Brief uit de missie 115: Exotisch eten

Als je in onze tijd de wereld doortrekt krijg je met ongebruikelijk voedsel te maken. De mensen in andere culturen eten voor ons doen soms bijzondere dingen – insecten in Birma, half-uitgebroede eieren in Vietnam, slangen in Indonesië, honden in Korea, enzovoort. Tijdens een recent verblijf van Greetje en mij [HK] in China werden schalen met heerlijke spijzen op tafel gezet. Wat er in het recept verwerkt was werd niet verteld – als je wist wat je gepresenteerd kreeg, zou de eetlust je wellicht ontgaan zijn. Kortom: het is maar wat je gewend bent.

Omdat de wereld geleidelijk aan een ‘global village’ geworden is kijkt onze generatie niet meer zo snel op van exotische gerechten. Nog maar enkele tientallen jaren geleden was dat anders. Hoe bijzonder moet het niet geweest zijn voor missionarissen die, om mensen uit verre landen te bekeren, het land met hun eigen vertrouwde degelijke keuken verlieten om zich voortaan elders te vestigen.

Toen dat betrekkelijk makkelijk ging, in de tweede helft van de negentiende eeuw, zetten ze hun eigen ‘plantages’ op en brouwden hun bier. In brieven vroegen ze aan de familie thuis recepten op te sturen. Die zond af en toe ook geconserveerde heerlijkheden, waarvan men wist dat hun ‘jongen’ er verzot op was. De paters gingen ook regelmatig op jacht om zich van vers vlees te voorzien. Dat was bovendien een goede oefening in het wapengebruik. ‘Inlanders’ konden wel eens gevaarlijk zijn.

Huc en Gabet

In de tijd dat de Europeanen zich nog niet gewapenderhand een legale entree in het hart van China hadden weten te verwerven, dus vóór de verdragen van 1858/1860, probeerden Franse Lazaristen er al een en ander te bereiken. Een van die paters, Everiste Huc (1813-1870) maakte vanaf 1844 een ‘illegale’ dienstreis vanuit het noordoosten van China naar Tibet. Huc trok niet alleen rond. Hij bevond zich in het gezelschap van een vijf jaar oudere missionaris, Joseph Gabet (1808-1853).

De twee Fransen doorkruisten een gebied waar zich Mongoolse stammen ophielden, die door de opdringende Chinezen niet alleen onder controle gehouden werden, maar zich bovendien geleidelijk aan naar buiten verplaatsten. Op de duur werd het Mongoolse gebied verdeeld in Chinees grondgebied en een eigen Mongoolse staat in het noorden.

Ten tijde van de tocht van Huc en Gabet waren de Mongoolse vorsten schatplichtig aan de keizer in Peking. Dat gold eveneens voor Tibet. De paters die dachten de leiders van Tibet te kunnen bekeren, werden opgepakt door de representant van de Chinese keizer en onder begeleiding teruggebracht naar Kanton aan de kust. Missionarissen hadden voor 1860 nog niets te zoeken buiten de Chinese verdragshavens.

Contact met Mongolen

Tijdens hun tocht door het immens grote gebied, waar de Mongolen zich ophielden met hun vee, droegen de Europeanen de kleding van boeddhistische monniken, lama’s. Naar eigen zeggen, zo is te lezen in het reisboek dat pater Huc in 1851 publiceerde, werden ze door de Mongoolse veeboeren uitermate gastvrij onthaald.

Huc: “Op korte afstand van onze verblijfplaats stonden enige Mongoolse tenten. In de omtrek weidden talrijke kudden prachtig vee. Terwijl wij ons brevier lazen, legde [onze knecht] Samdadschiemba bij die Mongolen een bezoek af.

Spoedig daarna kwam een grijsaard met volle witte baard tot ons met een kind aan de hand. Hij scheen een aanzienlijk man te zijn. De grijsaard sprak: ‘Heren lama’s, komt en neemt plaats in mijn bescheiden woning. Rust enige dagen bij ons uit. Uw tegenwoordigheid zal geluk en vreugde aanbrengen’.

