Brief uit de missie 83: Een trotse Redemptorist in het Andes-gebergte (1874)

0
1269

Felix Grisar (1831-1895) had Belgische ouders. Hij werd aan de Rijn geboren in Ehrenbreitstein bij Koblenz. In 1850 besloot Grisar toe te treden tot de Redemptoristen. In 1856 werd hij in het Limburgse Wittem priester gewijd. Tijdens het Eerste Vaticaanse Concilie (1870) kregen de Redemptoristen een gebied in Zuid-Amerika toegewezen. Grisar trad er als overste op. De lange brief die hij in 1874 vanuit Ecuador naar Europa stuurde is te lezen in de eerste jaargang van de Volks-Missionaris (‘godsdienstig maandschrift’).

De hoge bergen in

Ecuador is het ‘land van de evenaar’. Maar hoog in het Andesgebergte, rapporteerde Grisar tijdens een missiereis, was het koud. “We bevonden ons op een hoogte van 4.500 meter bij de sneeuwlinie. De lucht was er zo fijn dat bijna alle reizigers er hoofdpijn ondervonden. We kwamen op een bergvlakte. Onze weg was met sneeuw bedekt. Ter rechterzijde hadden wij prachtige dalen. Men kan hier de Stille Zuidzee zien”.

Veel leven was er niet in het gebied waar Grisar heentrok om er de goede boodschap uit te dragen. “De wegen begonnen afschuwelijk te worden – of om juister te spreken: er bestond geen weg meer. In die streken zag men slechts half-wilde stieren. Van tijd tot tijd ontmoette men er een indianen-hut. Ik begrijp niet hoe er redelijke wezens gevonden worden die in soortgelijke wildernissen willen leven”.

In Salinas vond hij die nacht onderdak. De driehonderd dorpelingen moesten maar zien hoe ze er, hoog in de bergen, in leven konden blijven. “Het is heel arm. De natuur levert er niets op dan een wilde grassoort. Enige zout water-fonteinen hebben die arme lieden bewogen zich daar te vestigen. Hiervan bestaan zij”.

Het groepje paters, waarvan niet alleen Grisar deel uitmaakte maar ook de bisschop van Rio Bamba, werd naar vermogen verwelkomd. “Nauwelijks hadden de goede dorpsbewoners vernomen dat wij in aantocht waren of zij begonnen al hun klokken te luiden, die aan een balk waren opgehangen. Alle inwoners stroomden te samen. De overvloedige regen, die er viel, was niet in staat iemand tegen te houden”.

De bezoekers kregen de mooiste slaapruimte toegewezen. Maar dat was betrekkelijk. “De woning was nog slechter dan een stal in Europa. Men bracht gras aan, dat half-droog was. Enige mannen trokken hun ponchos uit en gaven ze ons ter beschikking. Wat konden we doen. Op die hoogten is het zeer koud. Wij namen de geïmproviseerrde dekens dan ook maar aan. ’s Nachts evenwel moesten wij de slaap vaarwel zeggen. Onze kleding, die wij hadden aangehouden, was weldra vol levende wezens, die ons geen rust lieten”.

In Salinas, en alle andere dorpen waar Grisar en de andere paters doorheen trokken, werden de Zuid-Amerikanen aangezet om kapelletjes en kerkjes te bouwen. In het verslag van Grisar werd de indruk gewekt dat de missionarissen in de koude en natte bergstreek hun mond maar hoefden open te doen of er werd gedaan wat ze wilden. Zo ook in Salinas. “De bisschop hield een korte toespraak, waarin hij de goede lieden aanspoorde om te beginnen met de bouw van een kapel. Allen verklaarden zich bereid en toonden een zeer goede wil. En inderdaad, de volgende dag al brachten zij bomen die ze in de bossen gekapt hadden”.

Resultaten in Simiatug

In een volgend stadje nam Grisar afscheid van de bisschop. Vanaf Simiatug nam hij de leiding over om de schaarse en verspreid levende mensen tot in de verre omgeving duidelijk te maken hoe ze als goede katholieken moesten leven. De Redemptoristen, volks-missionarissen, waren vermaard om hun veelvuldig preken. Een (donder)preek was pas goed geslaagd als de toehoorders na afloop bereid waren al hun zonden op te biechten. In de Andes was het niet anders.

In Simiatug, waar de Belg aan de hand van de bisschop gearriveerd was, ging het missiewerk betrekkelijk makkelijk. Bovendien hielp de burgemeester mee om het kerkelijk gezag uit te dragen. “Vergezeld van een te paard gezeten burgemeester hield ik halt bij alle hutten. Ik liet het hele gezin voor me verschijnen. Allen vertoonden zich voor de ‘Christus dezer aarde’, zoals zij zeggen. Ze deden het met een aangrijpende eerbied. Allemaal kwamen zij het missiekruis, dat wij hen aanboden, kussen. De moeders namen de kinderen op hun arm om ze in staat te stellen het kruis te bereiken, dat de pater van zijn paard af ter verering toereikte.

