Brief uit de missie 84: Juul Garmijn tussen krokodillen, slangen en luipaarden

0
1552

In de jaren tachtig van de negentiende eeuw maakte Jeroom Van Aertselaer, algemeen overste van de congregatie van het Onbevlekte Hart van Maria, een overeenkomst met Leopold II, koning van België en eigenaar van de Kongo. Voortaan zou de missie van Scheut missionarissen naar de Kongo sturen. Leopold II zorgde ervoor dat de Belgische missie door middel van door de staat gesteunde collectes financieel beter in het zadel kwam te zitten. Tot dan toe had de Belgische misse zich uitsluitend bezig gehouden met het noorden van China. In 1888 kwam er een tweede missiegebied bij.

De Vlaming Juul Garmijn, op 10 april 1861 geboren in Beveren-Roesbrugge, reisde in 1889 naar het nieuwe werkterrein van Scheut. In tegenstelling tot menige medebroeder, die er na korte tijd door ziekte kwam te overlijden, wist hij gezond te blijven. Garmijn kon dus navertellen wat hij allemaal gezien en beleefd had. Na een verblijf van veertien jaar deed de Belg in een lange reeks artikelen verslag van hetgeen hij allemaal meegemaakt had. Zijn artikelen werden gepubliceerd in de Annalen van Sparrendaal, het Nederlandse maandblad van de paters.

Krokodillen in de Kongo-rivier

Eenvoudig was zijn leven als missionaris niet geweest. Hij zag zich steeds omringd door gevaarlijke dieren. “Het zijn allemaal ongelukzaaiers. De dood ontmoeten of een van die beesten, dat is bijna hetzelfde”.

De krokodil bijvoorbeeld. “De krokodil is niet gevaarlijk op het land. Daar kan men hem gemakkelijk ontlopen. Maar in het water, daar is hij thuis. Met zijn lange muil, vol met scherpe tanden, komt hij lijzig, onhoorbaar en bijna onzichtbaar aangezwommen. Verraderlijk grijpt hij mens of dier vast, gaat er een eind ver mee onder water, totdat zijn prooi uitgeschakeld is. Dan legt hij die op een eenzame oever. Daar bewaart hij zijn voedsel. Als hij honger heeft gaat hij er een brok van eten.

Zo gebeurde het eens te Bangala, dat een vrouw bij het water scheppen door een krokodil gevat werd. Onder het water van de Kongo-stroom werd ze tot op een eiland gesleept”.

Gelukkig kwam er redding. “Het zoontje van de arme vrouw zag het gebeuren. Toen de krokodil weg was sprong de jongen in een schuitje, stak het water over, legde zijn moeder in zijn bootje en keerde terug”.

Het werd nog even spannend in het water van de grote Afrikaanse rivier. “De krokodil was iets gewaar geworden. Hij kwam achterna. Het was een wedstrijd om ter zeerst. Werd het kind ingehaald dan werd het schuitje ook omgeworpen. In dat geval zouden moeder én kind verslonden worden.

Het kind riep om hulp. De kleine roeide naar de oever. Zijn tengere handen hadden mannenkracht. Bij elke duw van de roeispaan sprong het schuitje vooruit. Godlof! Daar bonkte het tegen de kant. De vervaarlijke kop van de krokodil bleef nog enkele meters achter hem in de stroom. Moeder en kind waren gered!”

Volgens de missionaris besefte de krokodil dat hij deze keer het onderspit gedelfd had. “De buren hadden het noodgeschreeuw gehoord. Met messen en lansen gewapend stonden ze nu bij het kind, klaar om het ondier aan te vallen als het aan land zou komen. Maar dat gebeurde niet”.

Slangen op het land

Ongetwijfeld zouden de lezers van de pater willen weten of er gevaarlijke slangen opdoken in de onafhankelijke staat die Leopold II in 1885 tijdens de conferentie van Berlijn persoonlijk onder zijn hoede had genomen.

Garmijn: “Er zijn er veel, maar ze duiken weg in het gras. Daarom kom je ze niet elke dag tegen.

Men kan de slangen in twee soorten verdelen: de kleine die gevaarlijk zijn om hun vergiftige beten (één slangbeet brengt na tien minuten al de dood) en de grote, die de mens doden door hem te omwinden met hun lange ringels, hem de ribben te breken, uit te rekken en ten slotte in te slikken”.

