Brief uit de missie 28 Fetishen in Benin (Nigerië)

0
1212
handgeschreven brief

In de tweede helft van de negentiende eeuw trokken heel wat Europeanen naar Afrika. Ze kwamen in een volstrekt andere cultuur terecht dan ze in hun eigen land kenden. Missionarissen traden vaak op als pioniers. In bladen en kranten deden ze verslag van hun ervaringen met andere religies – in hun belevingswereld: bijgeloof en afgoden. De paters waren er immers van overtuigd dat alleen zij het bij het rechte eind hadden. Wat de ‘wilden’ van kerkjes, kruisbeelden en heilige missen vonden deed niet ter zake. Pater Beaugendre, lid van de ‘Congregatie voor Afrikaansche Missiën’ maakte zijn lezers op 10 november 1872 deelgenoot van hetgeen hij had meegemaakt op de kust van Benin. Dat was een vorstendom in het huidige Nigerië. Zijn ‘brief uit de missie’ werd in 1874 opgenomen in de eerste jaargang van het tijdschrift Katholieke Missiën. Beaugendre was vooral geraakt door ‘fetishen’. Dat waren voorwerpen die door de wilden vereerd werden.

Pater Beaugendre in een heidense tempel
“Ik trad door een lage, enge deur in een donkere hut”, zo begon de missionaris. “Die diende tot voorportaal voor grotere vertrekken. Boven de deur hing de fetish-bewaker van het huis. Hij doodt iedere dief die het waagt de dorpel te overschrijden. Een weinig verder hing tussen twee andere fetishen een watervat. Dat was versierd met een vijftigtal mohammedaanse gebedsformulieren.

Ik riep: ‘Open mij de deur’. Een hese stem antwoordde: ‘Kom binnen’. Ik opende een kleine deur. Deze gaf toegang tot een smalle gang. Geen lichtstraal kon er doordringen. Een wilde kwam mij tegemoet. Zijn gezicht was getatouëerd. Zijn hoofd was kaal geschoren op een enkele haarlok na. Als enige kleding droeg hij een sjerp om zijn middel.

Hij herkende mij als de priester van de blanken. De man ontving mij met veel eerbied. Maar zonder mij met de gebruikelijke groeten te overladen. Zijn hele houding getuigde van een zeker wantrouwen. Toch bracht hij mij naar het vertrek waar de gang op uitliep. Ik was in een fetish-tempel beland. Juist waren een fetish-priester en een oude priesteres verdiept in de uitvoering van afgoderij. Ik moest gaan zitten. De afgodspriesters deden alsof ze me niet zagen. Ze hadden een onderhoud met de fetish Ifa, de beschermgod van de palmnoten.

Het inwendige van de tempel boezemde een zekere afkeer in. In het halfdonker zag ik alleen de verwilderde ogen van de duivelse priesters. Overal waren vlekken van bloed. De priesteres met haar wild en los hangend haar wierp soms een woeste blik op mij.

Ik moest mijn mond houden. Zodoende kon ik alles nauwkeurig bekijken. Dicht bij me stond een fetish. Die was met vers bloed overgoten. Een andere fetish was met palmolie besmeerd en versierd met veren van hanen. Op de muren waren talloze bloedvlekken te zien. De afgodspriester, bijna geheel naakt, had een mes bij zich liggen. Rondom zich had hij een aantal zwarte potten neergezet. Die opende hij op een geheimzinnige manier. Vervolgens deed hij ze weer dicht.

Plotseling stiet hij een schrille kreet uit. De priesteres herhaalde die. Hij nam een met water gevulde kalebas-fles. Een gedeelte van het water goot hij op de grond. Daarna dronk hij uit de fles en gaf die aan de priesteres. De man nodigde mij uit eveneens een teug te nemen. Toen ik weigerde keek hij me verontwaardigd aan. Daarna nam hij een schaal met kleine rode vruchten (cola’s). Hij verdeelde iedere vrucht met de tanden in twee stukken. Ik wees ook dit gerecht af. Opnieuw zeer onvriendelijke blikken. Mijn gastheer liet zijn vrouwen roepen. Die kwamen. Ze wierpen zich neer voor de fetish Ifa, dronken van het water, aten van de bittere cola’s en verwijderden zich”.

Het heidense geloof
Na afloop van de plechtigheid klopte de missionaris zijn gastheer op de schouder. Hij probeerde te begrijpen wat de inwoners van Benin voor vreemde dingen uitgespookt hadden. “Vriend”, zei hij. “Wat hebt u gedaan”.

Die opmerking was aanleiding tot een discussie. “Vriend. Een vriend die bij zijn vriend komt en niet wil eten of drinken?” De Fransman legde zijn gedrag uit. “‘Weet U dan niet dat de God van de Blanken mij verbiedt iets te nemen wat U aan Ifa hebt opgedragen. Laat mij water brengen uit uw put en pluk mij cola’s van de struik. Gaarne wil ik in uw huis iets gebruiken’. Nu was ik vriend van het huis. Ik durfde dan ook wat vragen te stellen. Waarom toch vereert U Ifa?

