Brief uit de missie 91: Wereldmissie na de Tweede Wereldoorlog

0
856

Na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) veranderde er heel wat op aarde. Het Westen was zijn superioriteit voor een groot deel kwijt geraakt. In Azië en Afrika maakten voormalige koloniën zich los van Europa en de Verenigde Staten van Amerika. Niet-westerse religies konden zich makkelijker manifesteren. Voor de paters, broeders en zusters in den vreemde brak een nieuw tijdperk aan.

In oktober 1957 verscheen niet voor niets een ‘actie-nummer’ van de Katholieke Missiën.

Indonesië

Het maandblad gaf voorbeelden van de ontstane moeilijkheden. Zoals in het inmiddels onafhankelijke Indonesië van Soekarno. “De missie heeft rekening te houden met de overgevoeligheid van het nationalisme. Stel het geval dat alle financiële steun, die de missie in Indonesië ontvangt, enkel uit ons land zou komen. Dan zou dit voor Indonesië uiterst moeilijk te accepteren zijn”. De financiering van de missie moest voortaan anders aangepakt worden.

In het algemeen zou je het als volgt kunnen aanduiden: “Als logisch noodzakelijke consequentie van de loop der historische gebeurtenissen heeft de missie in het verleden in vele gebieden moeten aanleunen tegen westers gezag – in vele gevallen tegen de ‘koloniserende’ mogendheden. Daardoor kreeg het missiewerk – en helaas niet altijd ten onrechte – het stempel een aangelegenheid van het moederland te zijn”.

De conclusie was duidelijk: “Deze opvatting moet, ook waar het gaat om financiële steun, kost wat het kost doorbroken worden”.

Kameroen

Op dat moment maakte men zich in Rome nogal wat zorgen over de situatie in Kameroen, een gebied waar vóór de oorlog Franse en Britse missionarissen actief waren geweest. Ze hadden de plaats ingenomen van Duitse paters, wier landgenoten tijdens de Eerste Wereldoorlog verslagen waren. Voor de tot het katholicisme bekeerde inwoners van Kameroen was het leven er niet eenvoudiger op geworden. “De katholieke scholen moeten alles op alles zetten om de strijd tegen de mohammedaanse (islamitische) infiltratie vol te houden”.

Tegenspoed

Tegenspoed heerste in die tijd. Die te bestrijden vroeg ieders aandacht. Het was dringend noodzakelijk nieuwe seminaries te bouwen. Een nieuwe generatie priesters moest immers de rol overnemen van westerse geestelijken.

De schade als gevolg van oorlogshandelingen en natuurrampen moest bestreden worden. Katholieken, uit communistische landen gevlucht, hadden hulp nodig. Tehuizen voor katholieke Aziaten en Afrikanen, die aan universiteiten in het Westen studeerden, waren zeer gewenst.

Wereldwijde aanpak gewenst

Dit soort zaken vroeg om een wereldwijde aanpak. “Het zal niet nodig zijn te betogen, dat een dergelijke grootse hulpverlening alleen maar mogelijk is vanuit een centraal punt, waar giften uit heel de katholieke wereld samenstromen”.

Met instemming citeerde de redactie van Katholieke Missiën hetgeen Tweede Kamer-lid De Vink op 12 juni 1957 had gezegd naar aanleiding van de besteding van 25 miljoen gulden voor ‘minder ontwikkelde gebieden’:

“De minder ontwikkelde gebieden, die zo overgevoelig zijn in hun pas verworven politieke onafhankelijkheid, ervaren bilaterale hulp (hulp van één land aan een ander) terecht of ten onrechte vaak als een nieuwe vorm van afhankelijkheid – een gedachte die sterk van communistische zijde wordt aangewakkerd”.

Centrale rol van Rome

Hoe je het ook wendde of keerde, Rome, de piepkleine stadstaat van de Heilige Stoel, had een centrale rol te vervullen in de ondersteuning van de katholieke missie. Frankrijk dat vooral om prestigieuze redenen bijna een eeuw lang het voortouw had genomen, moest die rol voortaan overlaten aan de paus in het Vaticaan. De macht van Frankrijk had door het verlies van bijvoorbeeld Indochina (Vietnam, Laos, Cambodja) en diverse gebieden in Afrika, een flinke klap gekregen.

