Brief uit de missie 32 Het zal je maar gebeuren!

0
1177

Jacob Postma (geb. 1925) werkte 45 jaar lang als missionaris voor de Augustijnen in Bolivia. Toen het land, vernoemd naar Simon de Bolivar, zich in 1825 los maakte van Spanje had dat grote consequenties voor de verbreiding van het katholieke geloof. “Bij de vrijheidsverklaringen in 1825 etcetera werden alle missionarissen het land uitgezet. Dat waren vooral Spanjaarden”, liet pater Postma me onlangs weten. In het onafhankelijk geworden Zuid-Amerika was jaar in jaar uit een groot tekort aan priesters. Paus Pius X stelde het probleem aan de orde in de encycliek ‘Lacrimabile Statu’ (1912). Na de eerste Wereldoorlog konden de kerken er profiteren van de sterke groei van veel Europese missiecongregaties, aldus Jan Derix in het overzichtswerk ‘Brengers van de boodschap’. De missionarissen gingen er niet heen om heidenen te bekeren. Dat was eerder gebeurd. Ze hielpen plaatselijke bisschoppen om het kerkelijk leven weer op gang te brengen. In sommige landen kwam driekwart van de priesters uit het buitenland.

Nederland hielp een handje mee in bijvoorbeeld Bolivia (hoofdstad: La Paz). In 1918 vertrokken de eerste Lazaristen, in 1930 gevolgd door de Augustijnen. “De eerste groep, die op 8 oktober 1930 naar Bolivia scheep ging, bestond uit de paters Chrysostomus van Dijk en Tarcisius Brouwer, en twee broeders: Fredericus van Grinsven en Fidelis Eyckenmans”. Door onzekerheid en onderlinge onenigheid keerde het viertal binnen een paar maanden naar Nederland terug”. Thomas van der Vloodt, 60 jaar oud, trad in de periode april 1931 – februari 1934 op als de leider van een tweede groep Augustijnen. Zijn devies was: ‘Niet sterven, maar werken’. Ondanks het overlijden van Van der Vloodt in 1934 hield de missie stand en breidde zich zelfs uit .
“Thomas van der Vloodt was een van mijn grote voorbeelden”, schreef Jacob Postma, die in 1950 in zijn voetsporen naar Bolivia vertrok. “Maar ook pater Marcelinus Mes (1946-1948) en de heilige Franciscus Xaverius. In een geschiedenisboek las ik dat Franciscus direct de voornaamste gebeden, de tien geboden, het credo (‘ik geloof’), de kleine catechismus en enkele liederen liet vertalen in de taal waar hij aankwam. Daar preekte hij mee”.

Jacob (Jaime) Postma
Ik vroeg pater Postma naar zijn roeping.
“Mijn ouders waren overtuigd en practiserend katholiek. Wij baden altijd samen, vóór en na het ontbijt, middag- en avondeten. Elke morgen gingen wij om 7 uur naar de H. Mis. Het was normaal. Als kleine jongen wilde ik altijd pater worden. Wat dat allemaal insloot, wist ik toen natuurlijk niet. Toen ik een jaar of tien was kregen we bezoek van de Capucijnen-bisschop mgr. Van Valenberg. Hij was de bisschop van mijn oom Jacob, broeder Lebuines. Die was werkzaam als missionaris in Pontianak op het eiland Borneo (Nederlands-Indië). Ik vroeg de bisschop of ik ook Capucijn mocht worden. ‘Ik zal het met je vader regelen’, zei hij. Mijn ouders hebben mij altijd gesteund met mijn roeping. Ik denk dat ze God dankbaar waren. Misschien waren ze erg blij dat één van hun kinderen priester zou worden”.

Toch bent u niet als Capucijn naar de missie vertrokken.
“Ik ging naar het seminarie van de paters Capucijnen in Langeweg bij Moerdijk. Ik kon toen al een beetje piano spelen. Mijn vader had het mij geleerd. Tijdens de laatste jaren van het seminarie kreeg ik een hele goede pianoleraar. Ik werd steeds beter. Bijna alle walsen van Chopin kon ik van buiten spelen. Maar ik voelde wel dat ik als Capucijn (in die tijd) de piano wel vaarwel kon zeggen.

