Brief uit de missie 64: Missionarissen, een bolwerk tegen communisme en andere gevaren

0
2110
handgeschreven brief

Wie goed katholiek was las vroeger de Katholieke Illustratie. In een tijdperk dat er nog geen televisie was werd je door het weekblad te lezen goed katholiek op de hoogte gehouden van hetgeen zich in de wereld afspeelde.

Vanzelfsprekend werd de missie niet vergeten. Zo ook in 1949, vier jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en het begin van de dekolonisatie. Adolf Melchior (geb. Schagen, 1898) reisde in die tijd rond in het oosten van Afrika. Hoewel (nadrukkelijk) niet katholiek werd de arts in staat gesteld zijn verslag in de Katholieke Illustratie te publiceren.

Het harde leven van de vrouw in Afrika

Op 15 december gaf Melchior een inkijkje in het leven van de zwarte bevolking. Vooral de vrouwen leidden volgens hem een hard leven.

“De vrouw van de neger moet hard, té hard werken. Ze moet haar man en haar kinderen verzorgen, of die man nu één vrouw heeft of meer. Ze moet in de hut werken. En op de akker. Ze moet zorgen voor de verkoop van het oogstoverschot en voor de inkoop van het huishouden. Ze moet de kleren maken, al is dat niet veel, en de matten vlechten.

’s Morgens vroeg al, bij het eerste daglicht, kun je de negervrouw naar de akkertjes zien gaan: een kind in de hand, een kind op de rug en het gereedschap op het hoofd. Je kunt ze zien spitten, of beter gezegd: zien hakken, want dat gebeurt met een soort dissel en nooit met een spade. Je ziet ze er wieden, binden, plukken, kortom alles doen wat er gedaan moet worden.

Als de baby schreeuwt, wordt die met een handige zwaai van de rug naar de borst geschoven en de moeder werkt door, terwijl het kind drinkt. Is de grotere nog klein, beneden de drie, vier jaar, dan eist ook die nog vaak een eigen maaltijd. De vrouw werkt zo door tot de middaghitte haar naar huis drijft. Met het kind weer op de rug, soms met de moegespeelde grotere nog op een heup en met haar lasten op het hoofd keert ze naar de hut terug, waar ook manlief komt uitblazen na zijn werkzaamheden.

Maar voor moeder de vrouw is het geen rusten! Er is nog zoveel te doen: brandhout halen en klein hakken. Water halen uit de rivier of uit de bron, die soms ver van huis ligt.

De mais moet gestampt worden met een dikke, ebbenhouten stamper in een grote, houten vijzel; het meel moet heel fijn gewreven worden tussen twee stenen en vervolgens gezeefd in de grote gevlochten wannen, zodat een kostelijke witte bloem overblijft. Daarvan moet de stopverfachtige, zouteloze ugali gekookt worden, het hoofdvoedsel van de negers”.

De maaltijd

Ook tijdens het eten moest de vrouw zich wegcijferen. “Pa krijgt het warm en vers voorgezet met wat vis of vlees, als ze dat bemachtigen kunnen, met wat groen en met wat saus. De kleine kinderen krijgen dunne ugali tot stikkens toe in de mond gestopt. De groteren eten zelf, naar het voorbeeld van de vader, het hoofd van het gezin. Hij neemt een plak ugali in de hand en kneedt die tot een bal, drukt daar met zijn duim een kuiltje in, dat hij handig volschept in de saus. Daarna eet hij het geheel smakelijk op.

Lepels, messen, vorken, borden zijn er niet. Maar het gaat keurig in zijn werk en een enigszins beschaafde neger zal bovendien voor de maaltijd steeds zijn handen wassen – wat ik van mijn eigen kinderen lang niet altijd kan zeggen.

Natuurlijk krijgt ook de moeder haar portie, maar dat zal wel net als bij ons op ’n hip en ’n drip tussen de bezigheden door gaan. Want al is een man ook nog zo goed voor zijn vrouw, nooit zal hij haar helpen bij ‘vrouwenwerk’. De hele buurt zou hem uitlachen: vrouwen zijn nu eenmaal vrouwen. Al zijn ze nog zo slim en bijdehand, ze tellen bij de gekleurde rassen nu eenmaal niet voor vol. En zeker niet in dit oosters land, dat zo sterk beïnvloed is door de mohammedanen, die de vrouw niet eens een ziel toekennen!”