“Van de vele genootschappen die in de vorige eeuw, met name in Frankrijk, ontstonden ter ondersteuning van de missies, heeft de Kerk er drie tot haar genootschappen gemaakt en het predikaat ‘pauselijk’ verleend.

Dit moet gezien worden als een grote morele steun voor deze drie, die zich krachtens hun doelstelling richtten tot missies in het algemeen”.

Die rol konden de Fransen niet meer spelen. Rome ‘annexeerde’ het genootschap tot Voortplanting van het Geloof (Propagation de la foi), de Heilige Kindsheid (Sainte Enfance) en het Sint Petrus Liefdewerk.

De paus, Pius XII (r. 1939-1958), wendde zich tot de bisschoppen. “Allernauwst met Christus verbonden en met Zijn plaatsbekleder op aarde, moet gij, eerbiedwaardige broeders, trachten te delen in die zorg om alle Kerken, die op Onze schouders drukt. Gij moet U bewust zijn dat gij tezamen met Ons de zware plicht hebt om het evangelie te verbreiden en om de Kerk in de gehele wereld te stichten, en moogt niet nalaten om te zorgen, dat onder geestelijkheid en volk de geest van gebed zich verspreide, en de ijver om elkaar hulp te brengen, volgens de maat van de liefde van Christus”.

Ondanks de dekolonisatie, die inmiddels in volle gang was, bleef Rome zich inzetten voor de verbreiding van het katholieke geloof, waar ook ter wereld. Frankrijk was, zoals gezegd, niet meer bij machte bij dat proces de rol van vaandeldrager te vervullen. Het Vaticaan had zelf de leiding in handen genomen.

Steun gevraagd

De Heilige Vader riep meteen op tot steun. Er was geld nodig. Het laatste jaar was 82 miljoen gulden aan de missie geschonken. “Inderdaad een respektabel bedrag. Maar is het niet zo dat we de betekenis van een bedrag alleen maar kunnen beoordelen, als we weten door wie het bij elkaar gebracht werd en waarvoor het bestemd is?

Dat dit bedrag het resultaat is van de bundeling van het minimum, dus de katholieke gemeenschap die rond 450 miljoen leden telt, moet iedereen tot nadenken stemmen. Tot nadenken komt ook eenieder die enig idee heeft ‘wat alles kost’. We roepen u hierbij in herinnering dat het gaat om de steun aan ruim 700 missiegebieden”.

De suggestie was duidelijk: iedereen, dus ook Nederlandse katholieken, konden best wel wat meer bijdragen voor de missie in de ontzaglijk grote wereld.

Sint Petrus Liefdewerk

In een missie-encycliek wees Pius XII speciaal op het Sint Petrus Liefdewerk. “De ongemakken van te weinig apostelen [missionarissen] worden bijna altijd tot het onmetelijke verzwaard door het gebrek aan geldelijke middelen”.

Meer gespecificeerd: “Het liefdewerk heeft tot taak gelden bijeen te brengen voor 104 groot-seminaries met 4.530 studenten en 282 klein-seminaries met 18.325 leerlingen – 1.730 studenten studenten méér dan vorig jaar. Hiervoor is een bedrag nodig van tegen 25 miljoen. Ook na een belangrijke subsidie van de Voortplanting des Geloofs is er nog een tekort van vier miljoen om aan de allernoodzakelijkste aanvragen te kunnen voldoen”.

De paus stelde het als volgt: “Moeten de jongens, die door het plan van Gods Voorzienigheid geroepen worden, in kleiner aantallen worden aangenomen, evenredig aan de te weinig ontvangen hulp? Moet een groot aantal jonge mannen – die vurig naar het priesterschap verlangen en de beste verwachtingen wekken – uit gebrek aan geld uitgesloten worden?” Dat was al gebeurd, wist Pius.

