Brief uit de missie 62: Wim de Kort op missie na de Tweede Wereldoorlog

0
1624
Handgeschreven brieven

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden missionarissen en missiezusters het moeilijk in de gebieden die door de Japanners veroverd werden. In plaats van beschermd te worden door de Europese autoriteiten kwamen velen van hen in interneringskampen terecht. In 1945 en 1946 moest de situatie van vóór de oorlog hersteld worden, althans dat was de bedoeling. Eén van de nieuwe missionarissen die in 1946 de missiegelederen gingen versterken was de Lazarist Wim de Kort, op 21 augustus 1917 in Tilburg geboren. Het reisverslag dat hij schreef is bij zijn familie bewaard gebleven.

Het schip waarmee De Kort op 5 november 1946 naar het verre oosten voer heette ‘Maarschalk Joffre’. “Het is nog in grijs-zwart oorlogsgewaad”, merkte hij op. Aan boord bevonden zich 1.200 militairen en veertig geestelijken. Wie weet zouden missionarissen het westerse geloof weer goed kunnen verbreiden dankzij al die soldaten. De Kort maakte de reis met andere Nederlandse Lazaristen. Onderweg zongen ze ‘Hollandse liedjes’ als ‘Holder de bolder’, ‘We gaan nog niet naar huis’, ‘Blauw geruite kiel’ en het Wilhelmus.

Saigon

In de omgeving van Saigon, de hoofdstad van Zuid-Vietnam, beseften de priesters dat het er nog lang niet veilig was. “We ankerden, ik weet niet waarom, midden in de river. De volgende morgen liepen we pas binnen in de haven. Zo waren we midden in Indochina [de Franse koloniën Vietnam, Laos, Cambodja]. Overal was min of meer heibel en gevaar. We werden aan wal geroepen door een Franse Lazarist. Het was een legeraalmoezenier. Hij had een open militair wagentje met chauffeur bij zich. De negen heren geestelijken konden er precies op”.

Opnieuw werd er gezongen: “Ik heb mijn wagen volgeladen”. De missionarissen begaven zich onder leiding van de legeraalmoezenier naar het soldatenkwartier. “Onder een koele dronk bier maakten we kennis met de luitenant. Het bier kwam goed van pas, want in Saigon was het smoorheet”.

De Kort en zijn collega’s mochten een paar dagen logeren bij de zusters van Liefde in Cholon, de Chinese stad dichtbij Saigon. Daar was tevens het Rode Kruis ondergebracht. Voor de missie was er nog volop werk. “Er wonen ongeveer 200.000 Chinezen. Maar is slechts één katholieke parochie met kerk en scholen. De zusters waren blij te kunnen spreken met mensen die zo pas uit Europa kwamen. Ze hebben de Japanse bezetting meegemaakt”.

Ook in het zusterhuis was het niet veilig. “De eerste nacht lukte het slapen niet erg. Er was een klein nachtelijk voorval. De nacht tevoren waren er dieven in huis geweest en hadden aardig wat ‘georganiseerd’. De zusters vroegen toen hulp aan de soldaten. Zodoende werd het huis – en wij dus ook – door drie of vier gewapende mannen bewaakt.

Rond 11 uur werden we opgeschrikt door een reuze knal. Een keihard geweerschot van vlakbij. Er was grote consternatie. De mannen konden elkaar niet vinden en schreeuwden: ‘Wat is er gaande?’ Ze waren zeer wantrouwend wegens de guerilla-oorlog die vooral ’s avonds bezig was. Dan was er overal meer of minder gevaar.

Een van ons wou naar de wc gaan. Maar hij kreeg de geweerloop op zich gericht. Wat was er aan het handje? Een soldaat had een verdacht persoon op het erf van de zusters opgemerkt. De wacht was op z’n hoede en schoot er dus onmiddellijk op los”.

Vanuit Saigon maakte de groep Lazaristen verschillende uitstapjes. “We hadden twee wagens tot onze beschikking, een militaire en de Rode Kruis-auto van de zusters. We bezochten een school en een militair hospitaal. Ook daar werkten de zuster van Vincentius. De hospitalen liggen vol soldaten. Niet alleen gewonden, maar vooral ook zieken. Allemaal wegens het ongezonde klimaat.