Rolverdeling tussen man en vrouw

In het deel van Afrika waar Melchior zich bevond was de rolverdeling tussen man en vrouw anders dan hij gewend was. “Volgens de paters, die talloze gezinnen natuurlijk door en door kennen, zijn er toch veel mannen op hun wijze vol zorg voor hun vrouwen. Maar dat neemt niet weg, dat het op mij, grasgroen uit Europa gekomen nieuweling, een rare indruk maakt, als je een zwart echtpaar ziet wandelen.

Meneer voorop, een stok of speer in de hand. Vijf meter achter hem loopt mevrouw, een last op het hoofd en een kind op de rug. Ze volgt haar heer en gebieder als een schaduw, die wat is achter gebleven. Toch, ondanks de vijf meter afstand, lopen ze samen druk te keuvelen. Nooit heb ik gezien dat de man haar last eens overnam. Nooit dat hij zijn vrouw naast zich liet lopen. Zijn prestige zou er door verloren zijn.

Dit sluit echter helemaal niet uit dat de vrouw hier de slavin van haar man is! Schijn bedriegt! Zo goed als overal ter wereld weet ook hier Eva zich te weren. Vooral bij de niet tot het christendom gebrachte negers is dit nodig, want die hebben, als het enigszins kan, meer vrouwen waardoor de heer der schepping door het ‘verdeel en heers’-systeem zeker een geduchte voorsprong heeft. Maar niettemin, het aantal huwelijksverwikkelingen, dat de paters missionarissen voorgelegd krijgen, is heel groot.

Vergeet niet, dat het oude stamgebruik het de man maar al te gemakkelijk maakt zijn vrouw ‘de scheiding te geven’. Hij zendt haar dan naar haar ouders terug met altijd wel te vinden redenen voor haar ondeugdelijkheid”.

Het leven van zwarte vrouwen bij moslims en ‘heidenen’

Afrikaanse mannen die zich door de missionarissen hadden laten bekeren waren er in sommige opzichten op achteruit gegaan. “Omdat de mohammedanen en de heidenen nóg zo handelen, is het voor de christennegers vaak moeilijk aanvaardbaar, dat zij dit niet zouden mogen. Als hun vrouw nu eenmaal ondeugdelijk is gebleken, als ze te lui is of twistziek, als ze niet goed koken kan, als ze de akker niet goed bebouwt of zijn simpele garderobe niet goed onderhoudt, als ze te veel praat, te veel uitgaat of te vriendelijk tegen andere mannen is? Er is altijd wel een stok om een hond te slaan en hun eigen mannelijke fouten en gebreken spelen geen rol. Daar wordt eenvoudig niet naar gevraagd. Dat doet er ook niet toe want ze hebben hun vrouw eerlijk betaald, en, niet waar, ieder wil nu eenmaal waar voor zijn geld.

Zowel de ambtenaren op de boma, het gouvernementshuis, als de raad van dorpsouderen en vooral de paters van de missie, krijgen van al deze moeilijkheden ruimschoots hun deel. Ze moeten praten en overtuigen, berispen en plooien, vergoelijken en dreigen, om de gescheurde huwelijksbootjes weer te lijmen.

Natuurlijk bemoeien ook de familieleden zich er mee. Vooral de familie van de vrouw zit deze op haar staart, ten einde de zaak weer in het reine te krijgen. In geval van scheiding is deze familie immers gehouden de echtgenoot de koopsom terug te betalen! Dikwijls lukt het zo, met vereende krachten, het schip weer in de vaart te krijgen, al zeilt het dan ook niet steeds in pais en vree verder”.

Verschillen door de moderne ontwikkelingen

In sommige streken, vooral aan zee, had de nieuwe tijd zijn intrede gedaan, met alle gevolgen van dien. “Een factor, die Afrika veel onheil kan brengen, is de jarenlange afwezigheid van vele negers in hun gezin en hun dorp. Vele mannen zijn door hun dienstverband bij vreemdelingen uit hun stamverband en uit hun oeroude primitieve leven weggerukt. Zij dragen broeken en gekleurde overhemden.

Zij nemen gemakkelijk allerlei van de Europeanen over, waardoor ze in uiterlijk en manieren belachelijke karikaturen van zichzelf worden. Natuurlijk hangt dit in hoge mate af van de omstandigheden. In het meer afgesloten binnenland zijn ook de mannen nog onbedorven kinderen van Afrika. Daar lopen ze nog met speer en met pijl en boog, gekleed in een vuile, zwierige doek, al heeft die dan ook het oorspronkelijke lendenschortje vervangen.

