Brief uit de missie 120: Jan Baptist Palinckx in gevaarlijk Borneo (1861)

0
749
handgeschreven brieven

Jan Baptist Palinckx werd op 28 november 1824 in Nieuw-Vossemeer, het westen van Noord-Brabant, geboren. Als jongeman voelde hij zich geroepen tot het priesterschap en trad toe tot de sociëteit van Jezus, de Jezuieten. Tijdens zijn studie fungeerde hij op het kleinseminarie te Culemborg als surveillant. De in 1900 vermoorde bisschop-martelaar Hamer maakte hem in die hoedanigheid mee.

In 1859 werd Jan als eerste Nederlandse Jezuiet naar Indië uitgezonden en belandde in Soerabaja op de oostkust van het eiland Java. Een jaar na zijn aankomst in de stad, waar zich duizend katholieken ophielden, werd de Brabander naar Borneo gestuurd.

Op dat gigantische eiland hadden de Nederlanders een einde gemaakt aan een sultanaat en het gebied achter de havenstad Banjermasin tot Nederlands territorium verklaard. Op diverse plaatsen in het oerwoud had men er vanuit Batavia troepen in houten forten (bentengs) gestationeerd om de bevolking in toom te houden. De pater uit Nieuw-Vossemeer, 35 jaar, kreeg opdracht er heen te gaan en van zijn reis verslag te doen. Zijn met de hand geschreven relaas kwam in een Maastrichts archief terecht, waar Henk Smeets het in 2005 voor een publicatie opdiste.

Voorbereidingen

Het zou een uiterst gevaarlijke onderneming worden werd Palinckx vóór vertrek goed duidelijk gemaakt. Op 26 september 1860 noteerde hij immers: “Afscheid van vrienden en kennissen. Allen meenden dat ik een zekere dood tegemoet ging. Ze raadden mij ten sterkste aan een revolver en een dolk mee te nemen”.

De priester had een andere visie: “Een missionaris stelt zijn vertrouwen op God en heeft geen ander wapen nodig”. Hij nam dan ook niet veel mee: “Een koffertje voor de kerkbenodigdheden, dito voor het ondergoed, een zakje met boeken, een reishoed en een stok”.

De reis

Bij een temperatuur van 39 graden in de schaduw nam de pater plaats op de schroefboot die hem en een groep van kanonnen voorziene militairen in noordelijke richting naar Borneo bracht. Palinckx vond dat hij geluk had. Tot voor kort ging de reis nog per zeilschip en nam soms twee volle maanden in beslag. Nu kon hij al binnen een paar dagen, alvorens aan wal te stappen, zich in een kort gebed tot God richten dat iedereen in goede welstand was aangekomen. Die dag nog legde de geestelijke vast: “Het oorlogstoneel is betreden”.

Het werk

Wat doet een missionaris op zo’n plek?

Palinckx: “Ik heb alle militaire autoriteiten een bezoek gebracht. Het rijk [van sultan Adam] bij Banjermasin is vervallen verklaard en aan de kroon van Nederland geannexeerd. Ik bezocht de hospitalen waar ik tweehonderd zieken en gewonden aantrof. Ik diende hun de heilige sacramenten toe”.

De volgende dag maakte de missionaris bekend dat hij bereid was de gezonden in staat te stellen aan hun verplichtingen als rooms-katholiek te voldoen. Bovendien was hij in de gelegenheid kinderen te dopen en te onderrichten. Kinderen van gesneuvelde militairen kon hij op zijn terugtocht eventueel meenemen om ze ter verpleging naar het katholieke ziekenhuis van Semarang [midden Java] te zenden.

In de kazerne van Banjermasin sprak de Jezuiet met de daar aanwezige soldaten, die hij omschreef als het ‘schuim van Europa’. Het waren huurlingen uit allerlei landen die eerder tijdens de Krimoorlog (1853-1856) van de partij geweest waren.

Tijdens zijn aanwezigheid was er ‘algemene vreugde’ in Banjermasin. Het bericht kwam namelijk binnen dat een voorname vertrouweling van de afgezette sultan, door gebrek gedwongen, de wapens neergelegd had.

