In het Kerkelijk Wetboek wordt in artikel 349 tot en met 359 gesproken over kardinalen. Kardinalen worden gecreëerd door de paus om een college te vormen dat als belangrijkste taak heeft een nieuwe paus te kiezen, wanneer de zetel van de bisschop van Rome vacant is geworden.

De paus roept een vergadering van het college van kardinalen bijeen, het zogenaamde consistorie. Meestal worden in dergelijke bijeenkomsten de nieuwe kardinalen gecreëerd. De kardinalen worden onderscheiden in:

De nieuwe kardinalen leggen bij hun creatie een eed af:
“Ik [naam], kardinaal van de Heilige Kerk van Rome, beloof en zweer van nu af tot mijn dood altijd trouw te zijn aan Christus en zijn Evangelie en voortdurend gehoorzaam te zijn aan de Heilige Roomse Apostolische Kerk en aan de Heilige Petrus in de persoon van de Opperpriester Benedictus XVI (de naam van de paus ten tijde van het afleggen van de eed) en zijn wettig gekozen opvolgers; en ik beloof en zweer altijd de gemeenschap met de Katholieke Kerk te bewaren, in woord en gedachte; geen geheimen die aan mij werden toevertrouwd te onthullen, noch zaken die de Heilige Kerk kunnen beschadigen of onteren; met grote ijver en trouw de taken uit te voeren waartoe ik bij mijn dienst aan de Kerk geroepen ben in overeenstemming met de wet. Zo helpe mij God Almachtig.”

Kardinalen kunnen van overal uit de wereld afkomstig zijn. Vaak zijn het bisschoppen van een belangrijke kerkprovincie of een oude bisschopszetel. Daarnaast zijn vaak de hoofden van de Romeinse Curie-afdelingen kardinaal.

Het kerkelijk Wetboek zegt in artikel 351 dat kardinalen “uitzonderlijk zijn in de kerkelijke leer, waardigheid, geloof en prudent in praktische zaken”. Iemand moet ten minste diaken zijn om kardinaal te kunnen worden. Paus Paulus VI bepaalde al dat een leek nimmer kardinaal kan worden. Paus Johannes Paulus II bepaalde voorts dat men ten minste bisschop moet zijn om kardinaal te kunnen worden.

Bij het Congres van Wenen is aan kardinalen de status van prins van de Apostolische stoel gegeven, ofwel prinsen van de kerk. In het diplomatieke verkeer wordt in het protocol de kardinaal als zodanig tegemoet getreden. In deze hoedanigheid worden kardinalen ook beschouwd als mogelijke troonopvolgers.

Kardinalen worden opgenomen in de clerus van het bisdom Rome en krijgen daar een parochiekerk aangewezen; de zogenaamde titelkerk. Zo is de San Clementekerk de titelkerk van kardinaal Simonis en de Sint Anastasia van kardinaal Danneels. Kardinalen worden dan ook geacht regelmatig in Rome aanwezig te zijn. Een kardinaal heeft het recht in zijn eigen titelkerk begraven te worden. Bij het beheer van de titelkerk heeft hij echter alleen de status van beschermheer; hij kan niet zelf bestuurshandelingen verrichten.

Een kardinaal heeft het recht om overal in de wereld biecht te horen. Normaal mag een priester, indien hij de bevoegdheid heeft gekregen om biecht te horen, alleen in de aan hem toegewezen gebieden deze taken uitvoeren. Een kardinaal moet echter wel, wanneer hij elders is, aan de plaatselijke bisschop toestemming vragen om in het openbaar de H. Mis te lezen. De titel kardinaal wordt gevoerd tussen de voornamen en de achternaam, dus bijv. Adrianus Kardinaal Simonis. De aanspreekvorm voor een kardinaal is eminentie.