Maar daar jagen ze nog of ze vissen, zoals in de meer afgelegen dorpen aan de kust. Daar zijn ze nog trots op hun stam-kenmerken en gebruiken. Daar ook hebben de mannen nog het oude gemakkelijke leventje, tenminste zolang alles goed gaat. Want als er droogte heerst of zelfs hongersnood, dan is het de taak van de man er voor te zorgen dat zijn gezin eten krijgt.

Hij behoeft het weliswaar niet te bereiden, maar hij moet toch zorgen dat het er komt. Hij moet gaan zoeken, het elders gaan kopen. Hij moet het met geld en goede woorden van de autoriteiten zien los te krijgen of van de Indiërs, met heel veel geld en met soms onmogelijk te vervullen beloften. Of anders: een contract tekenen voor plantagewerk, zijn vrijheid verkopen, ver weg gezonden worden, ver van het land, van zijn gezin, zijn stam, om wellicht jaren door te brengen op de grote plantages, waar hij behoorlijk geld verdient, maar waar hij weinig goeds leert en in feite het leven leidt van een contract-koelie, van een slaaf.

Hij wordt gestuurd waar het zijn meester goeddunkt, tegelijk met vele en velerlei lotgenoten. Hij leeft zonder gezin, zonder vrouw, zonder de discipline van de stam. Hij werkt hard, hij verkwist zijn geld en blijft dus even arm, waardoor hij na afloop van het contract dikwijls weer voor jaren moet bijtekenen. Maar hij leert de ontevredenheid kennen, hij, het primitieve ‘zieltje zonder zorg’ van vroeger.”.

Het communisme ligt op de loer

Volgens Melchior was de neger door al die ontwikkelingen vatbaar voor het gevaarlijke communisme dat in Rusland en andere Oost-Europese landen zo verschrikkelijk huishield. “Hij wordt een gewillig slachtoffer van de slechte propaganda, die hem vraagt waarom nu zijn baas zoveel meer moet verdienen dan hij. Een propaganda, die hem eisen opdringt, welke even onredelijk als onvervulbaar zijn, en die hem een goedkoop communisme instampt, dat zijn rechten opblaast en zijn plichten verzwijgt en waarvan hij in ieder geval het gebrek aan logica niet begrijpt.

Er dwalen helaas zo velen af van het normale dagelijkse leven der zwarte inboorlingen als gevolg van de onbeschaafde, moderne penetratie, die niet meer is tegen te houden; die Afrika onherroepelijk veranderen zal, als niet alle goedgezinde blanken daartegen scherp waken”.

Missionarissen zorgen voor een goede samenleving in Afrika

Wie kon het communisme beter bestrijden dan Europese missionarissen. “Hier is een grote en moeilijke taak voor Europa weggelegd, waaraan momenteel in hoofdzaak alleen de missionarissen en zendelingen werken. Ik doel hier niet op die kant van het werk der missie, die mij, niet-gelovige, zo uiterst belangrijk voorkomt. De wel zeer eenvoudige maar dikwijls gehoorde opmerking: ‘Laat die negers toch lopen zoals ze gewend zijn;. Het is onzin, een heel leger van blanke mannen en vrouwen zich te laten uitsloven en veel goed geld te laten verspillen, alleen maar om die negerkindertjes broekjes aan te trekken’ – die mening gaat niet op.

Afgezien van het feit dat de missionarissen met hun geloofsprediking hun best doen om de negers te bevrijden voor de verlammende angst voor geesten en toverij, voor moord en vergif, die ook nu nog voor een belangrijk deel hun leven beheerst en vergalt, mogen we niet vergeten dat de niet meer te stuiten invasie van blanken, Indiërs en Arabieren het leven in Afrika grondig aan het wijzigen is.

Auto’s, vliegtuigen, radio’s, spiritus-toestellen, zaklantaarns, geweren, alcohol en Europese kleren – om nu maar iets op te noemen – hebben behoeften geschapen en verlangens wakker geroepen bij de zwarten, welke sterk aangewakkerd worden door hun kennis van lezen en schrijven.