Vóór het donker moesten weer terug. Want de soldaten die ons reden wilden ’s avonds niet op de weg zijn, vooral niet in het binnenland. Overal zaten van die Vietnammers die tegen de Fransen zijn. Ze konden overal opduiken. En ze gaan niet flauw te werk: ogen uitsteken, buik open snijden. Een Franse soldaat zei ons: ‘Dat zal mij niet overkomen. Als het ooit zo ver komt dat ik me aan hen moet overgeven is de laatste kogel voor mij zelf’”.

Hanoi

Op de feestdag van Sint Nicolaas voer het schip, nog steeds tijdelijk bezit van de Franse regering, vanuit Saigon in noordelijke richting langs de kust van Vietnam. Normaal gesproken ging de tocht rechtstreeks naar Hongkong. Maar in december 1946 werd er een extra stop gemaakt. “Eerst zakten we de mooie rivier af. Dan wierp de Joffre zich opnieuw in de strijd met de golven van de zee. In plaats van naar Hongkong te koersen stak hij zijn neus in het noorden [van Vietnam]. We moesten naar de baai van Along om soldaten af te zetten voor Hanoi en [havenstad] Haiphong. De meesten onder hen hadden nog geen wapens. Dus erg happig waren ze niet”.

Voor alle zekerheid werd op zee nog een reddingsoefening gehouden. “Want als er toevallig schipbreuk komt moet je je eigen zien te redden”. Bij aankomst in Noord-Vietnam was het genieten. “We voeren de baai binnen. Magnifiek: aan alle kanten rotsen, die uit zee oprijzen, in de verte de bergen. Hier lagen we stil midden in het kalme water. We ankerden niet in de haven om moeilijkheden te voorkomen. Het was daar oorlog”.

De Kort had geen hoge dunk van de Franse defensie in Indochina. “Voor de veiligheid hadden ze zelfs de mitrailleur opgesteld. Eén hele mitrailleur! De soldaten stapten over op een ander schip. Ze zaten nu min of meer in de oorlogsmisère. Want vooral in die hoek bij Hanoi was het vrij onrustig”.

Hongkong

In Hongkong (12 december) hadden de paters het meer naar hun zin. “Het is de mooiste haven die we gepasseerd zijn: tussen grote bergen in. ’s Avonds waren de hellingen bezaaid met lichten. Ofschoon Hongkong een Engels domein is was het al volop duidelijk dat we ons in de Chinese wereld bevonden. Het wemelde er van bootjes met de Chinese vlag in toom en bezet met Chinese karakters”.

Een missionaris die naar China ging liet tot dan toe zijn baard groeien. Dat maakte indruk omdat je dan ouder leek. Dat hielp bij het missioneren. Maar nu waren er andere tijden aangebroken. De Kort liet zijn baard na drie jaar juist verwijderen. “Ik ben ertoe overgegaan op aanraden van een Chinese priester aan boord. Hij had twee dingen tegen een baard. Ten eerste staat het niet als je jong bent. En vooral: je valt direct op als vreemdeling. En dat moet niet, zeker niet tegenwoordig. Ik geloof dat hij het goed zag”.

De missionarissen lieten zich in Hongkong ook ‘inspuiten tegen cholera en inenten tegen pokken. Anders mag je zo maar niet China binnen. We lieten het maar doen. Geen last. Daarbij deed de scheepsdokter het voor ons gratis’. De Nederlandse Lazaristen, van een Franse missie-congregatie, reisden bovendien tegen een sterk gereduceerd tarief op het Franse schip .

Op weg naar China

Het afscheren van de baard had nog onverwachte consequenties voor De Kort toen hij zich weer op zee bevond: “De zeedouane kwam aan boord. Een heel legertje. Ze waren zeer secuur. Iedereen moest een groot formulier invullen. Er werd zelfs gevraagd of je vrienden had in China, en zo ja welke.

