Brief uit de missie 114: Een eenzame dood in Namibië

Namibië heeft een bijzondere vorm. In het noordoosten is een smalle strook land, die Botswana van Angola scheidt. In het noorden stroomt bovendien een grensrivier, de Okavango. Tegen het einde van de negentiende eeuw kwam het gebied, evenals de rest van het huidige Namibië, in handen van het jonge Duitse keizerrijk en werd Zuidwest-Afrika genoemd. Aan de Duitse aanwezigheid kwam tijdens de Eerste Wereldoorlog een einde.

Katholieke paters volgden de Duitse kolonisten. In 1936 keek een redacteur van het missieblad van de Oblaten terug op het begin van de missie in het noordelijke Duitse gebied. Hij noemde het ‘een der schoonste bladzijden in de geschiedenis der missiën en toont ons hoeveel lijden en offers onder alle klimaten een stichting kan eisen’.

Moeilijke start

De missie in de Duitse kolonie had geen gemakkelijke start. “In 1896 kwamen enkele missionarissen oblaten naar Windhoek, hoofdplaats der toen Duitse kolonie van Zuidwest-Afrika. Ze hielden zich vooral bezig met de Duitse kolonisten en soldaten. Maar zodra zij in 1897 hun kapel-woning in plaatijzer voltooid hadden, zochten zij aan hun vurig verlangen om bij de inboorlingen een missie te stichten gevolg te geven.

In de omstreken van Windhoek en aan de kust waren de voornaamste plaatsen bezet door de protestantse missies, die er sinds lange tijd gevestigd waren. In Ovambo-land echter was de protestantse invloed nog niet zo groot. Daar zou men dus beginnen.

Achtereenvolgens in 1897, 1899 en 1900, werden drie expedities daarheen uitgezonden, maar alle drie mislukten. De ossen stierven aan runderpest en de missionarissen werden door hevige koortsen aangetast. Deze smartelijk mislukte pogingen hadden de geldmiddelen der missie uitgeput en de missionarissen zagen zich verplicht van een vierde expeditie af te zien”.

Nieuwe mislukking in 1903

Vertegenwoordigers van de katholieke Kerk lieten zich echter niet ontmoedigen. “Een katholieke beambte van het Duitse gouvernement bracht de tijding dat een chef, Himarua, aan de Okawango-rivier, hem schriftelijk beloofd had de katholieke missionarissen goed te ontvangen en ze in alles te helpen”.

Op 12 januari 1903 vertrok een nieuwe Duitse missie-expeditie naar het noorden. “Na ongelooflijke moeilijkheden en vermoeienissen kwamen de missionarissen op 14 maart aan bij de Okawango-rivier. Met een zwaar beladen wagen, door 20 ossen getrokken, hadden ze 820 km moeten afleggen over bergen en zandheuvels, door moerassen en struikgewas. Dikwijls hadden ze de wagen moeten ontladen en stenen of balken onder de wielen leggen, om hem uit de diepe modderpoelen te trekken.

Men werkte dag en nacht onder een zware regen. Eens braken de ossen een dissel en men moest heel ver een boom gaan zoeken om hem te vervangen. Soms was men verplicht slechts de helft van de lading een eind weegs te vervoeren om daarna de andere helft te gaan halen, waardoor de weg driemaal langer werd. ’s Nachts werden ze overvallen door schorpioenen en grote, gevaarlijke spinnen”.

Hoe blij waren de Duitse paters toen ze eindelijk hun missiegebied wisten te bereiken. “In de eerste mis, die wij in onze tent aan de oever der Okawango celebreerden”, schreef pater Filliung, “welke dankzeggingen stegen op tot God! We waren grote en talrijke moeilijkheden tegengekomen maar God en de Onbevlekte Maagd hadden hun missionarissen niet verlaten”.

De missionarissen hadden echter te vroeg gejuicht. “Chef Himarua wilde hen, ondanks zijn schriftelijke toelating en belofte van hulp, niet ontvangen. Het was een oude man, verslaafd aan de drank, een valsaard en dief, die slechts ammunitie, geweren en paarden zocht te bemachtigen voor zijn jacht op de slaven en voor een oorlog tegen de blanken”.

De gedwongen terugtocht was een ramp. “Pater Biegner, door vermoeienissen uitgeput en door een hevige koorts aangetast, stierf 16 april 1903 in de ouderdom van nog slechts 29 jaren en 8 maanden. Hij werd onder een boom begraven”.

Er was bovendien een gebied van 120 kilometer, dat de naam ‘dorst-streek’ had gekregen – een streek zonder water. “Men zou dag en nacht reizen om de ossen niet van dorst te laten omkomen”. Een ‘inlander’, die hulp zou gaan halen, kwam niet meer terug. Een van de paters reisde hem tientallen kilometers achterna.

“Toen ik te Buschmanswerft aankwam, trof ik mijn hottentot aan het feestvieren met een talrijk gezelschap. Grote stukken ossenvlees hingen aan de bomen”.