Wij antwoordden dat wij zijn wens niet in alle opzichten vervullen konden. Maar ’s avonds na het gebed zouden we thee bij hem komen drinken en ons met hem over zijn volk onderhouden.

In de Mongolentent vonden wij een zindelijkheid die ons verraste. In het midden was geen vuurhaard. Ook lag geen keukengereedschap overal rond. Wij plaatsten ons op een groot rood tapijt”.

Gastvrijheid

In de Nederlandse vertaling (uit 1856) is te lezen hoe de twee Fransen, afkomstig uit de dorpjes Caylus en Nevy-sur-Seille, omgingen met de enorme gastvrijheid die hen geboden werd. “Uit een andere tent, die tot keuken diende, bracht men thee met melk, dunne in boter geroosterde sneedjes brood, kaas, gedroogde druiven en rode vruchten”.

Volgens pater Huc slaagden zij er tijdens het gesprek in het ware geloof aan de Mongolen uit te leggen. In tegenstelling tot hun gastheer geloofden zij slechts in één God. “In ons land bidden wij alleen Jehovah aan, de schepper van hemel en aarde, van zon, maan en alle bestaande dingen”.

Ook de overheersing van het Mongoolse gebied door de Chinezen kwam in het gesprek aan de orde. Maar na enige tijd was duidelijk dat de paters, die als ‘heilige mannen’ door hun gastheer bejegend werden, vanzelfsprekend een ereplaats moesten innemen tijdens een feestelijke maaltijd. “Heden is feestdag, heilige mannen, omdat u onze nederige woning met uw tegenwoordigheid vereert”.

De heer des huizes richtte zich vervolgens tot een jongeman die op de deurdrempel zat. “Mijn kind, als de hamel [een gecastreerd mannelijk schaap] lang genoeg op het vuur is geweest, haal dan de melkspijs”.

Huc beschreef het onverwachte tafereel dat nu volgde. “De vloer van de tent werd nog eens opgeveegd. De oudste zoon trad binnen. In beide handen droeg hij een langwerpige tafel. Daarop lag een in vier stukken verdeelde hamel uitgespreid. Deze tafel werd midden tussen de gasten gezet.

De gastheer haalde het mes uit de gordel. Hij sneed de staart af, deelde die in tweeën en gaf ieder van ons een helft”.

In zijn boek legde de missionaris later uit: “De Mongolen houden de schapestaart voor de keurigste lekkernij. Door die aan een gast voor te zetten bewijzen zij hem een grote eer”.

Huc en Gabet: “Zulke Mongoolse schapestaarten zijn bijzonder groot, breed, langwerpig en zeer dik. Al naar de grootte van het dier zit er een laag vet van zes tot acht pond vet omheen”.

De gastheer en zijn Mongoolse disgenoten wilden zich te goed doen aan het mindere vlees. “Nadat de oude ons zulke grote eer had bewezen, tastten de verdere gasten naar hun mes en sneden zich naar welgevallen een stuk vlees af. Aan borden of vorken was natuurlijk geen denken. Ieder legde het afgesneden stuk op zijn knie en scheurde er af, zoveel hij in zijn mond kon bergen. Van tijd tot tijd werd het bij de lippen neerlopende vet met de mouw afgewist”.

Verlegen

Daar zaten de paters dan. Ze wilden hun gastheer natuurlijk niet beledigen, maar gruwden van hetgeen hen als hoofdgasten was voorgezet.

Huc: “Wij waren in het begin niet weinig verlegen. Toen men ons die schapestaart toedeelde, was dat namelijk met de beste wil van de wereld geschied. Maar wij hadden onze Europese vooroordelen nog niet genoegzaam afgelegd, om zo maar zonder brood of zout in dat gulle vet te bijten”.

