Brief uit de missie 82: Een brief uit de missie van zuster Martha in Tianjin

0
1500
handgeschreven brief

De grote Chinese havenstad Tianjin, ruim honderd kilometer ten zuidoosten van Peking, stond deze zomer in het middelpunt van de belangstelling. Bij een grote ontploffing op 12 augustus 2015 kwamen gevaarlijke chemicaliën als natriumcyanide vrij. Er vielen veel doden en de schade zou ongeveer 1 miljard euro bedragen. De gebeurtenissen in Tianjin waren wereldnieuws.

Voor de Europeanen was Tianjin al een belangrijke stad in de negentiende eeuw. Na de opiumoorlogen kregen kooplui uit het westen toestemming om in een aantal zogenaamde verdragshavens handel te drijven met de onderdanen van de Chinese keizer. Eén van die havens was Tianjin (vroeger geschreven als Tientsin). Bovendien mochten missie-organisaties er zich vestigen. Dat deden met name de Franse Lazaristen. Vincent de Paul (1581-1660) was in 1625 de stichter van die congregatie, die officieel ‘congrégation de la mission’ heet.

Lazaristen en Dochters van Liefde

In 1633, acht jaar later, stichtte Louise de Marillac (1591-1660) het ‘Gezelschap van de Dochters van Liefde’, die de Lazaristen in Tianjin bijstonden. Eén van hen, zuster Martha, bracht de lezers en lezeressen van de Annalen van de Heilige Kindsheid vanuit het ‘Huis van Sint Jozef’ op 8 september 1866 op de hoogte van het missiewerk in de verdragshaven. De zusters richtten zich met name op Chinese vrouwen. De brief van zuster Martha werd in 1867 afgedrukt in de Nederlandse editie van het tijdschrift.

De Dochter van liefde liet zich positief uit. “De goede God stort zegeningen uit over onze liefdewerken in het gesticht [van Tianjin]”.

Kinderen nog op tijd gedoopt

De zusters gingen ook zelf op pad. Ze bezochten zieke Chinese vrouwen thuis in de hoop zo het katholieke geloof te verbreiden. “Eens had men ons verzocht bij een zieke vrouw te komen. Wij gingen er heen. Maar toen ze ons zag verklaarde ze dat ze niet van onze [medische] diensten gebruik wilde maken. De vrouw wilde gewoon niets met ons te maken hebben”, aldus de Dochter van Liefde.

Zuster Martha liet zich naar eigen zeggen niet zo maar afschepen. “Ik liet mijn ogen door het huis rondgaan en merkte dat haar zoontje op sterven lag. Niemand lette op hem”. Zo’n kans liet ze natuurlijk niet schieten. “Spoedig doopte ik het kind. De moeder was nog niet klaar met roepen of de kleine zong reeds het Gloria in de hemel”.

Een ziek meisje werd eveneens op tijd opgenomen in het katholieke geloof. “Een vrouw, die veel met christenen in aanraking komt, bracht ons bij een meisje van een jaar of tien. De vader van het kind kwam ons tegemoet gelopen”.

De man maakte duidelijk dat er geen redding meer mogelijk was. Zuster Martha mocht het meisje wat hem betreft meenemen. “Wij hadden de tijd haar te onderhouden en te dopen. Het lieve kind voelde zich gelukkig. Ze verzocht ons naar het gesticht gebracht worden. Het Chinese meisje wilde bij de zusters sterven. Drie dagen later was ze bij de engelen”.

Wat heerlijk om zulke verhalen van op tijd gedoopte kinderen te kunnen vertellen, moet zuster Martha gedacht hebben. Daarom ‘een nog treffender voorbeeld’. Door het uitdelen van geneesmiddelen hadden zij en de Dochters van Liefde een mogelijke entree bij de Chinezen.

“Eens werden wij aangezocht om een jonge dochter van vijftien te bezoeken. Haar polsslag was verdwenen. ‘Ze kan niet meer overeind komen’, zeiden de ouders. ‘Al vijf dagen ligt ze zo’”.

De zusters deden hun best. “Om hun genoegen te doen gaven wij het meisje enige geneesmiddelen. De volgende dag kwam men ons zeggen dat de ziekte-toevallen minder hevig waren. Nu begon men meer vertrouwen in ons te krijgen”.

Martha was er echter van overtuigd dat de zieke niet beter zou worden. De moeder liet ze daarom weten: “Het leven van uw dochter is niet meer te redden”. Maar wel de ziel! “Wij hebben een middel om haar te helpen in het redden van haar ziel”.

