Brief uit de missie 125: Nederlandse priesterbeurzen voor de Chinese missie

0
754
Handgeschreven brieven

In de loop van de negentiende eeuw trokken steeds meer Nederlandse priesters als missionarissen naar China. Terwijl de paters actief bezig waren met het bekeren van zo veel mogelijk Chinezen, beseften ze dat het niet zeker was dat ze altijd in hun missiegebied konden blijven. Hun aanwezigheid was immers gewapenderhand door militair ingrijpen afgedwongen en het tij kon keren. Al eerder was het christendom uit China verbannen. Van de aanwezigheid van Nestorianen en Franciscanen, die zich eerder in het keizerrijk hadden opgehouden, waren in de negentiende eeuw nauwelijks meer resten te vinden.

China werd bovendien vanuit het westen en noorden bedreigd door de Russen. Als die het voor het zeggen kregen en hun eigen vorm van christendom aan de bevolking oplegden zouden de West-Europese priesters hun werk verder wel kunnen vergeten, was hun overtuiging.

De beste manier om het gevaar te bestrijden was duidelijk: de Chinezen moesten hun eigen priesters hebben. Het was noodzakelijk seminaries op te zetten voor hun opleiding. Talentvolle en geïnteresseerde Chinese jongens konden dan Latijn leren en alles wat nodig was om als volwaardig priester te functioneren.

Broeder Van Paassen uit Poeldijk

De missionarissen werden kerkelijk gefinancierd door Franse missie-organisaties als de Propagation de la Foi en de Sainte Enfance. Maar dat vonden ze niet voldoende. De paters zochten naar additionele inkomsten voor hun activiteiten.

Adrianus van Paassen trok als eerste aan de bel. Van Paassen, in 1824 geboren als zoon van een boer in Poeldijk (Westland), was als jongeman horlogemaker. Hij kwam in contact met de katholieke industrieel Antoon Prinzen uit Helmond, die hem overhaalde om in 1847 als broeder naar Shanghai te vertrekken. Tot zijn dood in 1883 bleef hij de Jezuieten terzijde staan.

Van Paassen ontdekte hoe makkelijk het was om met mooie brieven en artikelen in kranten en tijdschriften geld los te kloppen. Zo kwam hij op het idee om studiebeurzen te gaan uitschrijven, ter waarde van 1500 gulden elk, een stevig bedrag in die tijd.

“De broeder was echter vol hoop op hulp van boven en bijzonder van de heilige Jozef, patroon van de missie in China, tot wie hij een buitengewone devotie had”, aldus de Jezuiet Van Hoeck in 1936. “Van Paassen werkte zijn plan uit in een brief die hij, in kinderlijk vertrouwen, eerst een dag onder zijn Sint Jozef-beeldje legde en toen naar Helmond zond”.

In eerste instantie hadden vooral vermogende industriëlen als de eerder genoemde Prinzen en zijn collega’s Diddens (Helmond), Van Acht (Eindhoven) en Jurgens (Oss) ‘sympathie voor dit nieuwe soort van missiesteun’.

De broeder kwam op het idee de eerste priesterbeurs een naam te geven: Sint Petrus-beurs. Toen die een succes werd stichtte hij meer beurzen – met de namen van andere apostelen. De Nederlandse jonge geestelijken waren immers als apostelen naar het verre oosten vertrokken. Het geld stroomde binnen.

Toon Kusters uit Sevenum

Ontroerend is het verhaal van Toon Kusters, een boer uit Sevenum (bij Venlo) die zich aan de pastorie meldde. “Mijnheer pastoor”, zei hij, “ik heb in de krant die schone brief uit China gelezen en ook voorgelezen aan mijn vrouw. Gij weet hoe wij er altijd op gehoopt hadden dat een van onze kinderen missionaris zou worden. Elk jaar hebben wij wat geld opzij gelegd, dat hem dan in de missie van pas zou komen.

Maar Onze Lieve Heer heeft onze verlangens niet vervuld.

Nu heb ik aan mijn vrouw gezegd dat het toch mogelijk was een aangenomen missionaris in China te hebben. Wij hebben dat verder bepraat en nu breng ik hier 1500 gulden voor een beurs. Aan iedere gulden hangen zweetdruppels, maar Onze Lieve Heer zal daar in de hemel wel parels van maken. Pastoor, ge zult er wel voor zorgen dat dit geld aan het goede adres komt”.

Binnen drie maanden waren de apostelbeurzen (in totaal achttien duizend gulden) tot stand gebracht en Van Paassen ging door – na de beurzen, vernoemd naar de eerste twaalf apostelen volgden de (72) leerlingen! Enzovoort.