De pater, die zich in de Kongo bevond, veronderstelde dat zijn lezers nauwelijks beseften hoe een wurgslang zijn voedsel verorberde. “U denkt zeker dat zulke grote slangen, vijf tot zes meter lang, die geiten en mensen kunnen inzwelgen, een zeer grote hals hebben, ten minste zo dik als de nek van een koe?

Dat is niet het geval. Hun hals is niet dikker dan de uwe. Zelfs minder. Ik had nooit willen geloven dat zij een geit konden inzwelgen. Maar nu geloof ik het. Ik heb het immers met eigen ogen gezien”.

Garmijn gaf aan wat hij meegermaakt had. “De dorpelingen van Boeganda kwamen ons op zekere dag halen. In hun geitenkot lag een boa constrictor die onze geitenbok gepakt had.

Wij gingen kijken. Het serpent lag daar roerloos en overdik. We sloegen de slang dood en sneden die open. In zijn maag vonden wij de gehele geitenbok, met hoorns en al. Hij was helemaal met slijm overdekt en uitermate dun uitgerekt”.

Juul Garmijn was er altijd goed van afgekomen, ook met slangen. “Soms scheelde het maar weinig. Het is mij verscheidene keren gebeurd met slangen langs mijn bed te slapen. Het kan niet anders: mijn engelbewaarder heeft me terzijde gestaan als dat noodzakelijk was. Een mooie gelegenheid om hem opnieuw te bedanken.

Soms was de dood nabij, zonder dat ik het in de gaten had. Op een dag was ik mijn pijp aan het roken. Ik keek rond. Mijn ogen vielen op de oogjes van een klein, lang, groen serpent. Dat zijn de gevaarlijkste slangen. Hij zat daar gekruld op niet meer dan enkele tientallen centimeters van me vandaan.

Ik wist niet hoe snel ik maakte dat ik weg kwam. De mensen die me zagen lopen waren verwonderd van mijn verwilderde tronie. Dat deerde me echter weinig. Ik had naast de dood gezeten maar werd niet gepakt. Even later ging ik terug naar de pek des onheils, nu met een stevige stok in de hand. Mijn medemaat was echter verdwenen”.

Garmijn had nóg zo’n ervaring gehad. “Het was midden in de nacht. Een geweldig en herhaald geblaas deed mij wakker schieten. In mijn kamer kwamen geen eenden. Het moest een serpent zijn. Ik durfde niet uit mijn bed te komen uit vrees op de slang te stappen. Een zwavelken [lucifer] om het licht aan te steken had ik niet bij de hand.

In een andere kamer sliep een medebroeder. ‘Pater’, riep ik, ‘Kom eens gauw met licht. Ik geloof dat hier een slang is’.

Hij kwam. Maar er was niets meer te zien. De volgende dag heb ik samen met een groep jongens het hele huis afgezocht. In de scheidsmuur, van stro gemaakt, schoof er iets voort. Het was een slang, zo dik als een bezemsteel en een paar meter lang. Met mijn jachtgeweer schoot ik zijn hals eraf. Zijn bloed was eigenaardig van kleur: geel.

Wij trokken het beest naar buiten en zagen dat het bloed geen bloed was. Het was de dooier van een hennen-ei dat nog in de keel zat. Tot onze verwondering duwden de jongens nog tien andere eieren uit de maag van de slang. Ze waren nog ongeschonden en vers”.

De missionaris en zijn jonge helpers lieten de kans op een bijzondere maaltijd niet ongebruikt. “Van de eieren maakten wij een voortreffelijke omelette, zodat de eieren [in feite] voor de tweede keer gegeten werden. De jongens, blijde krullenkoppen, smulden de dief [slang] smakelijk naar binnen”.

Luipaarden in de bossen

Behalve in het water en op het land leefden er ook gevaarlijke dieren in de bossen, in de nabije omgeving van zijn missiepost aan de Kongo-rivier. Volgens Garmijn waren vooral de luipaarden (leeuwpaarden) te duchten, gevaarlijker dan slangen of leeuwen.

“Ze zijn bij uitstek gevaarlijk, vanwege hun bloeddorstigheid, hun lichaamskracht en hun snelheid. Zij springen als herten en klimmen de bomen in als katten. Er achter op jacht gaan is dus niet aan te raden.

