Brief uit de missie 81: Vooruitgang van de missie in India? (1932)

0
1381
handgeschreven brieven

Missie bedrijven in de jaren dertig van de vorige eeuw was niet eenvoudig. Het westen was na de crash van de beurs in New York in een ernstige financiële en economische crisis geraakt. En dat terwijl westers geld zo belangrijk was voor het bouwen van kerken, kapellen, katholieke scholen en seminaries. Bovendien streefden heel wat landen in de ‘derde wereld’ naar onafhankelijkheid.

Valabhai Patel, een belangrijke nationalistische leider van Brits Indië, verkondigde in september 1932: “Engeland heeft Indië gestolen. Het moet ons onze eigendommen teruggeven. Wij willen volledige onafhankelijkheid”.

Patel sprak die woorden bij aankomst in New York. In de Verenigde Staten begon hij een propaganda-actie voor de Indische nationalistische beweging. Als opdracht had Patel zichzelf gegeven: “De onderrichting van het Amerikaanse volk in de filosofie van Gandhi”.

Geest van verzoening en verdraagzaamheid

In november van 1932 was in de Annalen der Sint Joseph’s Congregatie van Mill Hill een artikel te lezen over de katholieke missie in een ontwakend land. Daarmee werd Brits-Indië bedoeld, de regio die na de Tweede Wereldoorlog uiteengevallen is in India, Pakistan en Bangladesh.

Volgens de niet met name genoemde auteur zag de toekomst van de missie er positief uit – ondanks de economische en politieke ontwikkelingen van het moment. “Waarnemers overal in Brits Indië rapporteren een merkwaardige ommekeer in de geest van de heidense bewoners, en in hun houding jegens ons katholiek geloof.

De hardnekkige vijandschap, die zich kort geleden nog overal vertoonde, begint te wijken voor een algemene geest van verzoening en verdraagzaamheid. De verhouding tussen christenen en heidenen is niet meer zo gespannen. Bekering tot het christendom wordt niet meer gevolgd door een onbarmhartige uitsluiting uit de samenleving. Men kan nu kleine kinderen hun catechismus zien leren, hun gebeden verrichten of zelfs deelnemen aan godsdienstige [katholieke] plechtigheden, zonder een woord van protest door hun ouders. Menig keer gebeurt het dat iemand uit een heidens gezin in stervensgevaar om het doopsel vraagt.

De tijden veranderen. De verandering is niet overal even groot. Maar het feit blijft dat er verandering is en dat die zich elke dag duidelijker vertoont”.

Hindoes luisteren inwijding van kapel op

Om zo veel mogelijk bekeringen tot stand te brengen hadden de missionarissen zich bezig gehouden met mensen aan de onderkant van de samenleving. Met behulp van het Westen, dus ook de Kerk, konden die hun positie in het kastenstelsel proberen te verbeteren. Maar volgens het maandblad van Mill Hill waren ‘niet alleen de leden der lage kaste, maar ook de hogere klassen en rijke families’ zich steeds positiever ten opzichte van het christendom gaan opstellen.

De vooruitgang werd met een voorbeeld geïllustreerd. “In Periakulum [bij de stad Madurai], een plaats in het bisdom Trichinopoly, kwam de bisschop een kapel inwijden. De leden van de gemeenteraad, hindoes als ze waren, luisterden de plechtigheden met hun tegenwoordigheid op.

Maar dat was niet genoeg. Ze boden de bisschop een feestmaaltijd aan na de kerkwijding, waar Europeanen en Indiërs van alle kasten bij aanzaten. Vroeger zou zoiets nooit gebeurd zijn. Maar de scherpe afscheidingen tussen de verschillende kasten zijn aan het afslijten. De laatste dertig jaar hebben meer vooruitgang in deze richting gezien dan ooit tevoren”. Niet voor niets had een geestelijke van het bisdom een artikel geschreven met de titel ‘Wij gaan vooruit’.

Gebed tot Maria

Jezuiet Delange, verbonden aan het bisdom Calcutta op de oostkust van het Indiase continent, kwam eveneens met een voorbeeld. “Vorige week kreeg ik een bezoeker, die me zei: ‘Pater ik ben ziek. Het lijkt wel of ik er niets aan gedaan kan krijgen. Ik heb gebeden tot de hindoe-goden Hori en Kali. Maar zij hebben me niet genezen. Daarom ben ik hier gekomen. Als Onze Lieve Vrouw me mijn gezondheid teruggeeft ga ik ter ere van haar een pelgrimstocht ondernemen’”.