Beide wereldoorlogen, waarbij een ernstig beroep op de zwarten is gedaan, hebben hun dingen laten zien die hun eerbied voor de blanke heersers niet hebben doen groeien. Afrika ontwaakt, onherroepelijk! Maar nu te voorkomen dat het ontwakende kind met zijn enorme krachten, maar met zijn nog in primitief familieverband denkende egoïstische geest kwaad gaat doen! Nu hen bij te brengen, dat ze een grote gemeenschap aan het worden zijn, waarin de een de ander helpen moet, waarin de evennaaste recht heeft op eerbied, op welwillendheid, op hulp zelfs.

Hoe tergend langzaam groeit dit inzicht in Europa, waar al meer den twintig eeuwen de ‘beschaving’ zich ontwikkelt! Hoe moeizaam dringt het door in Amerika en Australië, waar toch hoofdzakelijk afstammelingen van deze beschaafde Europeanen wonen! En wat staat Afrika te wachten, waar binnenkort nog meer dan elders de techniek de beschaving vooruitgehold zal zijn, met alle grote gevaren van dien?

Tien Geboden en christendom, richtsnoeren voor de ontwakende zwarte

Zonder twijfel is gemeenschapszin, sociaal gevoel, eerbied voor de evenmens in alle mogelijke vormen het belangrijkste wat de ontwakende zwarte zal ontberen. Naast het directe geloof zijn de Tien Geboden van het christendom de enige rechtsnoeren die naar dit verwijderde doel leiden, en zijn de missionarissen de eersten die dit doel, onverbreekbaar aan hun godsdienstijver verbonden, werkelijk met hart en ziel hebben nagestreefd.

Ik heb de missionarissen nu enige maanden in hun dagelijks werk, in hun dagelijkse omgang met de negers bezig gezien. Hun geloof deel ik niet, maar hun arbeid en hun geloof in hun medemensen, in de zwarte zo goed als in de blanke en in de bruine, acht ik boven alle twijfel en boven alle lof verheven. Stelt u zich een missie-pater toch alstublieft niet voor als een onpraktische, zijïge zemelaar voor. Het zijn mensen van alledag, maar mee van de besten. Het zijn mensen van de praktijk.

Ze praten met evenveel kennis van zaken over koffie en copra als over kerk en liturgie. Ze besturen scholen en akkers, ze spelen voor dorpshoofd en voor rechter, ze doen zo goed ze kunnen het werk van dokters en verpleegsters, van bouwmeesters en van ingenieurs. Ze leggen wegen aan, ze bakken stenen en ze bakken brood. Ze planten, zagen en bewerken hout, terwijl ze dadelijk daarop een stervende gaan bedienen of een kind dopen.

Hun kijk op de wereld is breder en milder dan die van menige grootsteedse Europeaan; ze hebben meer gevoel voor humor dan de meeste salonhelden en ze hebben evenveel medelijden met de vele kwaaltjes van hun kloosterbroeders als ik. En dat is niet veel.

Maar laten we terdege goed beseffen, ook niet-katholieken en ongelovigen, van welk een onschatbare waarde hun grote invloed is op de negers, die naar hun woorden, naar hun inzichten luisteren. Door hun geweldige, persoonlijke invloed, door het grote respect dat ze de neger kennelijk inboezemen, door hun talrijke, grote middelbare en lagere scholen, maar niet minder door hun overal verspreide, onaanzienlijke lemen buitenschooltjes, hebben de missionarissen een invloed ten goede op de zich snel ontwikkelende geest van de bevolking van heel Afrika, waar de wereld hun niet dankbaar genoeg voor kan zijn.

Als één groep van mensen de zwarte bevolking nog kan behoeden voor rassenhaat en voor een rampzalig eenzijdig nationalisme, dat ons allen, de communisten incluis, onverteerbaar zwaar op de maag zal liggen, dan zijn het de missionarissen in het algemeen, wier meestal verstandig gebruikte macht over de primitieve mensen van Afrika tientallen jaren langzaam maar zeker gegroeid is.

De missionarissen zijn mijn zeer gewaardeerde gastheren; hun geloof deel ik echter niet. Maar praat me niet meer van zemelende paters, die de negerkinderen broekjes proberen aan te trekken of bekeerlingen proberen te lokken met kraaltjes en onverstandig hoge lonen. Ga eerst zélf kijken, al bent u evenmin gelovig als ik, en bewonder dan hen en hun werk”.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here