Brief uit de missie 58: Paul-Piet Hendriks (1846-1906), een eigenzinnige missionaris

0
1863
handgeschreven brief

Missionarissen, mensen die de wijde wereld introkken om het katholieke geloof uit te dragen, waren soms heel bijzondere mensen. Dat moet wel zo zijn als je leest wat er over hen geschreven is. Eén van hen, Paul-Piet Hendriks, werd op 17 maart 1846 in Venlo geboren. Nadat hij tot priester gewijd was sloot hij zich begin jaren 1870 aan bij de missie van het Onbevlekte Hart van Maria (Scheut, bij Brussel), die sinds 1865 actief was in het noorden van China.

Kort voor zijn vertrek naar het missiegebied droeg hij in zijn geboorteplaats nog een laatste mis op. In het Venloosch Weekblad van 8 maart 1873 was te lezen: “Onder de hoogmis nam Hendriks, die binnen weinige dagen zijn leven aan de missie in Mongolië gaat wijden, afscheid van zijn medeburgers. Indrukwekkend was de schildering van dat land en zijn bewoners, die zoveel honger lijden aan het woord van het evangelie. Kalm en bemoedigend bleef hij bij het verhalen van de gevaren die hem wachten. De taal van de missionaris was verheven en hartelijk. Maar welk een kinderhart zou niet vermurwen bij de blik op ouders en vrienden, wanneer men hun het afscheid toeroept, hoogstwaarschijnlijk om ze niet meer dan in het volgend leven te ontmoeten.

Hartroerend waren de ogenblikken, toen hij zich in het gebed en de vriendschap van zijn stadgenoten aanbeval. Zijn verlangen was slechts dat zij zich hem dikwijls zouden herinneren. Hij beloofde tevens dat hij hen in het H. Misoffer niet zou vergeten. De tranen die men in aller ogen zag blinken, waren het bevestigend antwoord op zijn nederig verzoek”.

Twee maanden later, op 3 mei 1873, citeerde het weekblad nog uit een brief die in Venlo ontvangen was. “Pater Hendriks heeft tot Aden [in Jemen] voorspoedig gereisd. Hij bevindt zich aan boord van het schip Iraouaddy. Op eerste paasdag heeft hij op het dek van de boot, onder een tent met verschillende nationale vlaggen, de mis opgedragen. Ondanks de ondragelijke hitte in de Rode Zee zijn er geen zieken aan boord”.

Eerste ervaringen in China

Nog vóór zijn vertrek had Hendriks in Duiven de familie van missionaris Theodoor Rutjes opgezocht. Kort na aankomst in het verre oosten werden hij en Rutjes door hun overste samengebracht. De eerste paar jaar trokken ze veel met z’n tweeën op. Zo belandden ze onder andere in Hohhot, die in de missie vooral werd aangeduid als de ‘blauwe stad’.

Voor hun vertrek stuurde Hendriks nog een kort briefje naar de familie Rutjes in Duiven. Hij had er een mooie foto van zijn compagnon bij gevoegd. “Overmorgen vertrekken wij samen naar de Mongolen met de tent op de rug van het paard. Zoals u ziet aan het portret maakt Dorus [Rutjes] het bijzonder goed. Het is een hele vent geworden. Hij heeft een flinke baard. Mijn inkt is zo slecht dat ik me schaam om er nog mee te schrijven, zelfs al had ik het niet zo druk met inpakken. Maar dat is niets, later schrijven we lange brieven”.

De missie in Hohhot was voorlopig geen succes. De autoriteiten deden er alles aan om de twee westerlingen zo snel mogelijk weer uit de stad te verwijderen. Na enige tijd werden Hendriks en Rutjes weggejaagd. Ondanks dat zat de stemming er goed in. Rutjes schreef aan zijn familie tenminste op 26 januari 1874: “Wij zijn heel tevreden. In Hendriks heb ik een compagnon die mij het leven niet alleen dragelijk maar ook genoeglijk maakt”. Hendriks beheerste tal van Europese talen. Meer dan wie ook pakte hij de studie van het Mongools met succes aan.

