Brief uit de missie 126: Duizend rozenkransen voor pater Van de Kimmenade

0
246
Handgeschreven brieven

Martinus van de Kimmenade (1892-1972) uit Vlierden bij Eindhoven was vanaf 1922 actief als missionaris aan de oostkust van Afrika, niet ver van het eiland Zanzibar. In het tijdschrift van de missie van de Heilige Geest deed hij regelmatig verslag van zijn activiteiten om de heidenen te bekeren en de opdringende moslims op afstand te houden.

Schoolplaten in 1929

De pater maakte goed gebruik van hulpmiddelen die hem opgestuurd werden vanuit de beschaafde wereld. Zo meldde hij in november 1929: “Tot uw aller genoegen deel ik u mede dat de zeventig catechismusplaten zijn aangekomen. Jammer dat u ze zelf niet eens hebt kunnen zien. Het was de moeite waard geweest.

Ik heb ze opgehangen aan de schoolmuur voor een publiek van zo wat vierhonderd, groot en klein. U had die ogen eens moeten zien. De platen, die de schepping voorstellen en de val van het mensdom, die grote vruchtboom, die van hemel, hel en vagevuur, trokken het meeste de aandacht. In de hel bevinden zich namelijk ook slangen, schorpioenen en andere dieren, zoals er hier in het woud rondlopen. Dat alleen deed hen huiveren, nog meer dan dat rode vuur en de afgrijselijke duivelse gestalten. Ik had bijna een parket van marechaussé’s nodig gehad die morgen, ben daarin toch zelf gelukt met behulp van een lange stok.

Ook ontving ik honderdvijftig paternosters met scapulieren. Onnodig te zeggen hoe groot de vreugde was van allen”.

Rare gewoontes van heidenen

Nog meer succes zou de missionaris hebben met een zending van duizend rozenkransen, liet hij in augustus 1930 in het blad afdrukken. Van Kimmenade nam de tijd en legde uit hoe hij in zijn omgeving met rozenkransen het bijgeloof kon bestrijden.

Heidenen hielden er maar rare gewoontes op na, vond hij. “De heiden is bijgelovig. Aanhoudend ziet men hem naar het graf van een afgestorven familielid of van een afgestorven grote man gaan – of een held uit hun midden, die invloed heeft gehad in zijn leven, of geluk op aarde.

Op het graf slachten ze een geit of schaap of kip. Of zij maken bier en storten dat uit over het graf. Is dat ter verkrijging van gunsten of tot afwering van wraak? In alle geval bewijst dit hun geloof aan de onsterfelijkheid der ziel.

Wij geloven – dat is een punt vermeld in het Credo – dat heiligen onze voorsprekers zijn bij God en ons van nut zijn. Zij, de heidenen, geloven minder in het nut dat een groot man kan verschaffen na zijn dood dan wel in het nadeel dat hij hun kan berokkenen.

De mannen, die zij zo vereren na hun dood, waren dikwijls dokters of halve tovenaars, die velen in de wereld genezen hebben, maar ook velen vermoord – door vergif – met name diegenen die hun van hinder waren of die niet op een wit voetje met hen stonden of met wie zij een woordentwist of iets dergelijks gehad hebben.

Op die wijze vermoordde men vroeger missionarissen, die zulke tovenaarsgeschiedenissen aan het licht brachten en hun praktijk verminderden.

Voorbeeld van bijgeloof – wraak afweren

Een voorbeeld: heeft er tussen een man en een vrouw, of tussen naburige lui, een twist plaats gehad en sterft er iemand in de nabijheid in de acht daarop volgende dagen, dan zijn zij uiterst bang. Dan brengen zij offers op offers bij het graf van een afgestorven lid.

Zij vrezen namelijk dat de gestorvene de benadeelde zal wreken en degene die de twist ontstoken heeft zal schaden.

Die dood, dat sterfgeval, wordt beweerd de eerste wraak te zijn. Beide partijen brengen dan offers omdat beide vrezen. In een twist namelijk hebben doorgaans beide partijen ongelijk en daarom brengen beide partijen offers.

Ofwel zou zulk offer een zoenoffer zijn aan God, een bekentenis der schuld en een voldoen aan God voor de scheldwoorden, voor de oorvijgen en stokslagen, een penitentie dus, voor het overtreden van Gods gebod.

Ik voor mij geloof dat het in hun gedachte een offer is om de wraak van de gestorven ouders van de benadeelde af te weren en geenszins een boete of zoenoffer aan God, voor het overtreden van Zijn geboden. Leefden die oudjes nog, dan ware de twister veroordeeld geweest tot het betalen van een geit of een os, naarmate de slagen of scheldwoorden.

Zij hebben intussen wel degelijk het idee van een opperwezen dat zij moeten bedanken, een God, die zij bij naam noemen. Dit ziet men duidelijk in het gebruik, dat er bij geboorte van een tweeling een offer gebracht wordt onder een boom, die altijd groen is.