Op zachte toon overlegde het tweetal in het Frans. “In onze moedertaal hielden wij raad hoe wij ons in dit netelig geval het beste konden houden. Wij zouden tegen alle regels der welgevoeglijkheid zondigen door die vette brokken opzij te leggen en onze vriendelijke gastheer ronduit te zeggen dat wij ze onmogelijk door de keel konden krijgen. Dat durfden wij niet”.

De Europeanen kwamen met een inventieve oplossing. “De hamel-staart werd door ons in vele kleine stukjes gesneden. Van deze legden wij aan elk der aanwezigen één voor met vriendelijk verzoek om op deze feestdag een zo kostelijk beetje niet te versmaden.

Aanvankelijk verzette men zich hier met volle kracht tegen.

Wij hielden vol en men gaf eindelijk toe. Op die wijze ontdeden wij ons van het vet en konden een mager stuk gebruiken, dat meer naar onze smaak was”.

Feest

De twee paters hadden het er goed van afgebracht. Verheugd keken ze naar de eetlust van de Mongolen. “Na afloop van deze homerische maaltijd was een hoop afgekloven beenderen in het midden der tent al wat daarvan overschoot”.

Nu iedereen verkwikt en verzadigd was, kon het amusement beginnen. “Een kind bracht een cither met drie snaren. De oude sprak: ‘Edele en heilige vreemdelingen, ik heb een toolhollos [bard] uitgenodigd, die ons door zijn verhalen de avond nog meer veraangenamen zal’. Een jongeling, die met het hoofd op de borst in stilzwijgen verzonken zat, keek helder op. De bard liet zijn vingers over de snaren glijden. Na een kort voorspel begon hij met krachtige stem – met behoorlijke inachtneming van toon en maat – een vurig gezang”.

De troubadour was een goede entertainer. “Alle Mongolen hingen als het ware aan de lippen van de zanger. Ze volgden zijn woorden met gespannen aandacht. De toolholos bezong de daden van zijn volk. Hij werd dramatisch en wist alle toehoorders te boeien. Toen hij het gezelschap een tijd lang met zijn voordracht had bezig gehouden, bood de grijsaard hem een grote schaal melkwijn aan”.

Op verzoek van zijn gehoor bracht de jongeman ten slotte nog een ode aan een van de Mongoolse helden, Timurlane (1336-1405).

Naspel

Huc en zijn compagnon vonden het genoeg. Ze kregen de kans echter nog niet om op te stappen. Hun gastheer verklaarde: “Er komen niet alle dagen lama’s uit de westelijke hemelstreken”.

Huc: “Nu trad uit een hoek van de tent een Mongool tevoorschijn, die wij nog niet opgemerkt hadden. Hij begon zich te laten horen. Zijn grootste sterkte bestond daarin dat hij de adem zeer lang aanhouden kon en dat zijn trillende uitgalmingen geen einde namen. Wij waren zijn geschreeuw al gauw moe. Met ongeduld zagen wij een pauze tegemoet – om dan de zitting af te breken”.

De Europeanen moesten zich wel aan de etiquette houden. “De gruwelijke virtuoos begreep wat wij in ons schild voerden. Nauwelijks was het ene stuk uit of – zonder af te breken – begon hij weer een ander. Zo moesten wij tot laat in de avond blijven zitten.

Eindelijk hield hij een ogenblik stil om wat thee te gebruiken. Hij goot haastig een schaal door de keel en wilde terstond weer opnieuw beginnen.

Wij stonden echter op, boden de grijsaard ons flesje met snuiftabak aan, groetten het hele gezelschap en keerden terug naar onze tent”.

De volgende dag gaven de Mongolen opnieuw blijk van hun gastvrijheid. “Al zeer vroeg verscheen een knaap voor onze tent. Hij bracht een kan met melk en had een mandje met boter en kaas aan de arm hangen”.

***

Door de walgelijke vette staart van het schaap in stukjes te snijden en te verdelen onder hun disgenoten hadden de twee missionarissen, Evariste Huc en Joseph Gabet zich goed weten te redden. Weldra vervolgden ze hun missiereis naar het voor hen nog onbekende Tibet.