Anton van de Laar, kanunnik in Haaren

Van Paassen was dus uiterst succesvol in het ‘verkopen’ van studiebeurzen. Daarbij had hij uitstekende helpers in het zuiden van Nederland. Al in 1871 wees een Franse uitgave van de ‘Annalen van de Sainte Enfance’ (Heilige Kindsheid) op de missie-ijver van Anton van de Laar, kanunnik en ‘professor’ aan het seminarie van Haaren bij Den Bosch, tevens directeur van de Heilige Kindsheid in dat diocees.

In de loop van de jaren 1880 was het deze priester die zich enorm inzette voor het tot stand brengen van zo veel mogelijk van die studiebeurzen. Het werk van Van de Laar en broeder Van Paassen kwam bijvoorbeeld ten goede aan de activiteiten van de Belgisch-Nederlandse missie van Scheut.

Op 16 juli 1884 schreef overste Frans Vranckx vanuit België aan Xiwanzi in Mongolië: “Van de Laar werkt op advies van een van onze leerlingen, Henri Raymakers [uit Helmond, een neefje van Antoon Prinzen] aan de creatie van beurzen voor het vormen van een inlandse clerus in onze missies. Deze beurzen zouden 3500 francs (ongeveer 1750 gulden) moeten kosten. De Jezuieten van Shanghai beweren dat ze met dat bedrag een leerling kunnen onderhouden. Er is al een beurs bestemd voor [het missiegebied] Gansu. Een tweede, bestemd voor mgr. Rutjes [uit Duiven, bisschop in Oost-Mongolië] is bijna tot stand gebracht.

Laten we hopen dat onze vier vicariaten [missie-bisdommen] beurtelings begunstigd worden. Van de Laar hoopt te komen tot twaalf beurzen die de naam zullen dragen van de twaalf apostelen”.

Gansu

In de Nederlandse Annalen van de Sainte-Enfance las Ferdinand Hamer, missiebisschop in Gansu vanaf 1878, tot zijn verbazing: “Een beurs van 1500 gulden zou Mgr Hamer uit Nijmegen zeer van pas komen”.

De Gelderlander pakte meteen pen en papier en schreef een lyrische brief aan de kanunnik, die na aankomst in die zelfde Annalen werd afgedrukt. In die tijd was China in oorlog met Frankrijk. Dat zal zeker van invloed geweest zijn op de tekst.

“Misschien in geen land is het egoïsme zo groot als in China. De overheid duldt ons omdat zij niet anders kan. Maar had zij het in haar macht, geen Europeaan zou een voet binnen de grenzen van China kunnen zetten – en wel het minst de priesters, omdat wij een leer verkondigen die regelrecht tegen de heidense beginselen strijdt”, aldus zijn analyse. “Zolang wij dus geen inlandse priesters hebben, bekommert ons immer de vrees dat, worden wij Europeanen vroeg of laat eens weggejaagd, ook het weinige goed, dat wij nu met Gods genade stichten, gevaar loopt ten gronde te gaan”.

Hamer gaf in zijn brief aan Van de Laar nog eens aan onder welke omstandigheden hij zijn missiewerk verrichtte: “Slechts weinig Chinezen willen een relatie met ons aanknopen. Zij hebben een antipathie voor alles wat niet Chinees is. Zodoende is de bekering der heidenen uiterst moeilijk voor ons Europeanen”.

Het was voor hem duidelijk uit welke hoek de oplossing van de problemen in Gansu moest komen. “Hadden wij dus Chinese priesters, dan zou én voor nu én voor later de voortplanting van het geloof diepere wortels schieten. Het is dan ook om deze reden dat een zekere paus placht te zeggen: ‘Het doet mij meer genoegen als ik hoor dat er een inlands priester gewijd is, dan als men mij spreekt van de bekering en de doop van verscheidene duizenden heidenen’”.

Hamer vertelde dat Gansu een van de weinige vicariaten in China was waar nog geen inlandse priesters functioneerden, maar dat hij onder de bekeerlingen wel dikwijls voor het priesterschap geschikte jongens moest afwijzen, ‘omdat de nodige fondsen voor dit doel ons ontbreken’”.

Josina Jurgens-Jansen

Van de Laar zette zich in voor de missie van Gansu, met alle resultaten van dien. Twee jaar later, op 15 september 1886 vernam de bisschop van overste Vranckx dat hij voor de derde keer in aanmerking was gekomen voor een studiebeurs. Deze keer was het mevrouw Jurgens-Jansen uit Oss, echtgenote van de boterindustrieel Jan Jurgens, die de 1500 gulden geschonken had. Josina was afkomstig uit Nijmegen, de geboortestad van missionaris Hamer.

