Brief uit de missie 116: Joachim Quee, missionaris in Manilla 1961-1968

0
177

Over de katholieke missie kun je veel leren uit de missietijdschriften die vooral vóór de Tweede Wereldoorlog uitgegeven werden. Hoewel er ook na de oorlog veel jonge mannen en vrouwen voor de goede zaak de wereld introkken, verdwenen weldra heel wat van die bladen. De ‘leken’ kregen in de sterk veranderende seculiere wereld minder belangstelling voor hetgeen hun geloofsgenoten ver weg van huis aan het doen waren. Om meer te weten te komen van het missiewerk in recente tijden kun je soms met de paters zelf praten.

Joachim Quee was een van die jongelui die nog tijdens de sixties in het vliegtuig stapte en op Filippijnse bodem (Manilla, het eiland Luzon) voet zette. Op 19 augustus 2018 kwam hij, inmiddels 85 jaar, bij me op bezoek om persoonlijk iets over zijn leven te verhalen. Zijn toon was redelijk nuchter. Misschien kwam dat wel omdat hij het priester- en missionarisleven al tientallen jaren geleden vaarwel gezegd had.

Katholiek gezin in Den Haag

Joachim is in Den Haag geboren op 26 september 1932. Hij was de oudste in een katholiek gezin met zes kinderen. Zijn vader, afkomstig uit Amsterdam, had op het seminarie gestudeerd maar zijn studie niet afgemaakt. De katholieke zaak bleef evenwel voor hem belangrijk. Quee junior kon zich herinneren dat er regelmatig bekeerlingen bij hem thuis kwamen.

Zijn eerste contact met de missie was tijdens de oorlog in Den Haag. De Brabantse pater Cor van de Meerendonk (1917-1995), geboren in Berlicum, kwam in de parochie op bezoek. Het klikte op de een of andere manier tussen de jongen en de vijftien jaar oudere pas gewijde priester, die voorbestemd was om vanaf 1949 als missionaris van Scheut actief te zijn op het Indonesische eiland Celebes (Sulawesi).

Mede door de contacten met Van de Meerendonk kwam ook bij Joachim het verlangen op zich bij de Belgische missie van Scheut aan te sluiten. Die was acht decennia eerder gesticht door de Vlaming Theofiel Verbist.

“Je mag het rustig een roeping noemen. Er werd geen enkele druk op mij uitgeoefend, ook niet thuis. Maar toen ik mijn wens te kennen gaf, hadden ze er in het gezin niet de minste moeite mee”.

Het liefste zou Joachim na de lagere school meteen naar Sparrendaal (niet ver van Vught bij Den Bosch), gegaan zijn om daar de eerste stappen te zetten op het Nederlandse kleinseminarie van Scheut. Maar vanwege de oorlogssituatie was dat niet mogelijk.

Sparrendaal

In het boek Honderd jaar Scheut in Nederland is te lezen: “Op 18 september 1945 kon het eerste normale, naoorlogse schooljaar beginnen met 116 studenten, het hoogste getal tot dan toe in de geschiedenis van Sparrendaal. Die studenten waren er niet zo maar vanzelf gekomen. Dit was voor een groot deel te danken aan de wijze van werving – door bezoek aan pastoors in den lande”. Deze woorden zijn te vinden in een stukje over de ‘propaganda’.

Ook Joachim Quee arriveerde er in 1945. Tijdens het laatste oorlogsjaar had hij, noodgedwongen, in Den Haag nog een zevende klas van de lagere school moeten volgen (‘als voorbereiding op hoger onderwijs’).

Sparrendaal was na de oorlog al snel een succes voor Scheut. Er kwam zelfs ruimtegebrek. “Daarom werd de zolder boven de refter [eetzaal] ingericht als open slaapzaal voor de komende voorbereidende en eerste klas”, aldus een van de auteurs van het jubileumboek.

Quee schatte het aantal studenten tijdens zijn studie op het kleinseminarie op ongeveer tweehonderd. Dat deed hij door in zijn hoofd het aantal slaapzalen te tellen. Een van zijn favoriete leraren was pater Maasakkers, die Latijn en Grieks doceerde. Joachim bleek een talenknobbel te hebben.

Bisschop Hamer-huis

Na zes jaar stapten hij en vijf andere studenten over naar het grootseminarie van Scheut in Nijmegen – het Bisschop Hamer-huis met het Chinese torentje, vernoemd naar de Scheut-martelaar Ferdinand Hamer die tijdens de Bokseropstand anno 1900 in China vermoord was. Lang niet alle kleinseminaristen zetten hun studie voort op weg naar het priesterschap.

De bouw van het grootseminarie was tot stand gekomen uit de erfenis van Scheutist Constant Jurgens (1879-1952), na het overlijden van zijn vader, boterkoning Jan Jurgens. Constant werd na zijn directeurschap in Nijmegen anno 1928 benoemd tot bisschop op de Filippijnen.

