Aswoensdag

    ‘Gedenk, mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren’.

    Op de eerste dag van de Veertigdagentijd krijgt de gelovige van de priester in de Mis een askruisje op het voorhoofd. Daarbij zegt de priester doorgaans:’Gedenk, mens, dat je stof bent en tot stof zult wederkeren’ (verwijzend naar de uitspraak van God na de zondeval over de mensheid), of “Bekeer u en leef volgens het Evangelie”.

    Het as is afkomstig van verbrande palmtakjes van het voorgaande jaar. De asoplegging geeft het verlangen aan om zich af te keren van begeerten en dromen, verslavingen in welke vorm ook.

    Aswoensdag is na de vastenavond, het afscheid van het carnaval. Carnaval, dan niet als volksfenomeen, komt van het Latijnse ‘carnem levare’ wat staat voor het wegnemen van het vlees.
    Op die woensdag wordt nog wel teruggeblikt op het carnavalsfeest, geregeld met een broodje haring in de hand (het ‘Haring happen’). Tijdens de vastentijd was het gewoon om geen vlees te eten (maar wel vis).

    Aswoensdag is, net als Goede Vrijdag een verplichte vasten- en onthoudingsdag voor katholieken, als onderdeel van de vijf Geboden van de Kerk. Dit betekent dat alle gedoopten tussen 18 en 60 jaar gehouden zijn op die dagen slechts één volledige maaltijd te nemen, waarbij geen vlees mag worden gegeten.