De zieke was een bijzonder geval volgens Delange. “Tegen één hindoe van het soort die, toen gebeden tot zijn goden niet hielpen hoopte op genezing van zijn ziekte door tot Maria te bidden, zijn er honderden wier godsdienst niet staat en valt met de verhoring van hun verlangens. Ze zijn werkelijk goed onderlegd in onze godsdienst. Ze bidden vurig”.

In India verbaasde je je nergens meer over, suggereerde de Europeaan. “Terwijl ik hier aan mijn lessenaar zit komt er een man binnen met een boeket bloemen. Hij groet me en loopt dan door naar de kapel om er zijn dagelijkse bezoek af te leggen.

Een bekeerling, denkt u zeker?

Nee – een echte hindoe. Een brahmaan zelfs [kaste der priesters]. Maar hij gaat naar de kerk. Hij gelooft dat God tegenwoordig is in de katholieke tempels, dat is mijn stellige overtuiging”.

Missionarissen beter dan zendelingen

John Considine, missionaris van Maryknoll, vertelde over zijn verblijf in Brits Indië. Ook hij zag gunstige ontwikkelingen: “Ik heb veel mensen ontmoet in dit land. Jonge mannen en vrouwen vooral, die onze godsdienst net zo goed kennen als de katholieken zelf. Ze zijn heidenen, maar ze bidden de rozenkrans. Ze laten heilige missen lezen met speciale intenties. In de kerk bezoeken ze het allerheiligste, bidden tot de heiligen. Maar ze voelen dat ze nooit lid zullen kunnen worden van de katholieke kerk”. Die stap was op dat moment te groot.

Volgens de pater baanden dat soort heidenen wél de weg voor het katholieke geloof bij een volgende generatie. “Jonge mensen hebben horen spreken over een zeker iemand, die Jezus Christus heette – vooral op scholen waar protestanten les geven. Ze hebben Christus in algemene bewoordingen beschreven. Maar wat zij bereikt hebben is dat het volk vertrouwd is geraakt met de naam en het idee van Christus”.

Katholieke missionarissen hadden geen hoge dunk van protestantse zendelingen. Ze propageerden een verkeerd christelijk geloof. “Het protestantisme heeft behalve stoffelijke voordelen [Brits kapitaal] weinig te bieden aan de mensen in dit land. Wie de Indiër en zijn mentaliteit kent, zal dat niet betwijfelen”. Voorbeelden genoeg. “In bepaalde streken kunnen de protestanten geregeld een aantal bekeringen boeken, maar dikwijls komen die tenslotte toch over naar de Katholieke Kerk – net als katholieken die vanwege de stoffelijke voordelen tijdelijk naar hen zijn overgegaan”.

Nee, dan de ware christenen. “De katholieken hebben niet zoveel opzien gewekt. Maar de resultaten, door hen bereikt, zijn veel grondiger. Het is een voornaam ding al, dat er een geest van verdraagzaamheid en belangstelling is opgegroeid in die plaatsen waar onze missionarissen scholen hebben kunnen openen. Het goed, op die manier gedaan, kan niet te hoog geschat worden”.

Bekeringen blijven uit

De auteur van het artikel ‘Katholieke missie in een ontwakend land’ kon echter nauwelijks concrete resultaten laten zien. “Gedurende lange jaren hebben missionarissen in Brits Indië zich uitgesloofd om in stilte heidenen te beschaven. Een prachtige lijst met bekeringen hebben zij echter nooit kunnen tonen”.

Moest je in het door crisis getroffen Europa dan maar steeds geld voor de missie geven? “De ongeduldigen beginnen al te mompelen: waartoe dienen al die scholen. Zoveel heidenen ontvangen er een uitmuntende opvoeding. Toch komen er geen bekeringen uit voort”.

De lezers van het missieblad moesten nog wat geduld hebben, was de boodschap. “De missionarissen hebben de oogst voorbereid. Die staat nu prachtig te rijpen”.

De schrijver was ook te biecht gegaan bij een zendeling, die veel gereisd had. “Die placht te zeggen dat Indië zich ineens zou bekeren. Laten we het hopen. Maar zo ver zijn we nog lang niet”. En dan te bedenken dat er in Brits-Indië maar liefst 300 miljoen ‘ongelovigen’ waren. Pas vijf miljoen van hen waren christen geworden. Voor een ware apostel was er dus een ‘ontzaggelijke taak met veel moeilijkheden’ weggelegd. Pessimistisch moest je niet zijn, nu de verhoudingen tussen heidenen en christenen beter geworden waren. Maar: “We moeten oppassen voor een dwaas optimisme”.