Eindelijk was het mijn beurt. Er zaten drie inspecteurs. De eerste gaf mijn paspoort direct door aan de tweede en deze aan nummer drie met een opmerking in het Chinees erbij, waar ik geen letter van snapte. Ik had wel door waar het haperde. Nummer drie bekeek mijn pasfoto. ‘Bent u dat?’

Yes!

Nog even kijken. Ronduit zei hij: ‘Not the same’.

Hij moest niet denken dat ik een nieuwe pas in Holland ging halen. De sukkel kwam er natuurlijk niet uit omdat ik geen baard meer droeg. Ik moest nóg eens mijn handtekening plaatsen op het formulier. Toen ging het door en kreeg ik een stempel op mijn pas. Verbeeldt u even dat ik in het zicht van het beloofde land moest stranden”…

Van Shanghai naar Peking

De ‘Maarschalk Joffre’ leverde de Lazaristen af in Shanghai. Aan boord bevond zich tevens Mgr. Antonio Riberi (1897-1967), de eerste internuntius van Rome voor China. Dat gaf een mooi aankomstritueel. “Een kleine harmonie deed haar best om de internuntius welkom te heten. Verschillende bisschoppen met de Chinese kardinaal Tien [1890-1967] voorop stonden klaar om hem af te halen”.

De Kort bevond zich nu op Chinese bodem. Maar hij en zijn medebroeders moesten nog verder. Ze werden verwacht op het hoofdkwartier van de Lazaristen in Tianjin ten oosten van Peking. “Wanneer en hoe konden we verder? Reizen per trein was onmogelijk wegens de rooien [communisten onder leiding van Mao Zedong]. Per boot? Voorlopig niet. Er was er pas een vertrokken. Daar zaten we met de gebakken peren. Maar we waren tenminste al in China”.

In Shanghai kwamen de Nederlanders in contact met Amerikaanse Lazaristen. “Die waren op z’n Amerikaanse uitgerust. Eén van hen had, geloof ik, maar liefst vijftien kisten meegebracht”.

De Amerikaanse Lazarist MacGuire, secretaris van het Amerikaanse welfare-comité in China, raadde zijn Europese confraters aan een vliegtuig naar het noorden te charteren. Bovendien hielp hij de missionarissen aan redelijke goedkope vliegtickets. Voor 200 gulden per pater zouden ze met een Amerikaans toestel naar Peking gebracht worden. Voor De Kort was het zijn eerste vlucht. Inmiddels was het 22 december 1946.

“We waren al vroeg op pad om de mis te lezen en wat te eten. Op een Amerikaanse vrachtwagen reden we naar het vliegveld. Wat stond daar een vracht vliegtuigen. Ons toestel, een mooie viermotorige Amerikaanse vogel, stond al klaar. Controle van de kaartjes. Een flinke tas hete koffie.

We kregen een stuk parachute omgegord. Van de uitleg verstonden we geen snars. De zeven geestelijken waren klaar voor de dodensprong. De namen van de passagiers werden afgelezen. We konden instappen.

Het was een militair transportvliegtuig met ongeveer twintig passagiers. Met een degelijke riem werden we op ons stoeltje vastgebonden. Het vliegtuig nam een aanloopje, peddelde flink, raasde over de baan, steeds harder, tegen de 200 kilometer per uur. Dan een snukje, hup en we hingen tussen hemel en aarde, gedragen door de lucht. Richting Peking.

Hij steeg steeds, tot op bepaalde hoogte. Alles leek heel gewoon. Niet de minste neiging om te vallen. Wel kreeg je een gekke druk in je lijf. Je ogen werden vochtig. Maar je slikte eens flink en het was oké. Geen beroerdigheid, braaklust of iets dergelijks.

Gelukkig werd het vliegtuig verwarmd. Ver onder je zag je akkers en dorpen in scherpe lijnen, alsof het getekend was. Dan weer water, een grote rivier of de zee”. De Kort was toch nog een beetje bang. “Stiekum dacht ik: ‘Als hij, nu wij erbij zijn, deze keer maar geen stukken krijgt’”.