In de geschriften van de paters van Scheut lees je niet veel later minder positieve berichten over de Venlose missionaris. Hendriks was zelfs voor zijn collega’s een bijzonder iemand. In 1879 bevond hij zich ‘in een deerniswekkende toestand’. Tijdens een winterse reis waren zijn handen bevroren: “Zodanig dat, als hij ze tegen elkaar sloeg, het hem scheen aan de uiteinden der armen niets anders meer dan twee stijve planken te hebben. Vandaag zijn de vingers buitenmate gezwollen, het opgespannen vel is gebarsten. Uit de barsten vloeit een bloedig vocht.

De ongelukkige lijdt zulke geweldige pijn dat hij zijn handen niet kan gebruiken. Hij schreeuwt van schrik als iemand er naar wijst. Een knecht moet hem eten geven en hem als een klein kind kleden. De [bekeerde Chinezen] zeggen dat zijn handen zijn hele leven stijf zullen blijven, als hij tenminste geen delen van zijn vingers verliest”.

Volgens het verslag was het min of meer de schuld van Hendriks zelf. “Op de hele wereld is er niemand zo verstrooid als hij. Hij is altijd bezig de sterren aan te staren of met diepzinnige geheimenis te overwegen. Hij had niet eens gemerkt dat zijn handen, vooruitgestoken om de teugel [van zijn rijdier] vast te houden, vol gesmolten sneeuw lagen. Hij was zo vol verrukking dat hij de sneeuw niet afgeschud had [tijdens de rit in de ijskoude noordelijke winter]”.

Een jaar later, in 1880, vonden de paters in noordelijk China dat er met Hendriks niet meer samen te werken viel. In het missiegebied was hij meer een last dan een lust. En dan te bedenken dat er altijd een tekort aan priesters was. De problemen liepen evenwel zo hoog op dat bisschop Jaak Bax, hoofd van de missie van Scheut in China, hem niet alleen naar Europa terug stuurde maar bovendien een brief naar de hoogste missiebaas in het Vaticaan, kardinaal Simeoni, stuurde om zich over hem te beklagen. Scheut was hem liever kwijt dan rijk.

Uitgestoten

Terug in zijn vaderland ging Hendriks, zo lijkt het, op zoek naar een nieuwe job als priester. Overal dook hij op. Zo was hij in september 1881 aanwezig op een feestje van de Heilige Kindsheid, een belangrijke sponsor van de missieactiviteiten in China. In het verslag werd met geen woord gerept over de reden waarom de pater zich niet op zijn plek in de missie bevond.

“Onze pastoor gaf het woord aan Hendriks, missionaris van de congregatie van het Onbevlekte Hart van Maria, in Mongolië opdat Zijne Eerwaarde iets zou zeggen. Wie zou zulks beter kunnen dan iemand, die jaren ooggetuige is geweest van het jammerlijke en ijselijke van de arme wichtjes van China en Mongolië beschoren? [die werden kort voor hun dood vaak te vondeling gelegd]. Dit eenvoudig, kinderlijk, maar trillend woord ging dan ook ter harte en trof doel. Het aanzienlijke van de collecte, daarna ten voordele van het genootschap [H. Kindsheid] gehouden, bewijst het”.

Hendriks zegende de kinderen tijdens het lof en deelde na afloop versnaperingen uit.

In de brieven die overste Vranckx van Scheut rondstuurde maakte hij duidelijk dat Hendriks vergeefs op zoek ging naar werk als geestelijke. Aan het einde van het jaar besloot hij hoe dan ook naar China terug te keren, desnoods te voet, zoals de apostelen dat eerder gedaan hadden. Een waarschuwing van Vranckx om zich vooral niet in het missiegebied van Scheut op te houden legde Hendriks naast zich neer.