Problemen bij de definitieve bekering

De auteur probeerde te begrijpen waarom er maar zo weinig bekeringen tot stand kwamen. De houding van de brahmanen vergeleek hij met die van de eerste christenen, in het begin van de christelijke jaartelling. “Er is een duidelijke gelijkenis tussen wat er nu in Indië gebeurt en wat er in de eerste eeuwen van de Kerk plaats had. ‘Gelovigen’ van die eerste dagen stelden de dag van hun doopsel voor onbepaalde tijd uit, soms zelfs tot aan hun stervensuur. Dat gedrag toont veel overeenkomst met de brahmanen van heden die in steeds grotere aantallen de katholieke godsdienst leren en beoefenen, maar de beslissende stap naar [definitieve] bekering tot later verschuiven”.

Een vergelijking maken was evenwel niet genoeg. “Waarom gaat de Indiër zo ver en niet verder? Waarom gaat hij tot de tempel van de Kerk en aarzelt hij dan bij de doopvont?”

De belangrijkste oorzaak was duidelijk. “Vooral omwille van de kaste. Het jaloerse, tyrannieke kaste-systeem staat menige bekering in de weg, vooral onder de vrouwen”.

Delange was het met hem eens. “Kaste behoudt nog zijn heerschappij over hen die zich zelf niet kunnen helpen. Een hindoe zal zijn kaste alleen verlaten als hij er zeker van is dat hij in een andere kaste veiligheid, eer en geestelijk voordeel zal vinden”. Maar daar was wat aan te doen, als je maar geld beschikbaar had. “Een goed-gevulde beurs zal een ieder vrij maken van de dwingelandij der kasten”.

Een ander probleem was de christelijke verdeeldheid in de missie/zending. “Het is geen wonder dat een oprechte, naar waarheid zoekende ziel perplex staat bij het zien van zoveel verschillende secten, die allemaal zeggen Christus te volgen. Welke zal hij kiezen? Anglicanen? Katholieken? Methodisten. En er zijn nog veel andere”. Als iedereen gewoon katholiek was, zou er snel een eind aan dat probleem komen. Zendelingen stonden de missionarissen in de weg, dacht hij waarschijnlijk.

De mensen in [het latere] India hadden nóg een vooroordeel tegen de afgezanten van het Westerse geloof. Behalve dat ze verdeeld waren droegen ze bovendien ideeën uit die niet bij hen pasten. “De christenen. Van alles door elkaar. Met allures die ze van de Europeanen leren. De hindoes beoordelen de christenen volgens hun eigen mentaliteit. Bij hen kan er geen heiligheid bestaan zonder een streng ascetisme. Hindoes klagen dat de christenen de leer van hun goddelijke stichter niet erg onderhouden”. In zekere zin zou de ascethische Gandhi meer op Christus lijken dan de katholieken in Indië.

De onbekende auteur legde uit wat die verderfelijke Europese allures waren, die bekeerlingen van de westerlingen hadden overgenomen: “Buitenlandse namen. Vreemde kleding. Verachting voor de oude beschaving van het land [India, Pakistan, Bangladesh]. Deze klacht moet wel gehoord worden in deze tijd van scherp nationalisme. Het kon nog wel eens gebeuren dat christenen als een verdachte klasse beschouwd gaan worden. Tot die klasse zou men daarom niet gemakkelijk over gaan”.

Over de mogelijke bekering van miljoenen moslims in Brits Indië werden overigens geen mededelingen gedaan.

Conclusie: volhouden

Het artikel in de annalen van Mill Hill eindigde ondanks alles positief. Het was zinvol om de voortgang van de missie te blijven ondersteunen, ook in crisis-tijd.

“Er zijn dus hinderpalen die de beweging van de hindoe naar de katholieke Kerk belemmeren. De voorzichtigheid van de missionaris zal er een weg doorheen vinden. Langzamerhand zullen deze zielen tot de conclusie komen dat hun eigen geloof de verlangde voldoening niet geeft, maar dat de katholieke Kerk al hun geestelijke honger kan stillen. En dan zal de elite [van India], lange tijd goed voorbereid, de massa leiden tot Christus”.