Het voorzichtigste middel om die sluwe kerels te vangen is een val te zetten. Zulk een val bestaat uit een hek van stevige staken, opzij en beneden aaneen gebonden met taaie slinger-ranken. De ingang, met een valdeur, is het begin van een nauwe, lange gang. Van binnen staat er een geitje aan een staak te blaten. Het luipaard ziet dat hij buiten het hek niet bij het geitje komen kan. Voorzichtig sluipt hij er binnen. Dan valt de valdeur achter hem dicht. Verschrikt en verwoed stormt het [opgesloten] wilde dier heen en weer – met zulk een vervaarlijk getier dat het niet om aan te zien en te horen is. Men moet een dapper mens zijn om er heen te gaan en het luipaard in de smalle tussenruimte van de staken dood te schieten”.

De ‘leeuwpaarden’ deden er volgens de Vlaming alles aan om aan hun favoriete voedsel, vlees, te geraken. “Ze eten niets anders dan vlees. In het wild pakken zij reebokken, hertegeiten, wilde honden en wilde zwijnen. In de dorpen nemen zij geiten, schapen, kalveren en mensen”.

De plaatselijke bevolking was dan ook op zijn hoede. “De negers kennen hun wreedheid, hun verliefdheid op mensenvlees. ’s Nachts als zij er een gewaar worden, dat rondloert naar buit, maken ze elkaar wakker. Met speren en brandend stro in de hand schreeuwen en tieren ze. Ze lopen heel het dorp af met hun vuur – totdat het gevaarlijke dier op de vlucht slaat”.

In de Annalen van Sparrendaal, anno 1906, gaf de pater van Scheut er nog een aansprekend bewijs van dat de verhalen in zijn maandelijkse verslag niet uit de lucht gegrepen waren. Diverse bewoners van missieposten waren slachtoffers van de strooptocht van een luipaard. “Onder anderen een houtkapper in het bos. Het was tegen de avond. Twee van onze werklieden [waarschijnlijk bekeerlingen] waren staken aan het afkappen op kleine afstand van elkaar, maar zonder elkaar te zien.

Eensklaps hoorde een van hun tweeën een pijnlijke schreeuw. ‘Wat is er dan?’ riep hij zijn maat toe. Maar geen antwoord. Het bos was stil als de dood.

Een verschrikkelijk vermoeden overviel hem: ‘het is een luipaard dat mijn maat gepakt heeft’. Hij sprong het bos uit en kwam naar de missiepost gelopen.

De volgende ochtend gingen we op onderzoek uit. Onze groep bestond uit broeder De Jaegher en enige zwarten. We waren allemaal goed gewapend. Het houtgewas was dicht gegroeid. We zagen maar enige stappen voor onze voeten. Het zoeken was gevaarlijk. Het luipaard kon er zich nog steeds ophouden”.

Het dier was evenwel verdwenen. “Afgrijselijk. Daar lag het lijk. De man lag op zijn buik. Het hoofd zat nauwelijks meer aan de rest van het lichaam vast. Bovendien was er een arm af. Die vonden we enige stappen dieper in het bos”.

Voor de missionaris werd het snel duidelijk dat de neger van achteren door het luipaard overvallen was tijdens het kappen (‘de staak is voor de helft afgekapt’). “Met één slag was hij in de nek neergeveld, dan het hoofd afgetrokken en de darmen eruit genomen. Een droevig schouwspel! Maar wij moesten ons weghaasten. Het lijk werd vergaard, in palmbladeren gewonden, naar de missiepost gedragen en aldaar begraven”.

In zekere zin was het meenemen van de vermoorde bekeerling een soort van wraakoefening. “Op de avond van die dag weergalmden het bos en de aanpalende heuvels van het woedende gehuil van het luipaard. Het zocht zijn aas en vond het niet”.

Zo kon de pater nog veel meer verhalen vertellen. Hij stipte er nog ééntje kort aan. “Een meisje werd door een luipaard gepakt. Het arme kind was water uit een put gaan halen. Toen men het ging zoeken, vond men niets anders meer dan een aarden pot en wat bloed”.

Stof genoeg om over te berichten

Juul Garmijn wist van geen ophouden. Hij schreef over nijlpaarden, die hij waterpaarden noemde, over leeuwen, olifanten, apen, mieren, vogels, vissen, sprinkhanen enzovoort. Het werd tijd om andere onderwerpen aan de orde te stellen. “Hier scheid ik uit met te spreken over de dieren in den Kongo. Het wordt te lang”, was de boodschap voor de abonnees op het missieblad.