Wat gebeurde nu? Annie, mijn oudste zus, werd door pater Amatus van Straten, Augustijn in Witmarsum, gevraagd een meisjes-club op te richten. Tijdens mijn vakantie in Bolsward (waar wij woonden) vertelde zij me dat er een aankomend Augustijn (novice) was die heel mooi Mozart op de piano speelde. Dat bracht me ertoe naar Witmarsum te gaan. Daar werd ik door pater Seroe, de magister, goed ontvangen. Ik weet niet meer of ik het woord piano toen gezegd heb. De piano, het was oorlog, stond veilig ingepakt bij een boer. Elk ogenblik kon het klooster (met inboedel) door de Duitsers in beslag genomen worden. In ieder geval wilde ik Augustijn worden. Ik werd aangenomen en ging in 1943 naar het noviciaat. Het ideaal van de H. Augustinus kwam later”.

Hebt u zelf voor uitzending naar Bolivia kunnen kiezen?
“Enkele maanden na de priesterwijding (19 maart 1950) wachtten wij allemaal op onze benoeming. Het was voor mij een complete verrassing. Ik wist nauwelijks waar Bolivia lag”.

In de missie
Niet veel later arriveerde u in Bolivia.
“Ik kende geen woord Spaans. Bij aankomst in La Paz was ik welkom. De volgende dag stond ik al voor het altaar. Op zaterdag mocht ik meedoen met dopen. Soms dertig op één avond. Het was allemaal in het Latijn. De mensen verstonden er niets van. Ze lieten alles over zich heengaan. Er was veel te doen. Veel H.H. Missen opdragen voor overledenen. Drie of vier elke dag. Dikwijls heel plechtig met drie heren. Na een maand had ik mijn eerste preek gehouden. In het tweede jaar gaf ik al les op de lagere school. Toen ik twee jaar in La Paz was geweest, werd ik tijdens het kapittel van augustus 1952 in Nederland (!) benoemd tot kapelaan in Chulumani. Zonder mijn weten.”

Ik vroeg hem nog eens hoe het ging met de bekering van de heidenen. Dat is toch het beeld dat we van de missie hebben?
“Pas op. Noem ze nooit heidenen. Want dat zijn ze niet. Omdat al de Spaanse missionarissen het land uitgezet werden was er gebrek aan priesters. Zodoende vertroebelde het christelijk geloof. Gelukkig werd veel geremd door Maria-devotie, processies, beelden van heiligen, wijwater, heiligdommen en doden-cultus. Die tradities remden de katholieken in hun val. Maar nu zijn ze problemen voor een echt christelijk leven. Zolang je met hun tradities meegaat, zijn er geen moeilijkheden. Maar wil je iets corrigeren, moet je het heel verstandig aanpakken. Als je ruzie maakt, verlies je het vertrouwen en moet je weer opnieuw beginnen”.

Hoe was uw relatie met de (protestantse) zendelingen in Bolivia?
“Ik waardeer het vele goede dat de protestanten bereiken. De Adventisten en Evangelisten in ons missiegebied. Studie van de bijbel, geen alcohol, veel zingen en bidden. Zij krijgen soms gedaan wat wij niet klaar krijgen. Maar zij sluiten zich af van de gemeenschap dus ook van ons, missionarissen. Vriendschap, nee”.