Het Vaticaan had de missionarissen van het Onbevlekte Hart van Maria er herhaaldelijk op gewezen dat het verre westen van China [Xinjiang] ook tot hun missiegebied behoorde. Vanwege de afstanden en het tekort aan paters was het daar echter nooit van gekomen. Paul-Piet Hendriks ging er op eigen gelegenheid heen om het geloof te verkondigen.

Scheut voelde zich nu meer dan ooit verplicht om zelf missionarissen naar dat gebied, dat ze aanduidden met Koeldja en Ili, te sturen. Toen de eerste drie paters er arriveerden troffen ze Hendriks aan. De verwarring was groot, met name bij de leiding in China en Europa. Ferdinand Hamer, de bisschop die direct verantwoordelijk was voor het territorium Xinjiang, stuurde op hoge poten brieven rond, naar Hendriks, Scheut en naar kardinaal Simeoni in Rome. De priester uit Venlo moest verdwijnen, uit zijn ambt gezet worden. Zo snel mogelijk. Hij liep iedereen alleen maar in de weg.

De tochten van Paul-Piet Hendriks

Missionaris Hendriks was een ongewenst persoon geworden. Enkele keren reisde hij heen en weer tussen China, België, Nederland en Rome. Waarschijnlijk om steun te zoeken. Vergeefs. Overal dook hij op.

In 1907 deed Cornelis Simons, geboren in Zierikzee en missionaris van Mill-Hill in Kashmir (Brits-Indië), verslag van zijn ontmoeting met de pater uit Venlo.

“Wonderlijke dingen verhaalde men van Hendriks, dingen welke aan het romantische grensden. Zo zou hij tweemaal beproefd hebben om dwars door Siberië heen te paard naar Europa te reizen, vermomd als derwisch. Tweemaal zou hij te Odessa, in het zuiden van Rusland, door de Russen in de gevangenis zijn geworpen, verdacht van spionage”.

Simons zou nooit hebben kunnen vermoeden dat hij die rare pater ooit zou ontmoeten, schreef hij. Toch gebeurde dat. “Het was winteravond, omstreeks acht uur. De volle maan hing als een elektrische lamp aan de bijna wolkeloze hemel. Het vroor dat het kraakte. De omliggende bergen, wegen en velden waren met een dik sneeuwkleed bedekt. Er heerste een plechtige, indrukwekkende stilte om mij heen. Die werd slechts nu en dan onderbroken door het geblaf van een hond op een nabij zijnde hoeve ofwel door het klaaglied van een troep jakhalzen in de bossen.

Ik had het avondmaal gebruikt en kort daarna mijn knechten op één na naar huis gezonden. Thans liep ik, om een luchtje te scheppen en tevens wat lichaamsbeweging te hebben, kalm op en neer onder een afdak, dat ongeveer 15 meter lang was en van mijn huis naar de hoofdingang leidde van mijn erf, waartoe een grote deur, van tralies voorzien, toegang verleende.

Ik verheugde mij reeds in het vooruitzicht een hele avond voor me te hebben, waarop ik ongestoord, gezeten bij een vrolijk haardvuur, voortgang zou kunnen maken met mijn vertaling van het Nieuwe Testament in de landstaal, waarmee ik reeds lang bezig was.

Opeens werd ik uit mijn mijmering gewekt door het gekraak van voetstappen op de hard bevroren sneeuw. Een lange, zwarte gedaante kwam in mijn richting. Naderbij bleek het iemand gekleed als Chinees, met een lange staart op de rug en een pak onder de arm. Mijn eerste gedachte was aan de een of andere Tibetaan, die waarschijnlijk naar Kashmir was gekomen met zijden kleding, tapijten of andere koopwaar”.

Simons werd onverwacht in het Nederlands aangesproken. Pater Hendriks was in Kashmir opgedoken.