Nog een voorbeeld van bijgeloof

In deze streken valt er van april to december geen druppel water, zodat er dan op een ogenblik geen groen grassprietje meer is, of geen groen blad aan de boom. Eén boom is echter altijd groen en die moet wel een machtige beschermer hebben, om tussen al die bomen alleen altijd in blad te zijn. En zo leggen zij verband tussen de vruchtbaarheid van die boom en de vruchtbaarheid van dat huwelijk. Dat moet eenzelfde wezen zijn, dat die vruchtbaarheid geeft.

Naast dit opperwezen zou men uit hun gebruiken moeten besluiten dat zij geloven aan goden van mindere rang of wezens, ik weet niet hoe ze te noemen. Die boom, waaronder zij voor een tweeling offeren, zou dan een van die wezens van de tweede rang verpersoonlijken – iemand die vruchtbaarheid geeft.

Zo ziet men ook (als er sommige jaren minder regen valt, hebben sommige bronnen minder water, en verdrogen in de tweede of derde maand hitte) dat zij een offer brengen naast die uitgedroogde waterput, als leefde daar een machtig wezen van wie het afhangt dat die put altijd water zal hebben of niet.

Zo ook als er gebrek aan regen is en de jonge gewassen dreigen te verdrogen, dan gaat men naar een berg, niet een willekeurige berg, maar die bepaalde berg, die ik hier ken, om daar een offer voor regen te brengen, als ware die berg woonstede van een machtig wezen.

Ter verkrijging van regen slacht en offert men soms tot dertig ossen. Bij een waterput slacht men een os. Voor een tweeling offert men onder die boom, waarvan ik sprak, twee geiten. En op de plaats van het offer plaatst men twee kookpotten, die reeds dienden in het huis van de moeder.

Ik heb eens mijn tent opgeslagen onder zulk een groene boom. De twee potten wilde ik laten wegruimen. Maar geen der christenen durfde eraan. Toen ik ze zelf wilde wegschoppen hield men mij terug.

Een van mijn christenen zei me: ‘Pater, wacht nog een beetje’, terwijl ondertussen een heiden kwam, die mij vriendelijk verzocht deze potten niet aan te raken. Zo er een werd gebroken, zou hij verplicht zijn een os te offeren. En twee ossen als ik twee potten brak. En daarenboven vreesde hij dat ingeval ik een pot brak, een kind zou sterven.

Ik heb die potten toen met rust gelaten”.

Duivelse gebruiken

Van de Kimmenade ging door. “Nog maar vijf jaar geleden bestond hier het godsgericht. Diegene, die schuldig werd gewaand, of gezegd, moest voor de vierschaar komen van heidense dokters of liever tovenaars en werd onderworpen aan een proef.

Voor sommige delicten aan de kokend water-proef, voor andere aan de proef van een gloeiend ijzer, voor andere aan de tanden van een grote hagedis. Werd hij gebeten of verbrandde hij de hand bij het opvatten van gloeiend ijzer, of bij het uithalen van een voorwerp uit een diepe pot met kokend water, dan was hij schuldig! Zo niet, dan was dat een teken van onschuld.

En men beweert dat sommigen niet gebeten werden en niet verbrand door het ijzer of door het kokend water.

Eigenaardig is dat de tovenaar zelf eerst de hand in dat zelfde water stak of het zelfde ijzer opnam, zonder vrees. Dat moest dus wel een duivels gebruik zijn, want hoe kon die tovenaar anders ongedeerd blijven?”

Amuletten

De niet-christenen hadden nog een andere vreemde gewoonte. “Moslims gaan openlijk rond met een snoer om de hals, dat hun als een rozenkrans geldt en dat zij aftellen bij het lispelen van weet ik niet welke woorden. En de heidenen hebben de borst vol hangen met voorbehoedmiddelen.

Zakjes met zand of steentjes, vogelbekken, klauwen van dieren, stukjes van dierenhuiden, tanden, staarten enzovoort – ter voorkoming van slangenbeten, zeggen zij – of beschermmiddelen tegen een gevaarlijke val en tegen ziekten. Iedere ziekte heeft zijn behoedmiddel.

Zo bestaan er ook dingen ter verkrijging van regen over de gewassen. Is een geit of kip ziek, aanstonds verschijnt aan het zieke lichaamsdeel een amulet”.

Rozenkrans in plaats van amulet

Met rozenkransen kon de missionaris uit Vlierden in de tegenaanval gaan. “De neger hecht veel waarde aan uiterlijke tekenen van zijn godsdienst. Vóór zijn bekering is hij zeer bijgelovig, maar daarna ook zeer gelovig. Het is altijd mijn streven geweest, hen te voorzien van godsdienstige artikelen, desnoods gratis, omdat vele niet in staat zijn te betalen.

Ziehier waarom. Al onze christenen zijn verspreid tussen heidenen. In dezelfde familie zijn de ouders heiden, de kinderen gedoopt. Of van de kinderen zijn enkele gedoopt, de andere nog heiden, enzovoort.

En wat heiden is, is heiden in de volle zin des woords. De aanraking met de naburige christenen heeft hen weinig veranderd.