Toch waren er wel eens misverstanden.
“Ik kreeg eens te horen: En, mijnheer de dominee [señor pastor], hoe laat zal morgen de dienst [el culto] beginnen?” “‘Dominee, dominee’, zei ik. ‘Ik ben helemaal geen dominee. Ik ben toch pater Jaime die al zo vaak deze kant uitgekomen is’.
‘Oei, oei. Wat een vergissing. Wij zitten allemaal, de hele middag, op de nieuwe dominee te wachten. Ze hadden ons gezegd dat wij hem goed moesten ontvangen en de weg wijzen’. Ze praatten allemaal door elkaar. Ik had al gauw in de gaten dat ze mij voor de nieuwe dominee aangezien hadden. Ik wilde nog wel zeggen: ‘Als jullie wat vaker naar de H. Mis gekomen waren, dan hadden jullie mij wel herkend!’, maar ik hield gelukkig deze woorden in. Met een stevige omhelzing en met ‘Que Dios les pague’ (dat God het jullie moge vergelden) hebben we afscheid genomen na deze oecumenische samenkomst. Ik weet niet of zij even blij waren als ik met deze ‘gelukkige’ vergissing”.

U bent tientallen jaren als missionaris in Bolivia actief geweest. U kreeg te maken met grote veranderingen.
“Vóór 1950 waren de boeren, de campesinos, nog echt onderhorigen. Het leek wel op slavernij. Er waren ook grote sociale problemen tussen mijneigenaren en mijnwerkers. En tussen eigenaren van fabrieken en de arbeiders. Vanaf 1950 waaide er een andere wind door het land. De mensen reisden naar de stad, gingen kranten lezen en naar de radio luisteren. De campesinos, hoofdzakelijk Aymara-indianen, ontwikkelden zich en pasten niet meer in het keurslijf van vroeger. De boeren eisten landbouwhervorming. Maar de heren lieten zich niet zomaar terugdringen. Wij zaten daar tussen in. De ‘burgers’ vroegen mij wel eens: ‘Waarom gaat u zo dikwijls naar de campo, het land, die indianen? Hebt u het hier bij ons niet goed?’ Beide groepen waren onze parochianen. Onze voorkeur was bij de armen, dus bij de campesinos.

‘Er kwamen nieuwe regeringen. Landbouwhervorming, nationalisering van de mijnen en veel wetten die de arbeiders steunden. Maar het was oppassen. Opvoeding was noodzakelijk. Anders: wanneer een arme rijk werd, zou hij van een arme drommel in de baas van vroeger veranderen en hetzelfde doen als de oude bazen. Zowel links als rechts moesten zich ‘bekeren’. Er is veel ten goede veranderd”.

Hoe zijn de contacten met de familie in Nederland verlopen?
“Tijdens vakanties ben ik altijd goed ontvangen door mijn vader, mijn zes zusters en twee broers. We schreven elkaar regelmatig brieven. Maar dat had geen invloed op het werk in Bolivia. Er was geen ‘thuisfront’”.
Terug in Nederland
In 1996 kwam u voorgoed terug in Nederland. Met een heel andere bevolking dan bij uw vertrek in 1950.
“Het duurde een hele tijd voordat ik mij goed voelde, en ik ben nog niet helemaal klaar”, schreef hij in 2008. “Ik werd uitgenodigd voor een bezinningsweek voor priesters, diakens en pastorale werkers. Tussen de meditaties door kon je met een van de leiders een gesprek aanvragen. Karel Pouwels, directeur van bezinningscentrum Emmaus in het Brabantse Helvoirt vroeg na de begroeting hoe ik geslapen had. Ik zei: ‘Slecht. Ik lag [in Bolivia] weer bijna in de afgrond met mijn jeep’. Karel Pouwels dacht lang na en zei: ‘Mag ik je wat vertellen. Jij hebt in Bolivia, soms in heel korte tijd, te veel meegemaakt. Dat zit je nog dwars. Schrijf zoveel mogelijk op. Schrijf van je af. Dat zal je goed doen. Je moet je geheugen schoonmaken, op orde zetten’”

Jacob Postma legde ‘een serie opmerkelijke verhalen’ vast in de publicatie ‘Het zal je maar gebeuren!’. Zoals over de dag dat hij als de ‘nieuwe dominee’ ontvangen werd. Het boek wordt steeds herdrukt en is onlangs in een Spaanse versie verschenen.

Harry Knipschild

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here