De pater uit Zeeland heette zijn landgenoot welkom en nodigde hem uit binnen te komen. “Ik heb zoveel van U gehoord”…

In zijn verslag schreef de missionaris later: “Goede hemel, wat zag de arme man er miserabel uit. Een grijsaard met uitgemergeld gelaat, met ingevallen ogen, lange, verwaarloosde baard, gekleed in een versleten plunje. De ontbering was duidelijk zichtbaar. De gedachte, dat deze persoon een priester van God was, een missionaris en bovendien een landgenoot… Behoef ik te zeggen dat mijn gemoed vol was, zo vol dat ik nauwelijks mijn tranen kon bedwingen. Een poos moest ik vruchteloos naar woorden zoeken”.

Hendriks reageerde positief op de ontvangst. “Hoe heerlijk warm is het hier” zei hij trerwijl hij zijn verkleumde ledematen over het haardvuur uitstrekte. “Wat een gezellige kamer en wat ziet U er goed uit”, zei hij tegen Simons. “Wat ben ik blij U hier aan te treffen. Men had me gezegd dat U hier woonde. Ik was bang dat U misschien afwezig zou zijn”.

Hendriks liep over van emotie volgens de pater van Mill Hill. “Ik heb in jaren geen katholiek priester ontmoet, en nu een priester te mogen begroeten, die tevens mijn landgenoot is”. Simons: “Hendriks kon zijn gevoel niet langer bedwingen, omhelsde mij als ware ik een oude bekende en schreide als een kind. Ofschoon van nature niet sentimenteel was mij dit toneel echter te aangrijpend om nog langer te verhelen wat er in mijn binnenste omging, zodat ook bij mij de waterlanders te voorschijn kwamen”

Simons zette zijn collega-priester in bad, bracht hem nieuw ondergoed, een paar vilten pantoffels en een toog en liet zijn knecht een maaltijd opdienen. Die avond staken ze samen een sigaar op en dronken een fles ‘inlandse’ rode wijn leeg. De verhalen kwamen vanzelf op gang. “Pater Hendriks had genoeg te vertellen”.

De pater was vol lof over de talenkennis van zijn landgenoot. “Hij kende Frans, Engels, Duits, Russisch, Pools en Italiaans, om niet te spreken van Chinees en drie andere oosterse talen. Hij prefereerde het Frans dat hij sprak met de acuratesse en élégance van iemand die in Parijs geboren was. Het Hollands kon hij door zijn langdurig verblijf in den vreemde nog slechts gebrekkig spreken. Hij bediende er zich zelden van, tenzij om op het een of ander woord meer nadruk te leggen”.

Pionier in Kashgar

In het verslag van Cornelis Simons (1865-1925) is vooral bewondering voor Hendriks te vinden. De pater uit Limburg had zich naar eigen zeggen intussen in Kashgar, in het uiterste zuidwesten van China gevestigd. Daar kon hij het met name goed vinden met de Britse consul. Engelsen waren ‘gentlemen’. Met de Russen had hij minder op.

De twee missionarissen konden er natuurlijk niet om heen. Hoe ging het met het aantal nieuwe katholieken op de plek waar Hendriks zich gevestigd had?

“Het bekeringswerk gaat schoorvoetend vooruit”, hoorde hij. “Pionierswerk is en blijft altijd moeilijk. Het gaat er mee als met het ijs van een gletscher. Bij de oppervlakkige beoordelaar schijnt het ijs stationair te blijven. Maar de aandachtige toeschouwer bemerkt dat het vooruit gaat. Ik ben feitelijk de eerste katholieke missionaris in Kashgar. Daarom hoef ik nauwelijks te zeggen dat ik met talloze moeilijkheden te kampen heb gehad. Dat viel me zeer hard, vooral op grote kerkelijke feesten. Dan dacht ik onwillekeurig aan de pracht en de praal van onze kerken in Holland, en dan deed het me wee om het hart. Maar van de andere kant voelde ik de kracht van de goddelijke genade op zichtbare wijze. Men is nooit minder alleen dan wanneer men alleen is. De missionaris ondervindt de waarheid van die schijnbare tegenstelling”.