De Europeanen waren door hun helper in de steek gelaten. Toen ze eindelijk terug waren in de stad van waaruit ze een half jaar eerder vertrokken waren, was het voor een van hen te laat. “De gezondheid van broeder Reinhardt bleef wankelend en toen hij te Windhoek terug was, stierf hij aan een nieuwe koortsaanval in het einde van augustus 1903 in de ouderdom van 24 jaar.

Moge de goede God deze offers aanvaarden en in ruil weldra het kruis van Jezus Christus laten heersen aan de boorden van de machtige Okawango-stroom!”

Doorgaan tot het bittere einde

De Oblaten wisten van geen opgeven. Ze gingen tot het bittere einde door. Hoe bitter dat was bleek weldra.

Missieoverste Nachtwey trok eerst zelf naar het noorden van Zuidwest-Afrika om te onderhandelen met een stamhoofd. Nachtwey ging niet alleen. “Hij volgde een militaire expeditie naar de Okawango-rivier en onderhandelde daar met de chef van Andara, Libebe, die er in toestemde de missionarissen in de volgende lente te ontvangen”. Gesteund door goed-bewapende soldaten had de overste een sterke onderhandelingspositie. Hij liet een foto van zichzelf ter identificatie achter. In Windhoek was men ervan overtuigd dat men aan de rivier eindelijk het ware geloof kon gaan verbreiden.

Het missieblad van de Oblaten deed verslag van twee expedities die de bijna duizend kilometer lange reis naar het grensgebied met Angola aflegden.

In 1907 onderzocht men voor alle zekerheid ‘of Libebe nog in dezelfde gesteltenissen was’. Dat bleek het geval te zijn. Een paar maanden later vertrok zodoende de eerste van twee nieuwe karavanen. De eerste, met weinig bagage, had een verkennend karakter.

Een van de paters, Franz Lauer, hield een dagboek bij. Daarin noteerde hij dat men de dorststreek deze keer goed was doorgekomen. Verderop, in de moerassen, was het minder aangenaam. “Het is vreselijk, deze regen zonder ophouden! De levensmiddelen bederven. Onze kleren en dekens worden niet meer droog. Gedurende de nachten komen de muskieten ons aanvallen in onze tenten. Onmogelijk te slapen. Onze tent kan aan zulke stortregens niet weerstaan. En daarbij een verstikkende hitte”.

In het tijdschrift was te lezen: “Zes weken, waarin elke dag zijn lijden en zijn kruisen bracht. Maar eindelijk bereikte men toch het doel. Op 6 januari 1909, feest van de roeping der heidenen, kampeerden de missionarissen aan de oever van de Okowango. De chef Libebe ontving ze goed”.

Volgens afspraak bleven de de Duitser Kurz en pater Lauer achter en zouden de anderen terug gaan om met versterkingen en goederen definitief een missiepost in het Andara-gebied op te zetten. De Duitsers, op enorme afstand van de hoofdstad, werden deze keer niet beschermd door militairen.

Missionaris Franz Krist overleefde de terugtocht niet. “Vrijwel meteen werd hij lastig gevallen door koortsen en weldra vertoonden zich de verschijnselen der zwart water-koorts. Onmogelijk de zieke de nodige verzorging te geven. Men was ver van alle menselijke woning, onder een tent die niet tegen de zware stortregens bestand was. Pater Krist stierf op 9 februari 1909 in de armen van broeder Langehenke. Na hem in het struikgewas begraven te hebben, vervolgde de arme broeder alleen de weg – men kan zich voorstellen in welke gevoelens. Alleen de gedachte dat de missie der Okowango gesticht was bracht enige troost. Pater Krist was het derde slachtoffer. Hij was slechts 33 jaar oud”.

Een van de nieuwe missionarissen, die zich samen met Lauer zou gaan inspannen, was de Oblaat Gotthardt. Na de lange reis, met regen, moerassen en koorts, arriveerde de pater met zijn compagnons en goederen in Andara. “Reeds omringden de lieden van Libebe de wagen, maar hun blikken voorspelden niets goeds. Waarom kwam pater Lauer zijn confraters niet te gemoet? Hij moest toch weten dat ze daar waren. Waarom ten minste geen groet van hem als hij ziek was? Was hij afwezig?

Maar neen. Op alle vragen antwoorden de zwarten dat de blanken nog daar waren Vooruit dus!

‘Weldra’, verhaalde pater Gotthardt, ‘zagen wij op een klein eiland de chef Libebe, omringd van zijn lieden. Trommels roffelden, kreten doorscheurden de lucht. Een prauw kwam ons halen’”.

Eindelijk kregen ze te horen hoe het hun voorgangers gegaan was. “Dood, allebei dood. De blanke [Kurz] stierf het eerst, daarna de missionaris [Lauer]. Het is al lang geleden, want sinds is de maan al tweemaal verdwenen”.

Vanzelfsprekend voelde Gotthardt zich persoonlijk bedreigd. “Sprak men waarheid? Waren ze een natuurlijke dood gestorven of waren ze vermoord? En wat zou ons lot zijn? Libebe vroeg mij bij hem te blijven en mijn gezellen met de wagen vooruit te zenden.