Expeditie

Besloten werd om troepen naar het nieuwe Nederlandse territorium af te vaardigen. Palinckx ging mee. “Om 8 uur vertrokken wij met muziek voorop. Met de hoed in de ogen, de stok in de rechterhand, brevier onder de linker arm, stapte ik bedaard voorwaarts”.

De militairen namen gevangenen mee die in het binnenland als voorbeeld in het openbaar gestraft zouden worden, met stokslagen of zelfs ophanging. Het gezelschap reisde per boot. “In het donker zagen wij de bewoners met fakkels in de hand aan de oever verschijnen. Sommigen schreven dit aan eerbetoon toe”.

De volgende avond hadden de mannen aan boord andere ervaringen. “Borneo is berucht om zijn muskieten. Wie het niet heeft meegemaakt kan er zich geen denkbeeld van vormen. De ene zwerm van die lastige dieren volgt de andere. Zij lieten ons geen rust. In minder dan een kwartier waren handen, voeten en lijf vol met bulten. Wij waren genoodzaakt het licht uit te doen en kruit te branden om enige verlichting te vinden. Zelfs tussen de muskietennetten konden wij geen rust vinden. De nacht werd slapeloos doorgebracht. Met blijdschap ontmoetten wij de morgenstond”.

Amonthaij

Op 5 oktober arriveerde Palinckx te Amonthaij. Rustig was het er nog niet. “Tijdens mijn verblijf werd er nog dapper gevochten. We bevonden ons temidden van een vijandig volk”.

Het gezelschap was maar al te blij dat er een fort was waar men kon vertoeven. “Met hartelijkheid werden wij door majoor De Rochemont de benteng binnen geleid. Het is een vierkant dat omgeven wordt door een droge sloot. Daarin zijn puntige bamboestokken geplant en vervolgens een rij klapperbomen”.

Opnieuw bezocht de pater de zieken en de volgende ochtend droeg hij de mis op. “Om zeven uur kwam de bezetting met volle muziek. Men schikte zich in een halve cirkel rondom het altaar: een tafel, een lege jeneverkist, waartegen de kanonnen rusten en waarop het kruis met de kandelaars stond”.

In het verslag waren details te vinden. “Bij soortgelijke diensten wordt drie maal gepreekt: vóór de mis, na het evangelie en nadat de dienst is afgelopen. Voor mij stonden 180 soldaten waaronder Krimgasten en Garibaldianen [Italianen] – tussen die woeste gezichten tevens enige ranke jongelingen met een edel gelaat, die het wellicht thuis te goed hebben gehad.

Allen hadden geladen geweren met de bajonetten erop in de arm. De kanonniers stonden met de lont in de hand bij de met schroot geladen stukken. De wachten en posten waren verdubbeld”.

Zo’n mis, te midden van alerte militairen, had de Brabander nog nooit meegemaakt. Nadat hij een aantal kinderen gedoopt had, informeerde hij bij de kommandant of dat allemaal wel nodig was geweest.

Het antwoord was duidelijk: “Zulks was uit voorzorg geschied. De volgende morgen zou een hoofdmuiteling, die ter plaatse veel aanhang had, opgehangen worden. Men vreesde dat de oproerlingen van de heilige mis gebruik zouden maken om de benteng te bestormen”.

Op 7 uur ’s morgens werd het vonnis inderdaad voltrokken. “Ibrahim, die beweerde in rechte lijn van Mohammed af te stammen, werd opgehangen. Zes anderen werden met rottingslagen gestraft”.

Missiereis

Na het bezoek aan Amonthaij trok Palinckx verder het binnenland in, steeds vergezeld door tientallen militairen in Nederlandse dienst. Aldus begeleid reisde de pater per prauw. Het roeien werd aan ‘inlanders’ overgelaten.