Volgens Hendriks had hij nog nooit een moslim kunnen bekeren, maar welke enkele boeddhisten. “Die nemen hun godsdienstplichten in het geheim waar. Op zondag wonen ze de H. Mis bij in mijn onderaardse kapel”

De twee paters raakten niet uitgepraat. “We keuvelden voort tot laat in de avond, altijd even gezellig, altijd even interessant. Vele dingen die hij mij vertelde maakten een blijvende indruk op mijn geest, ook het levendige gebarenspel, waarmee ze vergezeld en de geestige en pikante wijze waarop ze gekruid waren. Tot mijn niet geringe spijt vertrok pater Hendriks na een verblijf van vier [!] weken”.

Was dat geen aanwijzing voor de verbondenheid van de mannen uit Zierikzee en Venlo?

Bij Scheut dacht men nog steeds anders over de uitgestoten Hendriks. Pater Vranckx, die lange tijd de leiding had in België, liet zich in zijn correspondentie met het missiegebied enkele malen uiterst negatief over hem uit. “Alleen God weet hoe het met deze ongelukkige priester zou aflopen”. Niet goed dus.

Op 5 mei 1899 schreef bisschop Hamer vanuit China naar Van Hecke, de opvolger van Vranckx: “Wat U over hem schrijft is waarlijk ongelukkig. Het bewijst mij wederom wat ik al in 1876 gezegd heb, namelijk dat hij zot is. Ofschoon Rutjes toen antwoordde: ‘Hij is zo zot niet als U denkt’. Nu, te zeggen dat hij zot is, is de zachtste uitleg. Want als hij niet zot is, is hij slecht. Met zotte mensen moet men medelijden hebben”.

Het leven van pater Hendriks in Kashgar

Cornelis Simons was niet de enige Europeaan die hoorde van de avonturen van Paul-Piet Hendriks in het hart van Azië. ‘Gewone’ Europeanen, leken, geen missionarissen dus, die er rondtrokken of verbleven, stuitten op zijn opvallende aanwezigheid.

In 1931 keek de echtgenote van de Britse consul Macartney in Kashgar in een autobiografie boek terug op haar bestaan in China. Haar echtgenoot had in die tien jaar maar één vriend in die stad – dat was pater Hendriks. “Hij was zeer intelligent, sprak veel talen en had belangstelling voor alles wat er in de wereld aan de hand was. We noemden hem de krant omdat hij elke dag het nieuws verspreidde. Hij was missionaris bij een of ander genootschap geweest. Ze hadden hem uitgestoten omdat hij zich niet hield aan de regels. In Nederland had hij een klein kerkje onder zijn hoede gekregen, maar dat was niks voor hem. Hij ging er vandoor, vluchtte naar het oosten en vestigde tenslotte zich in Kashgar”.

Mevrouw Macartney vond Hendriks maar een eigenaardige man. “Hij kleedde zich in een Chinese jas. Van zijn zwarte priesterhoed was niet veel meer over. Hij rende altijd maar rond alsof hij grote haast had en iets belangrijks te doen had. Hij woonde helemaal alleen in een vervuilde ruimte. Elk najaar vervaardigde hij grote hoeveelheden wijn voor de mis die hij dagelijks in zijn eentje opdroeg. Zijn altaar was een kist met een vuil kanten kleed erop. Zeep en water kwamen in zijn manier van leven niet voor.