Zo was ik eens op schoolbezoek. Om vier uur ’s morgens werd ik wakker. Ik hoorde in de nabijheid trommelslagen en wilde mij daarvan vergewissen. In het donker kroop ik langs een hut en daar was de dans in volle gang.

Ik gluurde en gluurde of er soms christenen in de dans waren, maar tot mijn vreugde kon ik er geen enkel bespeuren. Ik bleef nog een wijl toeschouwen en daar hoorde ik omtrent 5 uur drie kinderen in de hut hun morgengebed bidden. Daarna kroop ik langzaam weg”.

Christenen kon je makkelijk herkenen – ze droegen vaak een rozenkrans in plaats van een amulet.

De rozenkrans als wapen

De missionaris zag de rozenkrans als een wapen. “Die hebben ze hier om de hals hangen. Ik heb bemerkt dat deze een wapen is. De rozenkrans afleggen doen ze niet gauw. Is iemand niet voorzien van een rozenkrans dan vraagt men aanstonds naar de reden daarvan.

Zien zij kameraden naar de dans lopen, of worden zij door slechte vrienden aangezet om mee te gaan, dan dringt zich aanstonds een schaamtegevoel op. Die rozenkrans is dan een hinder. Dus, of hem er bij neerleggen, om met de rozenkrans om de hals naar de dans gaan. In beide gevallen bestaat er iets dat hen weerhoudt en een overwinning is behaald”.

Rozenkransen hadden een gunstige uitwerking. “Dikwijls was ik op bezoek bij christenen die ziek waren. Vaak zag ik aan hals of been of om de lendenen zulke amuletten. Een rozenkrans hadden zij niet. Zelden zag ik zulke voorwerpen bij personen, die in het bezit waren van een rozenkrans.

Zelf hechten zij veel waarde aan een rozenkrans en de heidense dokter, die bij de zieke geroepen wordt, is bang iets vast te binden aan een lichaam, dat voorzien is van reiligieuze artikelen. Ik weet dat bij ondervinding. In zulk geval beperken zij zich tot het koken van drankjes of het besmeren met olie – en laten hun heidense tovermiddelen voor heidenen.

Zij offeren dan wel een dier of iets dergelijks, maar in een ander huis op aandringen van de heidense leden van dezelfde familie”.

Middeltjes

Van de Kimmenade : “Ook op andere wijze bewijzen de rozenkransen mij dienst. U herinnert zich wel het spreekwoord: een visje uitwerpen om een kabeljauw te vangen. Men moet zo van alle middeltjes te baat nemen om ze te lokken. Eén dezer middeltjes: het geven van een rozenkrans of medaille.

Natuurlijk houden niet al diegenen, die men aldus uitlokt, het vol. Ik heb er veel gezien, die van lui vlijtig zijn geworden. Vroeger kon men ze niet ter school krijgen. De rozenkrans lokte hen en, eenmaal ter school, greep dat onderricht en dat gezang, dat ze daar hoorden, hen aan en zijn vlijtige schoolbezoekers geworden. Aan mijn deur, op reis, overal klinkt het: ‘Pater, wanneer krijgen wij een rozenkrans. Kon u eens hier komen, ik geloof dat na het groetwoord ‘Geloofd zij Jezus Christus’ aanstonds een vraag volgde: ‘hebt u geen rozenkransen voor ons?’”

Rozenkransen gingen lang mee. “Als de ketting versleten is, weg gevreten door het transpireren, knopen zij de korreltjes met touwtjes aan elkaar. Sommigen, die na maanden vragen, een rozenkrans kregen, hadden al de korreltjes van de versletenen zorgvuldig, zonder er een te verliezen, in hun klein stuk stof vastgeknoopt”.

De kracht van het rozenhoedje

Van de Kimmenade besefte dat alleen het om de hals dragen van een rozenkrans niet meer dan een eerste stap was tot de zaligheid van de ziel. “Ik spreek hier alleen van de natuurlijke kracht, om zo te zeggen van een rozenkrans, buiten beschouwing gelaten de genade, die het dagelijks bidden van het rozenhoedje een ieder geeft”.

Het missiegebied onder de hoede van de Brabantse pater telde op dat moment ongeveer vijfduizend christenen. Maar, was zijn conclusie, hoe meer rozenkransen, hoe meer bekeringen. “Ik zou ze goed weten te plaatsen”.

Afscheid

In 1933 – op de feestdag van het Onbevlekt Hart van Maria – vierde de missie van de Heilige Geest het zilveren jubileum van de missie in het Afrikaanse gebied. Dat zelfde jaar nog namen de Passionisten de plaats in van Martinus van de Kimmenade.

“In afwachting tot deze paters hier zijn”, schreef hij gehoorzaam, “ben ik met een groot werk begonnen: het maken van een dictionnaire voor de Kissandawi-taal. Ik ben nu gereed om naar een ander hoekje van de wijngaard van Onze Lieve Heer te trekken”.

Harry Knipschild
24 juni 2019