Bij aankomst in Barabei-ei werd hij aangenaam welkom geheten. “Zestig inwoners omgaven mij. Ze boden me kokosnoten en rijst aan. Omdat ik al uren niets meer gebruikt had nam ik het aanbod met genoegen aan. Maar een luitenant, met revolver en degen in de hand, vloog naar mij toe. Hij riep: ‘Niet eten!’, dreef de inlanders terug, trok een militair cordon om mij heen en gebood de soldaten te vuren op elke inlander die in de buurt kwam”.

De missionaris, die zich over de rechtmatigheid van het Nederlandse optreden überhaupt niet wilde uitlaten in zijn verslag, vroeg om uitleg van die wrede behandeling. Ze hadden hem toch zo vriendschappelijk bejegend en hem te eten gegeven.

Van de luitenant hoorde hij: “De vriendschap was slechts een voorwendsel om mij te vermoorden of vergiftigen. Een paar dagen eerder waren een korporaal en vier soldaten, die eveneens vriendschappelijk bejegend waren, om het leven gebracht. De bewoners van de streek brachten bovendien door middel van een haarfijn bamboe-stokje een sterk vergif in de vruchten die langs de weg staan. Komen de soldaten dan binnen 24 uur voorbij en eten zij van de vruchten, dan zijn zij het slachtoffer van een verschrikkelijke dood”.

De onderdanen van koning Willem III trokken vele honderden kilometers het land binnen. Het bleef gevaarlijk. “Voorop marcheerden enige soldaten die de voorhoede uitmaakten, allen met het geweer in de hand, de haan overgehaald. In het centrum bevond zich de bagage die op wagens werd voortgetrokken. De officieren liepen met revolver en degen in de hand. De overige soldaten vormden de achterhoede. Ondergetekende bezat geen ander wapen dan zijn vertrouwen op God”.

In een uitgestrekte vlakte ontwaarde de missionaris een heuvel met bovenop een kruis, het ‘teken des heils’ in die wildernis. “Ik verliet de kolonne. Er heen lopen was het werk van een ogenblik. Het kruis was omgeven door een hek dat drie graven omsloot”. In het Frans werd gevraagd om voor de omgekomen grenadiers te bidden. Priez pour le repos de leur âme. “Volgaarne voldeed ik aan dat verlangen”.

Af en toe gaf Palinckx een beschrijving van de omgeving. “Tijdens het varen op de rivieren hadden wij de natuur in de verte aanschouwd. Thans waren wij getuige van de krachtige vegetatie van Borneo. Wij wandelden onder hoge palm- en kokosbomen, dan door bossen van sago- en oranjebomen, kruidnagelen, nootmuskaat, indigo en peper. Nu en dan zagen wij ondoordringbare bossen van waringen, tamarinden, onbekende gewassen en heesters die allen van verbazing deden stilstaan.

Dit prachtige toneel werd afgewisseld door verlaten en afgebrande dorpen (kampongs), waar uitgeteerde honden zwierven die tevergeefs naar voedsel zochten en bij onze aankomst een jammerlijk gekerm aanhieven”.

Overal waar Nederlandse troepen gelegerd waren, trad de priester op om de heilige sacramenten toe te dienen, de mis op te dragen en zieken en gewonden te bezoeken.

Overmoedig?

Palinckx had lef, wellicht omdat hij op hulp van boven vertrouwde. Diverse malen werd hem door de autoriteiten duidelijk gemaakt worden dat uitstapjes die op zijn lijst stonden veel te gevaarlijk waren. Maar zo lang hij deed wat binnen de grenzen van de mogelijkheid leek kreeg hij militaire steun, bijvoorbeeld bij een tocht van Martapoera naar Tanah Laut. “Deze weg zou te voet worden afgelegd”.

De missionaris kreeg een speciale behandeling. Hem werd een paard ter beschikking gesteld.

Over die tocht noteerde Palinckx: “Op mars onder een geleide van twaalf soldaten, een korporaal, een sergeant met acht koelies die de bagage droegen. Als ganzen liepen wij achter elkander aan over een smal voetpad.

