Brief uit de missie 118 – Geen resultaten bij de missie in Xinjiang, China

0
170
handgeschreven brief

China is hard op weg het meest machtige land van de wereld te worden. Vanuit Peking voeren partij en regering een zo centralistisch mogelijk beleid. In de noordwestelijke provincie Xinjiang hebben de autoriteiten echter de grootste moeite om de bevolking mee te krijgen met wat in de hoofdstad bepaald wordt.

Grote aantallen ‘gewone’ Chinezen hebben zich recentelijk in de provincie gevestigd. Ondanks dat is de bevolking in meerderheid nog steeds islamitisch en streeft naar een onafhankelijke staat met de halve maan afgebeeld in de vlag. Geweld wordt niet uit de weg gegaan.

De katholieke missie, die zich zonder geweld manifesteerde in Xinjiang, had het dubbel zo moeilijk om ook maar iets te bereiken in het gebied. De Duitser Ferdinand Loy (1892-1969), van de missie van Steyl (SVD), werd in 1931 door Rome benoemd tot overste van de missie aldaar en in 1938 bevorderd tot prefect.

Loy schreef de geschiedenis van de katholieke bekeringsactiviteiten in de jaren dertig voor het tijdschrift Katholieke Missiën. Zijn lange en gedetailleerde verhaal was vanaf maart 1938 maandelijks te lezen.

Moslim-gebied

In de tijd van Loy bestond Xinjiang slechts voor tien procent uit Chinezen. “De Chinezen zijn de heersende klasse, niet omdat zij ’t talrijkst, maar omdat zij de heren van het land zijn. Als volk vormen zij wellicht slechts een tiende van alle bewoners des lands. Grotendeels zijn het ambtenaren en kooplieden, die uit Oost- en Midden-China stammen”.

De missionaris maakte zijn lezers vanaf het begin duidelijk dat ‘de kaart van Xinjiang een bonte mengeling van volkeren met verschillende talen en culturen vertoonde, maar het muzelmans [islamitisch] karakter domineerde overal’. Dat gaf bijzondere problemen voor de paters die jarenlang hun beste krachten wijdden om er het christendom te verbreiden.

Loy in 1938 over de moslims: “Hun fanatisme, hun overtuiging van de superioriteit van hun godsdienst boven het christendom en de daaruit voortkomende afwijzende houding tegenover het christendom, dat alles is de oorzaak dat de missionaris nauwelijks tot hen kan doordringen.

Deze vijandige houding, die de mohammedaan in het verleden aannam, bestaat ook nu nog in volle mate. De houding van de volgelingen van de koran in de gevallen dat een mohammedaan zich tot het christendom wilde bekeren, bewijst dit duidelijk. Ze werden door de andere mohammedanen geboycot en uit hun midden verstoten als afvalligen en verraders. En om deze uiterlijke redenen alleen reeds waagt een mohammedaan het maar zelden christen te worden”.

Eerste christenen

De eerste christenen die zijn regio betreden hadden waren de nestorianen in de zevende eeuw. Hun godsdienst sloeg volgens Loy aan. “Toentertijd was dit onmetelijke gebied nog bewoond door de oerbevolking met haar primitieve godsdienst. Kort tevoren was evenwel het boeddhisme uit Indië [India] er al binnen gedrongen. Talrijke boeddhistische kloosterlingen vormden invloedrijke godsdienstige centra.

Het nestorianisme wist zich echter heel goed aan de bestaande toestanden aan te passen. Om niet bij het boeddhisme achter te staan, volgde het ongeveer de zelfde tactiek. Zo vindt men naast boeddhistische klooster-ruïnen ook vele overblijfselen van vroegere nestoriaanse kloosters. Uit vondsten van schilderijen en geschriften blijkt dat ze in hun kloosters reeds inheemse broeders en zusters hadden.

Om echter de godsdienst onder het volk ingang te doen vinden moesten nog andere methoden worden toegepast. Er werden missionarissen aangesteld, die zich overal onder het volk mengden en optraden als geneesheren of leraren; anderen oefenden ook wel een gewoon ambacht uit.
Daardoor wisten zij gehele stammen met hun vorsten voor zich te winnen. In nagenoeg alle steden van het zuiden en van het Ili-dal hadden de nestorianen talrijke aanhangers”.

Aan deze vorm van christendom kwam na 1100 een einde. “De islam drong met geweld binnen. Wie niet goedschiks het mohammedanisme wilde aannemen viel onder het zwaard. Op deze wijze werden het boeddhisme en nestorianisme uitgeroeid. Het boeddhisme wist later weer enige aanhangers te winnen, het nestorianisme niet meer”.