Niet zelden schrokken en schreeuwden zij. Maar al spoedig, op uitnodiging van de missionaris, keken ze het beeld van onze Verlosser met hun zwarte ogen aan en kusten het met ernstige tronie”.

De missionarissen liet het gunstige moment niet passeren. “‘Kom naar de preken luisteren en uw biecht spreken’.

Zij antwoordden: ‘Ja, wij zullen komen’.

Vervolgens gaven wij aan de vader of moeder een prentje van Onze Lieve Vrouw van Bijstand. Dit kusten zij eerbiedig. Zij legden het op hun hoofd of drukten het tegen het hart. Dan vielen ze op hun knieën en wij spraken over hen, hun huis, hun akkers, hun vee, de zegen uit”.

Volgens Grisar was deze aanpak niet zonder resultaat. “Het hoge denkbeeld dat zij van de missionaris hadden opgevat, maakte dat zij zich door zijn bezoek uiterst vereerd gevoelden. Niet zelden huilden ze van blijdschap. Ze zeiden: ‘Wat die Christus der aarde al niet voor ons doet. Hij komt tot in onze huizen!’”

Toch duurde het nog even voor de dorpelingen zich echt gewonnen gaven. “De eerste dagen bleven ze koel. Maar omdat ze zagen dat wij belang in hen stelden schonken ze ons hun vertrouwen en gehoorzaamden ons. De goede woorden die we met hun wisselden als we ze op straat ontmoetten bevielen hen zeer. Geregeld kwamen ze onze preken bijwonen. Al de indianen van het dorp kwamen biechten. Maar liefst duizend communies hebben we uitgedeeld. Velen onder hen ontvingen de H. Communie voor de eerste keer”.

Het ene hoogtepunt volgde het andere op. “Op de laatste dag plantten wij het missiekruis. De processie en de toeloop van de indianen waren zo indrukwekkend dat we nauwelijks onze tranen bedwingen konden”.

Missieactiviteiten in Pinanato

De paters hadden niet de beste tijd van het jaar uitgekozen om de de indianen scherp te houden in de leer van de catechismus. In de regentijd was reizen verre van eenvoudig. Maar door onder uiterst moeilijke omstandigheden vol zelfvertrouwen rond te trekken maakten ze ongetwijfeld veel indruk. En dat zal zeker de bedoeling geweest zijn.

“Langs de kusten stegen dikke nevels op om zich op te lossen in regen. De goede pater Lopez viel tweemaal van zijn paard. Eens meende ik dat hij zijn been had gebroken. Maar hij bleef ongedeerd. Bij het afdalen stapten wij over rotsen, door modderige valleien en dat alles onder verschrikkelijke doodsangsten. De paarden vielen dikwijls neer, al bereed niemand ze. Om vallen te voorkomen moesten wij als het ware op vier poten lopen, springen, klimmen, ons laten glijden, ons vastklampen aan boomtakken – men kan dat geen gaan noemen. Na zeven uur aldus geworsteld te hebben kwamen wij te Pinanato aan, nat van zweet, druipende van stortregen, die niet opgehouden had te vallen en ons met modder bedekte”.

De verwelkoming maakte veel goed. “Nauwelijks waren wij aangekomen of men luidde de klokjes van de kapel en zagen wij een menigte indianen komen aanlopen. Ze brachten ons eieren, oranje-appelen, kippen en soortgelijke geschenken. De goede lieden wisten niet hoe zij hun vreugde zouden uitdrukken over de aankomst van de missionarissen, die zich geheel aan de zaligheid van hun zielen kwamen toewijden”, was de conclusie van Felix Grisar.

Na een korte rust gingen de paters aan het werk. “De burgemeester zorgde voor biechtstoelen, gemaakt van suikerriet. Al wat nodig was om de H. Mis te lezen hadden we meegenomen: altaarsteen, altaardoeken, kaarsen en hosties. We lieten ons bloemen brengen om het altaar op te sieren.

Om zeven uur ’s avonds konden wij aanvangen met de missie-activiteiten. Ik kan u niet zeggen hoezeer ik getroffen werd. Na een korte openingsrede deed pater Lopez de catechismus. Terstond begrepen we dat die arme lieden, van wijd en zij toegestroomd, in de grootste onwetendheid verkeerden, zelfs omtrent de allerereerste grondwaarheden. Op een enkele uitzondering na wisten zij niet eens hoeveel personen in God zijn.

Het voedsel was er karig: de eetlust diende tot kruiderij, de vrolijkheid tot dessert”. Van nachtrust kwam niet veel. “Onophoudelijk werd onze slaap onderbroken door vleermuizen die ons gezelschap kwamen houden. Zij fladderden om ons hoofd heen. Bij die vleermuizen kwam zich een eindeloze menigte van nacht-insecten aansluiten, vooral muskieten, wier steken zeer pijnlijk waren”.

Grisar had er echter geen spijt van dat hij het indianendorpje had aangedaan. “De mensen bleven in de kapel, waar zij met luide stem tot soms elf uur ’s avonds rozenkransen en andere gebeden baden. De volgende ochtend, ’s morgens om drie uur, hervatten zij hun gebeden, waarna ze de lijdenszang van onze Heer inzetten, die een half uur duurde. Wie had bij het horen daarvan kunnen slapen?