Hij sprak van bekeerlingen, maar we merkten er nooit iets van. We kwamen tot de conclusie dat het een pijnlijk onderwerp was. Maar eccentriek of niet, het was een vreselijk aardig man, altijd vrolijk en opgeruimd. Een inkomen had hij niet, hij leefde van wat hij van zijn vrienden kreeg. Mijn man zei altijd dat hij het in Kashgar nooit had kunnen uithouden zonder het gezelschap van pater Hendriks. Zelf las ik samen met hem Franse teksten”.

Hendriks had waarschijnlijk een beetje gejokt tegenover pater Simons over die bekeringen van boeddhisten. In zijn reisboek uit 1924 was de Zweed Sven Hedin nog wat duidelijker over het resultaat van de bekeringswerkzaamheden van de Nederlander.

“Tijdens een gesprek in Kashgar trad een pater in lange, bruine pij, met baard, bril en haviksneus het vertrek binnen en begroette mij met enkele woorden in het Zweeds. Het was pater Hendriks. Hij was in 1885 van Tomsk en Koeldja naar Kashgar gekomen, samen met de pool Adam Ignatiev. Sedert zijn aankomst had hij geen enkele brief ontvangen en zijn verleden was een mysterie. Adam Ignatievev droeg een kruisbeeld om de hals. Men wist dat hij tijdens het laatste Poolse oproer een pope had helpen opknopen. Hij was derhalve naar Siberië verbannen.

Pater Hendriks bewoonde een armtierig vertrek met lemen vloer en vensters van papieren ruiten, een stoel, een tafel, een bed en enkele vaten wijn, want hij was een meester in de bereiding van wijn.

De kamer, waarvan één der wanden met een kruisbeeld was versierd, diende tevens als kerk. Elke dag werd er de mis gelezen. De gelovige gemeente bestond uit Adam Ignatiev. Maar toen kregen ze twist en Adam Ignatiev werd niet meer tot de ‘kerk’ toegelaten. Pater Hendriks ging echter voort dagelijks de mis te lezen, voor lege muren en volle wijnvaten. De arme Adam moest buiten, door het sleutelgat, toehoren”.

Als je op deze verslagen afgaat had de Nederlandse geloofsverkondiger uitermate weinig succes in de opdracht die hij zich zelf gegeven had.

De dood van pater Hendriks in Kashgar

Sommige missionarissen slaagden erin aan het einde van hun leven naar het vaderland terug te keren en er nog wat jaren in ruste te verkeren. Dat was Hendriks niet gegeven.

Mevrouw Macartney: “Al enige tijd wisten we dat hij leed aan keelkanker. We nodigden hem uit bij ons in te komen wonen en zich door ons te laten verzorgen. Maar zijn enige verlangen was alleen te zijn, en hij stief dan ook zonder dat er iemand bij was. De dag voor zijn dood was hij nog bij ons geweest. Hij zag er verschrikkelijk ziek en zwak uit, maar ondanks alle pijn die hij moest verdragen glimlachte hij en had een vrolijk woordje voor onze baby, de pater was zeer aan haar gehecht.

De volgende dag trof mijn echtgenoot hem levenloos aan in zijn vuile onderkomen”.

Een andere westerse bezoeker, Aurel Stein, deed anno 1912 verslag van het einde van de Venlonaar in 1906. Ook hij moest constateren dat de gezondheid van de pater steeds minder werd. “Zijn vrienden en beschermers waren zich ervan bewust dat kanker zijn leven verkortte. Maar de oude priester in zijn semi-Chinese kostuum ging gewoon door elke dag de ronde te doen bij de Britten, Russen, Zweden en Chinezen. Hij had nu eenmaal een onverzadigbare hang naar menselijk contact. Zo bleef hij ‘de krant’ van Kashgar. Toch realiseerde niemand van ons zich hoe dicht het einde nabij was.

Op 22 juli ontdekte Macartney dat de arme priester, die dicht bij de waterpoort woonde, van al zijn lijden verlost was, waarschijnlijk door een beroerte. Omdat de missionaris alle hulp geweigerd had was er geen getuige. Macartney en de Russische consul-generaal Kolokolov overlegden hoe het nu verder moest. De Rus, oudste vriend en beschermer van de overledene, nam de taak op zich zorg te dragen voor de begrafenis.