De moeder zou er met haar echtgenoot over praten. “Die avond nog kwam de man ons zelf meedelen dat hij de ziel van het meisje wilde redden. En dat wij geen ogenblik tijd zouden verliezen. Het meisje toonde grote vreugde bij onze komst. Ze verlangde niets liever dan onderwezen te worden in de waarheden van het katholieke geloof”.

De zusters schakelden een Chinese helpster in. “Die bleef bij haar om haar te onderwijzen wat ze weten moest. Haar moeder en een tante deden mee. Wanneer het meisje iets niet goed verstond herhaalden ze wat de helpster al had proberen uit te leggen”.

In haar brief schreef zuster Martha juichend over de wonderbaarlijke ontwikkeling in het Chinese huis. “De volgende dag was het voor ons zeer troostelijk van het meisje te horen: ‘Ja, ik geloof! Ja, ik geloof! En waarom zou ik niet geloven? Ik wil naar de hemel gaan’”. Het meisje beloofde in een adem alle bijgeloof uit te bannen.

Zuster Martha, bang dat het meisje het einde van de nacht niet zou halen, ging onmiddellijk tot daden over. “Ik doopte haar vóór de ogen van haar ouders. Vele malen herhaalde ze haar belofte om als een katholiek te willen leven.. Een dag later vertrok ze [echter] van de aarde om hierboven Gods barmhartigheden jegens haar te bezingen”.

Het dopen van ouden van dagen

Kleine zieke kinderen met weinig kansen om in leven te blijven waren een doelwit in de Chinese missie. Maar ook ouderen aan het einde van hun leven. De zusters probeerden een voet tussen de deur te krijgen bij die vrouwen. Zuster Martha: “Soms is het ons gegeven enige volwassenen te dopen. Een geloofsleerlinge [wel gelovig maar nog niet gedoopt] spoorde ons aan een goede oude vrouw, 83 jaar oud, te bezoeken.

‘Als een mens zo oud is’, antwoordde ik, ‘is er met [Europese] geneesmiddelen weinig meer aan te doen’.

‘Dat weet ik’, was het antwoord. ‘Maar ik heb bij haar al iets van het katholieke geloof bijgebracht. Als de zuster kwam zou zij haar misschien kunnen dopen’.

Samen met een andere zuster van Liefde begaf Martha zich onmiddellijk naar de zieke vrouw. In haar brief uit de missie schreef ze over haar: “Zij was [inderdaad] reeds onderwezen in de hoofdwaarheden van het katholieke geloof. Met aandrang verzocht ze om gedoopt te worden. De Chinese nog niet gedoopte helpster bleef bij haar en versterkte haar nog anderhalf uur in haar goede begeerte. Toen ze zag dat de zieke haar einde naderde, gaf zij haar het heilig doopsel” . In nood mag en moet iedereen dopen. “De volgende ochtend kwam ze vol vreugde bij ons terug in het gesticht. Ons moedertje was in de hemel”.

De zusters bemiddelden bovendien in de bekering van een man op leeftijd. “Een grijsaard, die bij ons gewerkt had, voelde zijn einde naderen. De Chinees had horen spreken van het doopsel waardoor men in de hemel komt. Dat hoorden we van één van zijn vrienden”. Een missionaris kwam in actie en legde hem onmiddellijk de belangrijkste punten uit van de catechismus, valt op te maken uit het verslag van zuster Martha.

“Ook wij kwamen de zieke op zijn verzoek een bezoek brengen. Het is onmogelijk de vreugde van de oude man te beschrijven toen hij zich tot ons richtte: ‘Wil ik u eens iets zeggen? De missionaris is mij komen onderrichten. Hij heeft beloofd mij te zullen dopen. O, wat ben ik blij. Ik wil als christen sterven’”.

Dat gebeurde. “Een dag erna voelde hij zich slechter. Hij ontbood de priester en de zusters. De priester arriveerde als eerste en opende [door middel van het doopsel] voor hem het hemels paradijs”.

Slecht nieuws

Dankzij de activiteiten van paters en zusters werden steeds Chinezen, jong en oud, nog op tijd voor de poorten van de hel weggesleept, was de boodschap.

Toch was er niet alleen goed nieuws te melden. Europeanen werden in China regelmatig getroffen door ziektes. “Ik mag niet met stilzwijgen voorbijgaan aan de smartelijke beproeving waarmee de goede God ons heeft willen treffen. De goddelijke Meester heeft uit ons midden een slachtoffer geselecteerd. Op 13 augustus 1866 ontnam Hij ons onze geliefde zuster Cecilia Dodo, 35 jaar.