Missie in de Mongoolse tijd

In de dertiende eeuw kregen de Mongolen het voor het zeggen in een groot deel van Eurazië. Vanuit het katholieke West-Europa werden gezanten naar het andere eind van de wereld gestuurd. Opnieuw kreeg het christendom voet aan de grond.

“In 1289 gelukte het de Franciscaan Monte Corvino in de nieuwe hoofdstad van het Mongolenrijk Kambalik (Peking) het missiewerk ter hand te nemen. In 1307 werd Kambalik zelfs aartsbisdom, waarop spoedig enige suffraan-bisdommen volgden o.a. Almaliq – het tegenwoordige Koeldja in Turkestan. Almaliq was in die tijd de hoofdstad van het westelijk gedeelte van het Mongoolse rijk”.

In de geschiedschrijving van de Duitse pater maakten de moslims opnieuw een einde aan de mogelijke groei van het ware geloof. “De Mongoolse Tartaren, die dit rijksgebied bewoonden, waren toen reeds fanatieke mohammedanen. Toen de bisschop reeds velen voor het geloof gewonnen had, waaronder ook enige hofdienaren van de khan, en er toe over was gegaan een kerk te bouwen, steeg de woede en geloofshaat der muzelmannen intussen zo dat er in 1339 door hen een opstand onder het volk werd uitgelokt.

Kerk en missiestaties werden geheel vernield, de bisschop, priesters en lekebroeders werden op wrede wijze vermoord.

Een jaar later zagen we een andere missionaris in Almaliq aan het werk, nl. Johannes van Marignola. Tot aartsbisschop van Peking benoemd, reisde hij met enige medebroeders over Almaliq, waar hij enige tijd bleef om kerk en missiestatie weer op te bouwen en de missionering opnieuw te beginnen. Hij stiet echter op zulke tegenstand van de kant der mohammedanen, dat hij onverrichterzake de stad moest verlaten.

Nog eenmaal (1362) verscheen er in Turkestan een missionaris: Jacob van Florence, bisschop van Zaitoen. Op doorreis predikte hij te Almaliq, maar werd door de islamieten vermoord.

Kort daarop zien we Tamerlane [Timoer Lenk] op het toneel verschijnen. Alles wat aan het christendom herinnerde werd onder zijn regime hier, zoals overal elders in Midden-Azië, aan de vernieling prijs gegeven.

Vanaf deze tijd bleef gedurende een paar eeuwen Turkestan voor de missionaris gesloten. Tot op de helft van de 19e eeuw was Turkestan voor de katholieke Kerk een verboden gebied”.

Later werd bovendien strijd geleverd tussen de Russen en Chinezen, die de regio alle twee definitief wilden annexeren. China kreeg in 1862 de overhand.

Moslim-opstand in de negentiende eeuw

In het gebied, dat anno 2018 door China met Xinjiang wordt aangeduid, woonde vóór de ontwikkeling van het moderne imperialisme een klein aantal katholieken. Meestal waren het door Peking verbannen Chinezen en hun familie. Af en toe werden ze vanuit het oosten bezocht door een Chinese priester. In 1860 kwam er verbetering. “In dat jaar vestigde de Chinese priester Wang zich voorgoed in de Ili-vallei. De Goddelijke Voorzienigheid droeg er op deze wijze zorg voor, dat de christenen in de moeilijke tijden die nu weer gingen aanbreken, niet zonder geestelijke hulp zouden zijn”.

Achteraf bleek dat een ongelukkig moment te zijn. “In 1863 brak namelijk in Oost-Turkestan onder de mohammedaanse bevolking een opstand uit. De muzelmannen kwamen in verzet tegen de Chinese heerschappij en trachtten de oude mohammedaanse macht weer te herstellen. De opstandelingen moordden de hele Chinese bevolking in het zuiden van de provincie uit. Daarbij vielen ook veertig katholieke Chinese families in Kashgar als slachtoffer. Spoedig sloeg de beweging over op het Ili-dal, waar de gouverneur der provincie resideerde”.

Van de provinciale hoofdstad Koree bleef na korte tijd niets dan een ruïne over. Een groep katholieke families had zich echter weten te redden met behulp van gematigde moslims. Zij vestigden zich in het Ili-dal.

Missie van Scheut naar Ili

De eerste Scheutisten, een Belgisch-Nederlandse missie-congregatie, arriveerden eind 1865 in het noorden van China. Jaar in jaar uit stapten jonge mannen in Europa op de boot, die hen naar het verre oosten verscheepte. Hoewel hun aantal altijd klein bleef ten opzichte van de regio die hen door Rome was ‘toevertrouwd’, slaagden zij er geleidelijk in zich steeds verder van hun thuisbasis (Xiwanzi, ten noorden van Peking) te manifesteren.