Het hart werd ons week van godsvrucht en medelijden. Die brave lieden bleven maar bidden en zingen. Totdat wij, na onze eigen meditatie, de eerste H. Mis gingen lezen. Na de mis hielden wij de eerste onderrichting en gedurende de tweede mis verklaarden wij hun de catechismus. Intussen stroomden steeds meer mensen van de verst afgelegen dalen voortdurend toe. Allen waren bezield met een allervurigst verlangen naar hun zaligheid.

Zelfs zieken kwamen. Een arme vrouw, die niet meer kon lopen, zo ziek was ze, liet zich in haar dekens naar de kapel dragen. Daar liet ze zich bij het altaar op de grond leggen en bleef er langer dan een dag, zonder er uit te gaan”.

Grisar liet achterwege een verklaring te geven voor het gedrag van de indianen. Als je zijn verslag leest lijkt het alsof er slechts religieuze motieven waren.

Besloten werd het tempo op te voeren. “Ik riep onze paters bijeen. De volgende dag begon de H. Mis om half zes, om zes uur eerste onderricht, half zeven catechismus, twee keer extra onderwijs, kwart over vijf rozenkrans, waarna opnieuw onderrichting, gezang, preek en, tot slot, lof met zegen. Het overig deel van de dag werd gewijd aan biecht horen en het bezoeken van de zieken in hun huizen. Deze bezoeken deden wij te paard, soms op grote afstanden”.

Hulp voor en van rijke landeigenaar

Grisar werd niet overal met evenveel égards ontvangen. Bij een fabriek van rietsuiker, met enkele tientallen arbeiders, ving hij bot. “De meester wilde niet biechten. Bovendien stond hij niet toe dat zijn arbeiders de fabriek verlieten om de H. Mis te horen en ter communie te gaan, zelfs als zij hadden mogen biechten”.

Grisar liet zich niet zonder meer aan de kant zetten. “Ik keerde de volgende dag terug. Nogmaals probeerde ik het hart van de eigenaar te treffen. Ik dreigde hem met de vloek van God. Maar niets kon baten”.

Meer succes had Grisar in Verdelpampa. Een rijke landeigenaar deed een beroep op de Europeaan. “Hij leidde mij naar een aardappelveld, dat een kilometer uitgestrektheid heeft. De heer Flores hoopte op een goede oogst. Op zijn verzoek heb ik de zegening over het veld uitgesproken. Het geloof van de goede grijsaard is beloond. Alle schadelijke rupsen waren na een paar dagen verdwenen. Enige weken later waren alle aardappelen in de vallei door de vorst vernield. Dit veld heeft evenwel niets geleden. Ik heb met eigen ogen gezien hoe men er een rijke oogst heeft ingehaald”. Grisar verklaarde het fenomeen als ‘een beschikking der goddelijke Voorzienigheid’.

Joseph Flores stelde zijn hacienda in Asancoto ter beschikking van de Redemptorist. In het dorp woonden 2.500 blanken en 2.000 indianen. “Wij vonden er een schromelijke onwetendheid en bedorvenheid der zeden.

Aanvankelijk toonden de inwoners zich enigszins koel en onverschillig. Toen wij dit bemerkten spoorden wij hen krachtig aan. We hielden hen de ernstigste waarheden voor en vroegen de zegen van God en Maria over de zeer dorre grond. Weldra zagen wij dat hun gemoederen ontvlamden en de missie, die veertien dagen duurde, slaagde naar wens”.

De grootgrondbezitter spande zich in om de missionaris van dienst te zijn. “Hij had zulk een geestdrift voor de missie opgevat dat hij tapijten had ontboden om daarmee een kapel in te richten. Hij kon het doen, want hij was zeer rijk. Het is een goede vrome oude papa. Hij is bijna blind en gaat elke dag ter communie. Hij nodigde zijn hele familie uit om de missie bij te wonen. Hij liet zelfs een harmonium komen, alsook een viool- en een harpspeler, om godvruchtige melodieën te laten horen”.

Grisar: “Men zou over deze missie een dichtstuk kunnen schrijven. Het zijn allen arme lieden, die als kluizenaar in hun hutten leven. Waarschijnlijk hadden de meesten hunner nooit van de eeuwige waarheden gehoord. Alles was dus nieuw voor hen. Vandaar ook dat ieder woord bij hen in goede aarde viel.

Wat zal ik u zeggen over de gesteltenis des harten, die wij in de biechtstoel aanbrachten? Beter kon niet. God en wij alleen weten, wat al goed wij hun gedaan hebben. Wat al betuigingen van dank ontvingen wij van die eenvoudige zielen, toen zij voor de eerste maal huns levens de gerustheid van geweten en de zalving der genade smaakten! Genoeg hun te zeggen: ‘doet dit of dat’, en ogenblikkelijk deden zij het. De werking der genade was zichtbaar”.

In één zin vatte de missionaris zijn gevoelens samen ten behoeve van zijn overste in Europa: “O wat is het lot ven een Redemptorist in Ecuador toch schoon en benijdenswaardig!”