‘Om rijk te worden, goed te kunnen eten en veel kinderen te hebben’.
Maar waarom dan deze grote god die U met bloed overgoten hebt?
‘Dat is Eoumilorum [de god die met moeite in de hemel gekomen is]. Ik moet aan hem wel offeren’.
En die andere, die palmolie gedronken heeft?
‘Dat is mijn vader’.
Hoe? Uw vader? Maar die is immers dood? Wat kan die met palmolie doen?
Eoumilaye zag mij lomp aan… Hij begreep mij niet.
Zeg mij eens, ging ik verder, wat hebt u gedaan toen uw vader gestorven is, en wat doet u nu nog voor hem?
‘Al dikwijls zijn de bladeren van de boomen gevallen’, begon hij, ‘sinds mijn vader gestorven is. Hij was rijk en had veel vijanden gedood. Hij was een groot en dapper hoofd van zijn stam en had veel vrouwen. Nauwelijks was hij dood of er kwamen veel vrienden om te bidden, die olie en tafia [rum] brachten; wij dansten en baden zeer lang. Daarna gaven wij hem tafia te drinken. We boden hem mooie stoffen aan. Zo zou hij altijd goed gekleed gaan. Wij gaven hem veel schelpen om slaven te kopen. En ook nog een sabel en een mes. Wij lieten hem het bloed drinken van een kip, een geit en een os. Zie maar eens wat ik hem nu dagelijks geef’.

Nu wees hij op de met palmolie begoten fetish, op de hanenveren die hem versierden en op de aarden potten die rondom hem stonden. ‘Deze olie moet hij eten, met deze moet hij zich inwrijven om niet stijf te worden. Daar heeft hij ook cola’s, schelpen, water, alles wat hij nodig heeft om rijk te leven. Iedere morgen en avond kom ik hem vragen wat hij nodig heeft, en minstens vier keer in de maand slacht ik voor hem een haan, een geit of een os’.

Maar gelooft u dan dat uw dode vader en uw Ifa eten, drinken en u begrijpen?
Het ware geloof
Deze vraag verbaasde hem. Ik maakte van die gelegenheid gebruik om hem iets over het christendom te zeggen. Hij luisterde zeer aandachtig. Ik vertelde dat onze priesters en priesteressen (religieuzen) niet op zijn priesters en priesteressen geleken. Zij hadden immers ouders, vrienden en vaderland verlaten om hem en zijn landgenoten de ware leer te verkondigen. Zij trouwden niet. Als het aan hen lag zouden de zwarten tot hun familie behoren.

Die verklaring riep heel wat vragen op. De man riep al zijn huisgenoten bij elkaar. Hij legde uit wat een priester van de blanken voor iemand was. Herhaaldelijk zei hij: ‘Zij trouwen niet. Hij zegt dat onze kinderen ook de zijne zijn!’”

Pater Beaugendre had het pleit naar eigen zeggen gewonnen. “Binnen enkele dagen”, hoorde hij, “zal ik u bezoeken en een van mijn kinderen brengen. Zodra de blanke priesteressen [zusters] komen, zal ik ze een van mijn dochters geven”. Dat was een geweldige prestatie, legde de Franse missionaris aan zijn lezers uit: “Als een kind op die manier afgestaan wordt is het vrij om zijn eigen godsdienst te kiezen. Het wordt beschouwd als het eigendom van de God van de Blanken”.

De Europese priester kon tevreden vertrekken. Dat had hij snel voor elkaar gekregen. “De arme wilde begeleidde mij bij mijn vertrek met ten minste evenveel eerbied als hij voor zijn Ifa aan de dag legde. Talloze keren riep hij ‘Tot ziens!’ Herhaaldelijk drukte hij mij de hand. Ik was al een eind op weg toen hij mij nog stond na te staren”.

Het relaas van pater Beaugendre was nog niet ten einde. De pater liet niet na te vertellen hoezeer hij gruwde van de lokale begrafenisrituelen. Fetish-priesters speelden er nog een dominante rol. “Ze zijn gekleed in huiden van verschillende kleuren. Met hun vuisten slaan ze op trommels. Dat doen ze om de boze geesten schrik aan te jagen. In het graf worden mondbehoeften gelegd. Iedereen spreekt nog een tijd met de overledene”. De redacteur van het missieblad voegde er nog wat feiten aan toe. Ook bij begrafenissen was het een bloedige bedoeling. “De inwoners zijn niet altijd tevreden met het bloed van kippen, geiten en ossen. Dikwijls stroomde er vroeger en stroomt er ook nu nog mensebloed bij een begrafenis”

Kortom, de Europeanen hadden nog heel wat te verbeteren in het zwarte continent.

Harry Knipschild

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here