In 1878 werd de Nijmegenaar Ferdinand Hamer benoemd tot apostolisch vicaris van Gansu. Hij functioneerde niet alleen als missie-bisschop van de gelijknamige Chinese provincie, maar ook van Qinghai en Xinjiang. Onder druk van Rome stuurde Hamer in 1883 drie Scheutisten naar Ili om er een nieuwe missiepost op te zetten: Andries Jansen, Constant De Deken en Jan-Baptist Steeneman.

Een Scheutist legde vast dat op 8 september in Ganzhou gezamenlijk het feest van de geboorte van Onze Lieve Vrouw gevierd werd. “Twee dagen later vertrokken de twee karren die gereed stonden in de koer van de residentie. Voerlieden, een paar knechten en de rijdieren stonden vertrekkens gereed. Het afscheidsmaal was ten einde en het uur van vertrekken sloeg. Monseigneur, priesters en christenen begaven zich ter kerke. Het gebed voor een goede reis werd de Almogenden toegestuurd. Monseigneur zegende zijn drie priesters die gingen vertrekken. Het ogenblik was indrukwekkend. Uit menig oog rolden tranen”.

Scheut in Ili

De weg van Gansu naar Ili was lang, zeer lang zelfs in alle opzichten. Koeldja, de vestigingsplaats, bleek vanuit het oosten uiterst moeizaam bereikbaar. Brieven en heilige olie, door bisschop Hamer ingezegend om stervende christenen in hun laatste uren bij te staan, kwamen lang niet altijd aan. De apostolisch vicaris begreep dat hij deze verre streek niet kon besturen. De snelste correspondentie ging niet rechtstreeks maar via de Chinese oostkust, Brussel en Rusland. Het duurde dan ook niet lang of Hamer vroeg aan Rome om van Ili een zelfstandige missie te maken.

In 1888 werd Daniël van Koot de eerste overste van de onafhankelijke missiepost in Xinjiang.

In de recente officiële geschiedschrijving van Scheut tekende professor Verhelst op dat de eerste drie paters bij aankomst in Koeldja een honderdtal christenen aantroffen. “Bekeringen waren echter zeer zeldzaam om redenen van de overwegende islamitische invloed”.

Ferdinand Loy gaf in 1938 een overvloed aan details. “Men zag zich voor de taak gesteld het gebied volgens een vast plan te gaan missioneren. Dat was geen geringe onderneming”, zo begon hij zijn relaas. “Een grote moeilijkheid was de geweldige uitgestrektheid van de missie en de onmetelijke woestijnen, die in dit gebied liggen. Daarbij kwam de grote verscheidenheid van volksstammen!”

Een groot probleem was de tegenwerking van de Chinese autoriteiten. De Europeanen hadden na de gewonnen opiumoorlogen afgedwongen dat de paters het christendom mochten verkondigen, maar de onderdanen van de keizer waren niet vrij in hun handelen.

Loy: “De Chinese ambtenaren stonden wantrouwig tegenover de Europese missionarissen. Wel waren de tijden veranderd en had China door verschillende verdragen de plicht op zich genomen Europese missionarissen toe te laten. Dit nam evenwel niet weg dat het de missionarissen bij hun werk zo lastig mogelijk werd gemaakt. Zo was het hun bijvoorbeeld onmogelijk grond te kopen voor het oprichten van missiestaties”.

Leesens

De paters kwamen al snel tot de conclusie dat missiewerk bij de moslims verspilde tijd was. “Onder de islam bleek de kans op bekeringen praktisch uitgesloten”.

Een van hen, Désiré Leesens, afkomstig uit Bemelen in Zuid-Limburg, probeerde het bij de Kalmukken, die het boeddhisme aanhingen. “De toekomst zou wel uitwijzen of op den duur missionering mogelijk zou zijn. Bij aankomst werd hem echter de toegang tot hun tenten ontzegd.

Leesens was verwonderd. De Kalmukken stonden juist bekend om hun gastvrijheid.

Toen hij door middel van een tolk naar de reden van dit optreden informeerde, werd hem geantwoord dat van hogerhand bevel was gegeven elke omgang met de Europeanen te vermijden. De keizerlijke pas uit Peking, die hem bescherming verzekerde, hielp niet.”

Leesens zag zich gedwongen onverrichterzake naar Koeldja terug te keren”.