In Nijmegen studeerde Joachim vijf jaar lang theologie en filosofie. Totdat hij in 1957 eerst zijn gelofte als Scheutist aflegde en vervolgens de priesterwijding onderging. Na de beëindiging van die hogere studie ging zijn opleiding nog een jaar lang door bij de Dominicanen, ook in Nijmegen. “Van dat, overigens gebruikelijke, vervolg heb ik nooit iets begrepen”, aldus Quee.

Voorbereiding op de missie

Ook na de priesterwijding bleef Quee dus doorstuderen. Dat deed hij niet alleen in Nijmegen, maar bovendien nog eens enkele jaren in Leuven. De jonge priester bleek namelijk belangstelling voor biologie te hebben. In België leerde hij de beginselen van het vak. Die kennis zou in de missie van pas kunnen komen, was de redenering van zijn superieuren.

Alvorens definitief uitgezonden te worden kon een priesterstudent een voorkeur uitspreken voor het land van zijn toekomst. Joachim had Japan aangegeven. Maar hij besefte dat zijn keuze niet per se gehonoreerd zou worden. Niet voor niets had Quee bij Scheut de gelofte van gehoorzaamheid afgelegd. Joachim keek dan ook niet op toen men hem naar de Filippijnen uitzond. Anno 2018 meende hij zich te herinneren dat de aartsbisschop van Manilla, kardinaal Santos, vanwege een priestertekort een beroep deed op de Europeanen om hem uit de brand te helpen.

Eerder al, in 1945, had een Vlaamse Scheutist vanuit Manilla opgeroepen: “We hebben veel mannen nodig, vooral veel flinke, kloeke baanbrekers en pioniers, die van geen klein gerucht verschieten”.

Kreeg Quee les in de volkstaal van de Filippijnen, het tagalog, alvorens naar zijn missiegebied te vertrekken?

Dat bleek niet het geval te zijn hoorde ik. Het was ook helemaal niet erg, werd me uitgelegd. Mede door de aanwezigheid van de Amerikanen, vanaf het begin van de eeuw tot aan de onafhankelijkheid na de Tweede Wereldoorlog, was Engels immers de lingua franca in de eilendengroep geworden. Iedereen van enig niveau beheerste die taal.

Aan de slag op de Filippijnen

Joachim Quee: “De hoofdvestiging van de Scheutisten in de Filippijnen was Quezon City, niet ver van de hoofdstad op het eiland Luzon. Zelf werd ik gestationeerd in Manilla, toen ik er in 1961 arriveerde om er, zoals gebruikelijk, zeven jaar te werken”.

De nieuw-aangekomen Scheutist werd als professor aangesteld op het San Carlos-seminarie (groot- én kleinseminarie van kardinaal Santos). Hij doceerde er niet alleen biologie, waar hij zich in bekwaamd had, maar ook andere vakken zoals psychologie en natuurkunde. De voertaal was Engels, dus de taal was geen probleem. Onder elkaar spraken de jongens het tagaals, verwant aan het Maleis. Dankzij zijn ‘knobbel’ kon Joachim zich de gewone spreektaal weldra eigen maken.

Van missie- en bekeringswerk in de barrios (dorpen) op het eiland was geen sprake. “Ik legde me erbij neer dat ik daar niet voor was geselecteerd, maar vond het wel jammer. Regelmatig werd ik wel ingezet bij het dopen. Dat gebeurde voor groepen van honderden bekeerlingen tegelijk op één dag. Met name in de week voor Pasen hielp ik bovendien met biechthoren. Manilla en omgeving was een katholiek gebied. Tenminste één keer per jaar was het voor de bevolking verplicht te biechten en dat gebeurde zeker in de goede week. Het gaf een onvoorstelbare drukte”.

In de missiebladen en -boekjes had ik gelezen over een ‘primitieve’ manier van biechten, zonder afscheiding tussen de gelovige en de priester. Dat gaf wel eens problemen met vrouwen. Op foto’s kun je soms zien hoe een pater zittend biecht hoort van iemand die op de grond geknield dichtbij voor hem zit.

In de jaren zestig was bestond die wijze van biechten in de Filippijnen niet, werd me duidelijk gemaakt. Iemand die zijn of haar zonden kwam opbiechten kreeg enkele minuten de tijd om dat in een biechtstoel met houten rooster te doen, op dezelfde manier als in Nederland. Daarna volgde de absolutie, die gepaard ging een een oefening van berouw en de opdracht een of meer weesgegroetjes en/of onze vaders te bidden.

Hoe zat het met de ‘zwaardere’ gevallen, vroeg ik – bijvoorbeeld iemand die een moord kwam opbiechten?