Vanwege die gebeurtenis bleef Stein nog een dag in Kashgar. “Op 23 juni vonden we Kolokolov en zijn officieren bij de winkel van de timmerman. Ze wachtten totdat de kist klaar was. Die zou de vorige avond al afgeleverd zijn. Dat soort mensen konden maar niet opschieten. Op het heetst van de dag stonden we daar langdurig te wachten. We trokken ons terug in een sarai om na te praten over het vreemde leven dat nu afgelopen was. Regelmatig gingen er Russen naar de werkplaats van de timmerman. Een paar kozakken hielpen mee er de laatste hand aan te leggen. Menigeen stond bij de doodskist te roken. Die kist en de rokende mannen, het was een contrast, een chiaroscuro, dat zich in mijn geheugen gegrift heeft”.

Toen de kist eindelijk klaar was werd die naar de bescheiden verblijfsruimte gebracht, waar de missionaris uit liefdadigheid had mogen wonen. Ieder lid van de Europese kolonie volgde de kist door de stoffige straten. De enige bekeerling die de oude priester ooit geclaimed had, een Chinese schoenlapper, stond op de uitkijk.

De twee kamers van de arme priester zagen er even erbarmelijk uit als altijd. Boeken, kaarten, huishoudelijke voorwerpen, spullen om Kashgar-wijn te maken, en wat al niet meer, het lag allemaal door elkaar. Ik zag het eenvoudige altaar waar hij in zijn eentje de mis opdroeg. Een deur gaf toegang tot de uitgegraven ruimte die dienst deed als wijnkelder en laboratorium.

Het stoffelijk overschot van de overledene, gekrompen door langdurig lijden, werd met eerbied door de kozakken in de doodskist gelegd. Ik moest denken aan wat zich hier allemaal door zijn hoofd gegaan was.

Learning, indeed, he had in plenty and experience of many people and lands; yet orderly use of this knowledge was as difficult as quick discovery of any particular object in this accumulation. But what only personal intercourse could reveal was the old priest’s child-like kindness of heart and warm interest in all whom chance had brought near him”.

De stoet zette zich midden op de dag opnieuw in beweging. Voorop de leden van het Russische consulaat, erachter de kozakken, lange sterk-uitziende mannen uit Orenburg aan de Oeral-rivier, die de kist droegen. Het was een paar kilometer lopen naar het Russische kerkhof. Op het laatste stuk begonnen ze hymnen te zingen, zoet en melancholisch.

De Russen en Zweden waren het niet eens kunnen worden over de precieze manier waarop de begrafenis in godsdienstig opzicht voltrokken moest worden. In feite bleven alleen die Russische gezangen over. Auriel Stein legde vast hoe de Europeanen afscheid namen van de missionaris uit Venlo: “There was nothing for us but to say farewell to the weary wanderer in reverent silence, and to trust that a tombstone which Mr. Macartney was preparing to raise would soon mark his last resting-place”.

August Thiry, docent aan de Katholieke Hogeschool Mechelen, reisde in 1997 naar Kashgar om de grafsteen op te zoeken. Op 13 oktober 2002 schreef hij mij: “Ik heb er in mijn naïeve ijver tevergeefs gezocht naar het graf van Hendriks. Hij werd begraven op het orthodoxe kerkhof bij het Russische consulaat; dat laatste staat er nog, het kerkhof heb ik niet gevonden”.

De stoffelijke herinneringen zijn dus hoogstwaarschijnlijk verdwenen. Hetgeen over hem opgetekend is en enkele van de brieven die hij geschreven heeft kunnen ons nog eens aan het denken zetten over de idealen van een gedreven en eigenzinnige missionaris.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here