Vier uur later kwam de soldaat bij mij staan en verklaarde dat hij niet wist waar wij waren. Ook wist hij niet hoe we konden terugkeren of waar we heen moesten. Hij voegde eraan toe dat wij niet zonder gevaar waren, daar wij wellicht op kampongs konden stuiten waarvan de bevolking nog niet onderworpen was”.

Vertwijfeld beseft de ontdekkingseiziger: “Een aardig gevalletje, in een wildernis van 1200 mijlen in het vierkant verdwaald te zijn, zonder kompas. Bovendien wemelde het van muskieten, slangen, wilde varkens en beren”.

De koelies werkten niet mee. “Zij zeiden de weg niet te kennen”.

Even leek er hulp te zijn. “Twee inlanders kwamen uit het bos. Zij werden geroepen”.

Toen het tweetal eveneens verklaarde de route niet te kennen, grepen de militairen in. “Overtuigd dat zij het wisten, zei de sergeant dat hij hen onmiddellijk met bajonetten zou doden, als ze ons niet verder zouden brengen”.

Het dreigement leek te helpen. “Zij beloofden ons toen alles te zullen doen wat wij verlangden en gingen vooruit. Zij brachten ons over bergen, door bossen, langs ravijnen, diepe kreken en twee rivieren, de een diep en breed, de ander zeer snel stromend”.

De grootste kwelling was een moeras, waar het gezelschap onder leiding van de twee gevangen genomen inwoners van Borneo doorheen moest. “Loodrecht schoot de zon haar stralen op ons neer. Mijn paard zakte tot aan de buik in de modder. Ik was genoodzaakt van mijn paard af te stijgen. De manschappen waren genoodzaakt elkaar nu en dan uit de drabbige grond te trekken. Schoenen, broek, toog, alles was bemodderd en scheurde stuk omdat ik van het ene bosje op het andere sprong en niet zelden aan de doornen bleef hangen”.

De ondernemende missionaris kreeg tevens te maken met bloedzuigers die zich uit bomen lieten vallen. “Nauwelijks zijn zij neergevallen of zij kruipen tussen de kleren en hechten zich overal vast. Rukt men ze los dan begint de wond onmiddellijk te zweren. Men is genoodzaakt ze te laten zuigen totdat zij van het lichaam vallen”.

Na een lange tocht bereikten de Nederlanders een benteng, waar een menigte landgenoten kort daarvoor vermoord was. “Wij vernamen dat de ‘gidsen’ ons misleid hadden. Op tien minuten afstand was een goed-begaanbare weg”.

Verder ging het. “Onderweg stortten vier koelies en drie soldaten van vermoeidheid neer. Die dag zat ik tien uur te paard en liep twee uur door het moeras. Aan het einde van de dag was ik uitgeput. Met een hevige steking in de lever viel ik neer. Half bewusteloos bleef ik tot halverwege de volgende dag liggen”.

Even veilig en dan weer door

De Jezuiet slaagde er na zijn verkenningsreis in weer heelhuids Banjermasin te bereiken en terug te keren naar Soerabaja, van waaruit hij vertrokken was. Daar hoorde hij dat hij twee weken later een nieuwe reis moest gaan maken. Aan het einde van een pagina’s lange rapportage schreef hij aan zijn overste: “Wat een brief! Hij zal u wel verveeld hebben. Van de nieuwe reis zal ik een minder langdradig verslag doen geworden”…

De missionaris overleefde al zijn reizen. In 1865 werd hij tot pastoor in Yogyakarta benoemd. Op 1 mei 1900 (terwijl in China de Bokseropstand woedde en in zuidelijk Afrika de Boerenoorlog) overleed de Brabander op 75-jarige leeftijd in Batavia, het huidige Jakarta.

Literatuur

Verslag van een togt door de binnenlanden van Borneo door den weleerw. heer J. Palinckx, missionaris te Soerabaya aan een zijner eerw. vrienden in het moederland gegeven, Arnhem, zj
‘Pastoor J.B. Palinckx’, Katholieke Missiën, 1900
Henk Smeets, Paters in de Oost. Brieven uit Indië 1859-1883, Zutphen 2005