In dat geval werd de absolutie geweigerd en de biechteling weg gestuurd. Quee had het zelf een paar keer moeten doen.

Voor het begeleiden van stervende Filippijnen, met het heilig oliesel, werd nooit een beroep op hem gedaan. Zijn essentiële taak was immers het lesgeven op het San Carlos seminarie.

Wat gebeurde er nog meer op de Filippijnen?

Zoals gezegd, verreweg het grootste gedeelte van de Filippijnen was al honderden jaren katholiek. De Spaanse conquistadores hadden het gebied vanuit Zuid-Amerika weten te veroveren. Een groot deel van de bestuurlijke taken hadden zij aan de missionarissen overgelaten. Door het ingrijpen van de Amerikanen rond 1900 was er van de Spaanse aanwezigheid weldra weinig meer over. In de sixties hadden alleen ouderen soms nog een beetje kennis van die taal, wist Joachim.

In het geschiedenisboek van de congregatie, Scheut vroeger en nu 1862-1987, schreef Dries Vanysacker: “Meer dan duizend Spaanse missionarissen verlieten [rond de eeuwwisseling] het land. De inlandse clerus was niet talrijk genoeg om al het werk over te nemen. De Amerikanen richtten scholen, hospitalen en dispensaria [consultatiebureaus] op. Het godsdienstonderwijs kwam in handen van Amerikaanse protestanten. Met het Engels als voertaal drongen ze door via tehuizen voor studenten, culturele contacten en clubs. Ook opgezweept nationalisme kwam de katholieke rijen aantasten: Gregorio Aglipay (1860-1940) stichtte een onafhankelijke Filippijnse kerk”.

Aglipay verdween van het toneel, maar in 1930 richtte Felix Manalo (1886-1963) de ‘Iglesia ni Kristo’ op – een zeer anti-katholieke en nationalistisch gezinde sekte, die zich tijdens het missionarisleven van Joachim Quee nog steeds roerde.

In het zuiden van de eilandengroep, niet ver van Indonesië, waren de moslims actief. “In die streken was het onrustig, maar lang niet in die mate als vandaag”. De Scheutisten waren actief in het noorden van Luzon, zoals Ilocos en Kabugau, waar nog heel wat bekeringswerk onder de ‘heidenen’ verricht diende te worden. In Baguio hadden ze een universiteit gesticht.

Terug in Europa

In 1968 kwam er een einde aan de zeven jaren van Quee in de Filippijnen. Terug in Europa stond Scheut hem (na enige tijd van pastoraal werk) toe economometrie te gaan studeren in Rotterdam. Die studie lag Joachim helemaal niet en hij maakte hem dan ook niet af. Intussen was zijn band met de missie-congregatie verwaterd. In Europa hadden zich sinds zijn vertrek in 1961 grote veranderingen voltrokken. Menige priester had zijn ambt opgegeven.

Ook Quee wilde een nieuwe koers in zijn leven inslaan. Problemen met Scheut leverde dat niet op, hoorde ik. Zijn belangstelling voor biologie was nog lang niet verdwenen. Hij wist een beurs voor die studie in Nederland tot stand te brengen, zelfs als hij zijn academische graad in België wilde halen. Zo gezegd zo gedaan. Er was echter nog een addertje onder het gras: voor de bevoegde autoriteiten in Leuven had hij nooit een geldig diploma gymnasium ß gehaald met zijn studie aan het seminarie in Nederland. Terwijl hij zich in België in biologie bekwaamde hervatte hij tegelijk een middelbare school-studie die hij in 1974 met een staatsexamen afrondde. Enkele jaren daarna, in 1976, kon hij zich formeel doctorandus in de biologie noemen.

Joachim Quee is nooit meer terug gegaan naar het missiegebied. In plaats daarvan werd hij biologie-leraar op (katholieke) middelbare scholen in Den Haag (Edith Stein-college) en Zoetermeer. Als leraar vond hij de liefde bij Tilly, een collega-bioloog. Ze traden in het huwelijk, kerkelijk ingezegend, en zijn altijd bij elkaar gebleven. Op 56-jarige leeftijd maakte Quee gebruik van de zogenaamde DOP-regeling, waardoor zijn arbeidstijd tot de helft werd teruggebracht.

Joachim en Tilly wonen sinds enkele jaren zowel in Oegstgeest als op de Griekse Peloponnesus, waar ze olijfolie produceren. Met Scheut heeft hij geen contact meer.

Literatuur
* Daniël Verhelst en Hyacint Daniëls, Scheut vroeger en nu 1862-1987. Geschiedenis van de congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria C.I.C.M., Leuven 1991
* Harry Stultiens, Leo van den Berg, Gijs van Schie e.a., Ideaal van mijn jeugd 1899-1999. Honderd Jaar Scheut in Nederland, Vught (Sparrendaal) 1999