Tijdens de vlucht had de missionaris uit Tilburg nog een bijzondere ontmoeting. “Er kwam een man naast me zitten. ‘Ik ben de piloot van het toestel’, zei hij. Hij vloog al jaren op deze routes, nooit ongemakken gehad. Hij stelde veel belang in ons, hoewel hij blijkbaar niet katholiek was. ‘Wat gaan jullie doen? Heidenen wat zijn dat?’ Direct vertelde hij het door aan zijn compagnon: ‘Die paters gaan weer voor tien jaar naar China’”.

De Kort was verbaasd dat de piloot zo maar naast hem was komen zitten. “Moest die schoenmaker niet bij zijn leest, dus bij het stuur blijven. Vooral als je zo in de lucht hangt te dwarrelen. De piloot bracht me naar de cockpit om te kijken. Je zag er twee sturen. Maar dat was voornamelijk voor op de grond. Er zat een man wat te praten. Vóór hem was een groot schakelbord met misschien wel vijftig knopjes. De piloot draaide een klein beetje aan één ervan en we zakten onmiddellijk. Dan weer wat terug gedraaid en de vogel stak zijn neus weer in de hoogte. Het gaf een stomme indruk. Je zou verwachten dat ze daar ernstig aan het werk waren.

In de cockpit had je wel ruim zicht. Niets dan lucht. Links en rechts, zoals op een weg, bestond er niet. Bomen, tegenliggers, kruispunten, verkeersagenten, niets van dat alles. De aardkloot lag diep onder ons, tamelijk klein. Zodoende had je niet in de gaten dat we er in een tempo van 200 kilometer per uur tussen uit suisden”.

De Kort had nog een vraag in petto voor de piloot. “Kunnen we dalen daarginds?” In Shanghai had hij in de krant gelezen dat de communisten het vliegveld tot op niet meer dan één kilometer genaderd waren.

“Onze piloot wist er weinig van en bleef er koud onder. Al zei hij voor de gein: ‘Misschien schieten ze ons neer’. De Amerikaantjes zijn niet gek. Er is dan ook niks gebeurd. Weldra hingen we boven Peking. We waren al aan het zakken. Het ging met horten en stoten, zoals een vogel dat ook wel doet. De ogen werden weer vochtig. Slikken was de boodschap. In prachtig tempo nam de vlieger weer contact met moeder aarde om na enkele minuten stil te staan.

Per auto naar de stad. We zaten bijna op een troep varkens die de straat overstaken. Na die kleine hindernis kwamen we bij de kathedraal en het huis van de Lazaristen, tevens het huis van de Chinese kardinaal [Tien], van de congregatie van Steijl. Hier was het ook dat Europeanen en Amerikaanse priesters, zusters en leken door de Jappen geïnterneerd waren [tijdens de oorlog]”.

Naar Tianjin

Het laatste stuk van de reis, van Peking naar Tianjin op 23 december 1946, noemde Wim de Kort in zijn verslag de ‘finale’. “In de trein passeerden we veel kleine stations die door een troepje geweermannen bewaakt werden. In Tianjin pakten we een paar taxi’s en zo arriveerden we onverwacht in het huis van Mgr. de Vienne, onze nieuwe bisschop. Eindelijk waren we, in de beste gezondheid, waar we wezen moesten.

Met open armen werden we ontvangen. Inmiddels was het acht jaar geleden dat de laatste jonge priester van Europa hier aankwam. Eind goed al goed. Even nog was het echt op z’n Hollands: een borrel en een stevige grendel [een copieuze maaltijd?]. Iedereen was verbaasd dat we het hem in zo korte tijd geleverd hadden. Op 24 december zaten we om tien uur ’s avonds in de kathedraal voor de nachtmis. Ik was subdiaken. God zij dank”.

Wim de Kort hield het geen tien jaar vol op het Chinese vasteland. In 1951 werd hij door de communisten verbannen. In Taiwan zette hij het missiewerk voort door een parochie te stichten in Toucheng. In 1964 keerde de missionaris naar Nederland terug. Op 16 september 2000 overleed hij in Eindhoven. Op 23 september bracht de familie hem op de begraafplaats Heiderust in het Limburgse Panningen naar zijn laatste rustplaats.

Met dank aan Anneke en Leon Segers

 

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here