Dat durfde ik natuurlijk niet wagen. Misschien wilde men ons scheiden om ons gemakkelijker afzonderlijk te doden. Wij keerden dus naar de wagen terug en vervolgden onze weg, omringd door de zwarten, die we goed in het oog hielden”.

“Twee uren daarna knielden de reizigers diep ontroerd op het graf van pater Lauer. Het was de vooravond van Pinksteren 1909”, werd anno 1936 in het maandblad afgedrukt.

Het dagboek van pater Lauer

In de spullen van de omgekomen missionaris ontdekte Gotthardt wat zich afgespeeld had in de maanden daarvoor. In een kist vond hij het dagboek dat Lauer had bijgehouden.

Op 27 januari 1909 noteerde de missionaris: “Pater Krist en broeder Langehenke waren nauwelijks vertrokken of Libebe bracht ons met heel zijn hof een bezoek. Het was om te bedelen. Hij begon met complimenten, noemde mij de ‘goede’, bij wie alle andere blanken gierigaards waren, en verzekerde mij zijn oprechte vriendschap. Ik kon hem vragen al wat ik wilde, melk elke dag, en later zou hij zelf voor ons kosteloos onderhoud zorgen.

Het waren slechts mooie woorden.

Ik viel ziek met een koorts van 40 graden, die een week lang aanhield.

Libebe kwam terug met zijn generale staf en bood mij horens aan te ruilen tegen koopwaren. Toen ik hun zei dat mijn toestand mij niet veroorloofde op te staan om hun te geven wat ze verlangden, toonden ze zich zeer beledigd”.

Het stamhoofd voelde zich sterk tegenover de steeds verder verzwakkende blanke Europeaan. “Geen vlees, geen vis. Nu en dan zond Libebe wat melk, die ik om de bittere smaak, als die van het water van de rivier, haast niet drinken kon”.

Lauer verzwakte maar hield zich nog sterk. “Ik heb Libebe tabak geweigerd. Bij elk bezoek vraagt hij me twee tabletten. Hij ging heen zonder te groeten”. En een paar dagen later: “Libebe kwam mij zout, suiker, een stuk laken en geld vragen”.

Lauer had weinig hulp van zijn landgenoot, wiens gezondheid snel achteruit ging. Hij leed aan dysenterie en deed niets anders dan klagen. Eind februari kreeg hij de laatste sacramenten toegediend. “De grote hoeveelheid kinine die hij gebruikt heeft om zich tegen de malaria te vrijwaren, heeft hem geheel ontzenuwd. Hij is niet meer normaal. Hij wil noch vlees noch rijst”.

Op 10 maart overleed de Duitser.” Ik heb het lijk van Kurz in dekens genaaid en het laten begraven in de tuin. Ik kon het niet vergezellen. Libebe heeft mij de dienst der begrafenis goed laten betalen”.

In die dagen noteerde de pater in zijn dagboek: “Welke vreselijke dagen heb ik doorleefd! Naast mij een stervende, die ik geen hulp kon bieden, en ik zelf doodziek met het gevoel buiten kennis te geraken. En dan vrees ik dat men mij zou komen doden om mijn wapenen te nemen. Ik had mijn akte van berouw verwekt en mijn ziel Jezus, Maria, Joseph aanbevolen. Lijden van het vagevuur en folteringen der hel, kunt gij heviger zijn dan mijn eenzaamheid hier te Okawango?”

Op 18 maart legde Lauer vast dat hij als een slaaf behandeld werd. “Ze worden meer en meer aanmatigend. Het scheelt weinig of ze rukken mij de kleren van het lijf”.

Het stamhoofd legde geen sympathie aan de dag. Alle spullen en geld dat de Oblaat nog over had werd door hem opgeëist. Na diens bezoek van 24 maart met weer nieuwe eisen tekende Lauer op: “Vreselijke maagpijnen. Zeer slechte dag. Na zijn vertrek heb ik mij terstond te bed moeten leggen”.

Na korte opmerkingen als ‘volslagen uitputting’, ‘verhitte tent’, geen eetlust’, neiging to braken’ en ‘koorts boven de 39 graden’, met onzekere hand geschreven, hielden de aantekeningen van de Duitse missionaris op.

Pater Lauer stierf een eenzame dood.

Eindelijk vorderingen

De Oblaten begrepen dat Libebe niet te vertrouwen was. Ze slaagden erin elders aan de rivier, te Njangana, een onderkomen te vinden. In 1936 vierden ze hun zilveren jubileum. “Sinds 25 jaar heeft het apostolaat er troostrijke vorderingen gemaakt. Heden telt men er zes missies met negen paters en negen broeders, zonder de zusters Benedictinessen te rekenen, die de scholen houden. Heel de uitgestrekte vallei der Okawango, vanaf het graf van pater Biegner in het westen tot aan dat van pater Lauer in het oosten, bevindt zich onder de weldadige invloed der missiën.

Tot aan het graf van pater Lauer, zeggen we. Want de oude Libebe, de weldaden aanschouwende der missie te Njangana, betreurde zijn slecht gedrag. Hij herstelde zijn onrecht en nodigde de paters uit ook bij hem een missie te stichten, die in 1913 tot stand kwam”.