het dagelijks leven, die men het beste leert schatten als men ze een tijdlang heeft moeten ontberen. Ik voor mij zag reikhalzend uit naar grotere voorrechten, naar een kapel, een altaar en het voorrecht der dagelijkse mis.

Na dagen lang geduldig onder een brandende zon gemarcheerd te hebben, brak eindelijk die blijde stonde aan. Toen ik het geluk had Father Waterreus en Father Rombouts te begroeten, verheugde zich mijn hart als het hart van de H. Paulus bij het weerzien van Titus”.

Een terugblik

Een jaar later besefte Franciscus Xaverius dat hij ook die expeditie overleefd had. “Zo dikwijls als ik in mijn geest de gebeurtenissen van die zes maanden doorloop, en denk aan de velen die wij moesten achterlaten en die in dat woeste onherbergzame oord begraven liggen, en aan de anderen, die thans voor jaren, misschien voor altijd zijn verminkt, terwijl ik zelf ongedeerd bleef te midden van zovele gevaren, welt een dankbaar Deo Gratias op tot God, die mij zo zichtbaar beschermd heeft”.