Die dag was ze samen met de andere zusters opgestaan. Ze had de heilige mis bijgewoond en de heilige communie ontvangen. De hele ochtend was ze in de weer met het verstrekken van geneesmiddelen aan de zieken die onze apotheek bezoeken.

Als door de bliksem werd ze ons ontrukt. Volgens haar verlangen is ze met de wapens [medicijnen] in de hand gestorven. Welke ziekte haar uit het leven gerukt heeft weten we niet. Het kan een hevige aanval van kwaadaardige koorts of een beroerte geweest zijn”.

Een begrafenis om indruk te maken

Voor de missie in China was een begrafenis niet zomaar een begrafenis. Zuster Martha: “Het zal niet ongepast zijn hier met een enkel woord te spreken over de lijkplechtigheden. Al slagen we er nog niet in heel Tianjin tot het christendom te bekeren, de heidenen laten we tijdens een uitvaart zien hoe plechtig dat in onze heilige godsdienst gebeurt.

Missionaris Thierry besloot de begrafenis van zuster Cecilia met alle plechtigheden van de Heilige Kerk te laten plaatsvinden, zoals dat in Frankrijk in de meest katholieke streken gebruikelijk is. De lijkdienst begon om zes uur in de ochtend.

De consuls van zowel Frankrijk als Engeland deden ons de eer aan bij de begrafenis present te zijn. Veel dames en heren uit Europa gaven eveneens acte de présence. De consul liet de Franse vlag op de doodkist van onze dierbare overledene plaatsen. ‘Ik wil hulde brengen aan haar die met haar deugden ons volk en onze heilige godsdienst tot eer heeft verstrekt’”.

Na de rouwdienst ging men op weg naar het kerkhof. Voor de processie was een vol uur uitgetrokken. De volgorde liet niets aan het toeval over om indruk te maken. “Voorop de Chinese tamtam om de weg te banen voor het kruis, dat in het openbaar door de straten trok. Dan onze weesjongens [van het gesticht van de heilige kindsheid], elk met een brandende kaars in de hand. De catechisten [helpers van de paters] in groot tenu. Onophoudelijk, een uur lang, zongen de missionarissen de getijden der overledene. Het lijk werd door acht mannen gedragen. Achter de baar alle zusters en de weesmeisjes [van het gesticht], die ieder eveneens een brandende kaars droegen.

Een menigte andere personen vergezelde de rouwprocessie. [Dus in het wit, volgens Chinees gebruik]. Onze kinderen waren allen in zware rouw. De jongens droegen een witte sjerp die tot aan de knie afhing. De meisjes hadden om het hoofd een witte band”.

Dat soort tonelen was in Tianjin nagenoeg onbekend en maakte dus indruk. “Overal heerste de diepste stilte. Iedereen ging op zij om plaats te maken voor het kruis en de lijkstatie. Men zou waarlijk gemeend hebben zich te bevinden in een van de beste Franse parochies, zoveel orde en eerbied werd allerwege betoond”, schreef zuster Martha niet zonder trots vanuit de havenstad.

De rouwstoet maakte niet alleen indruk op de ‘arme heidenen’. Maar nog veel meer op de protestanten die in Tianjin woonden. “Zij konden niet nalaten te zeggen: alleen in de katholieke godsdienst heeft men zodanige plechtigheden. In de onze hebben wij [helaas] niets dat daarop gelijkt”.

Tianjin, vier jaar later

Zuster Martha bekeek de wereld door de bril van de Dochters van Liefde. Het is maar de vraag in hoeverre de Chinezen er zo over dachten als zij de lezers van de Annalen van de H. Kindsheid wilde doen geloven.

In elk geval staat vast dat de bevolking van Tianjin zich in juni 1870, bijna vier jaar na het versturen van de brief uit de missie, nadrukkelijk tegen de Lazaristen en andere Fransen keerde. Het tijdschrift Katholieke Missiën deed uitgebreid verslag. “Op 21 juni 1870 werden er in de Chinese stad Tianjin tien liefdezusters uit de congregatie van de heilige Vincent de Paul, twee Lazaristen, de Franse consul en diens tolk, de Franse kanselier bij het Franse gezantschap in Peking, verscheidene christenen [en vele anderen] op gruwelijke wijze vermoord”. Deze gebeurtenis staat bekend als het ‘bloedbad van Tianjin’.

Bij de omgekomen zusters werd Martha niet genoemd.