De missionaris vestigde zich later in Manas. In 1915 kwam hij door tyfus te overlijden. “Hij ligt begraven naast zijn kerkje. Bij christenen en heidenen is zijn naam nu nog altijd in ere. De missie bleef zich na zijn dood niet gunstig ontwikkelen”.

Hoogers

Frans Hoogers, een van twee missiebroers uit Horst in Noord-Limburg, had soortgelijke ervaringen bij zijn pogingen de Sibo’s tot het christendom te brengen. “Met goede moed ging hij aan het werk. Het begin scheen niet ongunstig. Men legde de missionaris geen moeilijkheden in de weg. De bevolking behandelde hem voorkomend. De stamhoofden hadden er niets op tegen dat de Nederlander onder de mensen vertoefde om hun taal te bestuderen. Na enige tijd had Hoogers een kring van vrienden om zich verzameld, waarvan velen interesse voor de godsdienst toonden. De verwachtingen van de missionaris waren hoog gespannen”.

Dat duurde maar kort. “Opeens had er een grote verandering plaats. De stamhoofden toonden zich vijandig, de mensen durfden niet meer bij de missionaris te komen.

Of de stamhoofden van hogerhand instructies hadden gekregen, of dat ze dit uit eigen beweging deden kwam Hoogers nooit te weten. De missionaris ging naar het opperstamhoofd om zijn pas uit Peking te laten zien, waarin hem door de keizer verlof was gegeven het geloof te verkondigen.

Het opperhoofd begreep dat hij tegen het keizerlijk hof niets kon doen en zocht daarom de missionaris op een andere manier kwijt te raken. Hij verbood namelijk aan al zijn onderdanen om aan de vreemdeling iets te verkopen.

Dit middel miste echter zijn doel Sommigen gaven het hoognodige aan Hoogers ten geschenke.

Toen ook dit verboden werd en de missionaris zelfs geen doosje lucifers meer kon krijgen, liet hij zijn benodigdheden van Koeldja komen. Al ging het ook met grote moeilijkheden en kosten gepaard, Hoogers was toch niet van plan zonder slag of stoot het veld te ruimen.

Toen het stamhoofd zag dat hij zo zijn doel nooit zou bereiken, verbood hij de Sibo’s met de vreemdeling op een of andere manier om te gaan. De man die de pater steeds gastvrijheid had verleend kreeg het bevel hem niet meer in zijn huis toe te laten. Toen hij het bevel niet direct opvolgde, werd hij geslagen en opgesloten.

Nadat Hoogers zijn verzet ongeveer een jaar had volgehouden, ging hij naar Koeldja terug. Zo was ook deze tweede poging mislukt.”

De Limburger had wat meer succes in Suiting en op het platteland. Hij kon een stuk grond bemachtigen en zodoende enkele families als bekeerlingen aan zich binden. Ten gevolge van een pestepidemie in 1910 moest hij zijn pogingen echter wederom opgeven.

Niets lukte.

Missie van Steyl neemt Xinjiang over

Jozef Hoogers kreeg in 1919 de supervisie van de missie in Xinjiang. Toen hij hoorde hoe alle pogingen van zijn broer en de andere Scheutisten tot niets geleid hadden kwam hij al snel ‘tot de overtuiging dat de kansen voor de katholieke Kerk in Xinjiang zeer gering’ waren. Volgens hem was het zinloos steeds nieuwe missionarissen naar de nieuwe hoofdstad Urümqi en omgeving te sturen. Ze konden beter naar missiegebieden met meer bekeringskansen gestuurd worden.

In 1922 besloot Rome het missiegebied over te dragen aan de paters van Steyl. Ferdinand Loy kreeg de leiding. De nieuwe overste publiceerde zijn geschiedverhaal zestien jaar later. Op geen enkele manier liet de prefect blijken dat er ook maar enige vooruitgang plaats had gevonden.

Loy eindigde in 1938 dan ook met de woorden: “De paters van Scheut, die hier jarenlang hebben gewerkt, alles hebben geprobeerd en zich voor dit volk hebben opgeofferd, hebben onze dank en hoogachting ten volle verdiend. Dat zij niet meer succes konden boeken lag niet aan hun werk maar aan de toestanden in Xinjiang. Een woestijn in een vruchtbare tuin veranderen is een zware, zo niet onmogelijke taak”.

Literatuur
Katholieke Missiën, jaargang 1938
Daniël Verhelst, Scheut vroeger en nu 1862-1987. Geschiedenis van de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria. C.I.C.M., Leuven 1991
Harry Knipschild, Ferdinand Hamer 1840-1900. Missiepionier en martelaar in China, Leiden 2005