De redacteur van Katholieke Missiën wond zich een beetje op. “Wie kan achteloos voorbijgaan aan hetgeen Zijne Heiligheid in ‘Fideo donum’ schreef: ‘Hoeveel en uitstekend werk zou een missionaris, die door gebrek aan middelen in zijn apostolisch werk belemmerd wordt, niet kunnen doen met het geld dat een of andere christen niet zelden besteedt aan vluchtig genot!”

Heilige Kindsheid

De Kerk had een opvoedende taak, werd in hoofdletters aangegeven. Daarom was steun aan de Heilige Kindsheid meer dan ooit nodig. In het verleden werden met het binnenkomende geld kinderen soms (vrij)gekocht en los van hun familie voor een katholieke toekomst opgevoed. Dat soort idealen werden niet meer genoemd.

In het artikel kon je lezen: “Sinds de in 1951 herziene statuten heeft de H. Kindsheid de vorming van het missiegeweten der katholieke kinderen tot doelstelling. Dankzij hun gebeden, verstervingen en aalmoezen is het mogelijk hulp en een christelijke opvoeding aan de kinderen in de missiegebieden te geven”. De methode werd in 1957 dus vaag gehouden.

De rol van Nederland

Th. M. Bours, landelijk secretaris van de H. Kindsheid, vergeleek de situatie in 1957 met die van 1917, veertig jaar eerder. Nederland had het zo slecht nog niet gedaan. Bij de Voortplanting des Geloofs was in 1956 bijna 750.000 gulden opgehaald. Vóór de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) lag dat bedrag rond de 30.000 gulden. Bij de H. Kindsheid: 212.000 tegenover 86.000 gulden. Bij het Sint Petrus Liefdewerk 254.000 tegenover 42.000 gulden. Dat waren globale getallen.

Was dat geen reden tot tevredenheid?

“Bovenstaande cijfers motiveren op het eerste gezicht een volmondig ‘ja’. Maar een nadere beschouwing geeft reden tot twijfel.

Bezien we het algemene lidmaatschap dan blijkt dat slechts ongeveer 25 procent van de katholieken lid is van de Voortplanting des Geloofs, 20 procent van het Sint Petrus Liefdewerk en 60 procent van de H. Kindsheid. Dit laatste genootschap steekt dus zeer gunstig af. Van de beide andere moeten wij zeggen dat we nog ver af zijn van een algemeen lidmaatschap!

Een tweede factor is de geldontwaarding [inflatie]. Bovendien mogen we niet vergeten dat sinds de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog het aantal katholieken in ons land verdubbeld is”. Als je dat onder ogen hield was de groei van de inkomsten helemaal niet zo spectaculair.

Op weg naar een algemene deelname

De bisschoppen en geestelijken in iedere parochie hadden een taak, aldus Bours: de uitbouw van en bezieling ten bate van de missie-genootschappen. De gewone gelovigen moesten volgzaam zijn en gehoor geven aan de oproep van de bisschoppen. “We denken hierbij met name aan de actie om de kinderen bij het verlaten van de lagere school te doen overschrijven van de H. Kindsheid naar de Voortplanting des Geloofs. Deze actie wordt aanbevolen en is al enige tijd geleden ingezet”.

Een mooi marketing-idee. Met dat streven zou het lidmaatschap van de ‘Voortplanting’ geleidelijk aan groeien van 25 naar 60 procent van de katholieken in Nederland. “Als dit in alle parochies een traditie zou worden, is een belangrijke stap gezet naar algemene deelname”.

Bours eindigde zijn betoog dan ook met: “Moge de toename van het aantal parochies, die deze richtlijn volgen, een van de resultaten zijn van de pauselijke missie-intentie van deze maand”. Alle katholieken in Nederland zouden lid moeten zijn van (eerst) de Heilige Kindsheid en (vervolgens) de Voortplanting des Geloofs en Sint Petrus Liefdewerk.

Het verzoek kwam niet meer uit Parijs, maar voortaan van de paus zelf. In 1957 nog Pius XII, een jaar later Johannes XXIII.