In een bedankbrief, wederom afgedrukt in de Annalen van de Heilige Kindsheid, stelde deze nog eens duidelijk: “De grootste en dringendste behoefte is wel die, waarin de stichters van studiebeurzen voorzien, de behoefte aan een inlandse geestelijkheid. Het getal van onze christenen is nog gering. Jaarlijks hebben wij niet meer dan dertig tot veertig doopsels. Wij wanhopen, als het ware, dat getal te zien vermeerderen zolang wij geen inlandse geestelijkheid hebben. Want groot, zeer groot, blijft hier immer de afkeer van het volk voor alles wat uitheems is.

Wij, Europese priesters, kunnen ons aftobben, ons best doen. Ternauwernood gelukt het ons bij deze of gene die afkeer te boven te komen en het goede zaad in zijn hart wortel te doen schieten. Maar talrijk zullen onze bekeringen nooit zijn, zolang ons geen godvruchtige en geleerde inlandse priesters terzijde staan”.

Hamer bracht Van de Laar bovendien op de hoogte van de vorderingen van de eerste twee door Nederland gesponsorde studenten: “In gedrag, studie-ijver en orde konden beiden, Nicolaas Yang en Vincentius Han, tot voorbeeld aan de anderen gesteld worden. Nicolaas is in het Chinees zo ver, dat wij hem na de vakantie aan het Latijn kunnen zetten. Zijn ijver geeft ons hoop op welslagen.
Vincentius was reeds verder gevorderd en heeft de eerste prijs in het Latijn behaald. Als u er belang in stelt, te weten waaruit de prijs bestond – het was een paar schoenen van wat mooier uiterlijk dan die gewoonlijk gegeven worden. Voor het Chinees had hij een broek verdiend van gekleurde stof”.

Studie van Jozef Wang, mede mogelijk gemaakt door weldoenster uit Oss

Ook zijn weldoenster kreeg een bedankbrief, waarin de bisschop vertelde over ‘haar’ priesterstudent. “Toen ik in 1886 het zuidelijk gedeelte van het vicariaat Gansu bezocht om er het heilig vormsel toe te dienen kwam mij in Huixian een jongetje huilend bidden en smeken om in het seminarie te worden opgenomen. Ik vroeg zijn naam en die was Jozef Wang. Ik dacht dat is een seminarist die de heilige Jozef ons zond om de beurs van mevrouw Josina Jurgens te genieten. Dankzij uw milde stichting konden wij het jongetje op ons seminarie opnemen”.

De studie van de jongeman was niet vrijblijvend. “Ik heb hem de voorwaarden voorgesteld die hij te vervullen heeft, namelijk gedurende zijn studiejaren dagelijks twee tientjes van de rozenkrans voor zijn weldoenster [mevrouw Jurgens uit Oss] te bidden, jaarlijks op de feestdag van de heilige Jozef ter uwer intentie tot de heilige tafel te naderen, als de goede God hem later de grote gunst van het heilig priesterschap zal verlenen en gedurende zijn [hele] leven jaarlijks voor u de heilige mis op te dragen”.

Er was niet alleen een verplichting voor de Chinese jongen, maar ook voor de Europese bisschop: “In de loop van de aanstaande zomer zal zich wellicht een goede gelegenheid aanbieden u een klein aandenken uit China te zenden. Het cadeau zal niet groot zijn, mevrouw. Een arme missionaris kan niet veel geven. U, hoop ik, zal het willen aanvaarden als een geringe blijk van onze gevoelens van erkentelijkheid. Dagelijks in de offerande [bij het opdragen van de heilige mis] houd ik een bijzondere intentie voor u en de overige stichters van studiebeurzen en bid de goede God zijn mildste zegen over u en uw geachte familie te doen neerdalen”.

***

De contacten van Ferdinand Hamer met de familie Jurgens werden uitgebouwd. Tijdens zijn verblijf in Nederland in 1890-91 logeerde de missionaris bij de familie in Oss. Die gaf hem bovendien bij zijn terugkeer naar China een bedrag van tienduizend gulden mee. Een van hun kinderen, Constant, werd later zelf missionaris en financierde de stichting van het Bisschop Hamer-huis in Nijmegen. De studiebeurzen van de familie Jurgens brachten heel wat teweeg.

Harry Knipschild
5 mei 2019