Mandala is een Sanskriet woord. Het betekent cirkel. Een mandala is een geometrisch patroon dat het Goddelijke, of de kosmos weergeeft. Het is een oeroude meditatietechniek. In zowel het hindoeïsme als het Tibetaans boeddhisme komt de mandala tekentechnieken vaak voor.

Vanuit het esoterisch christendom en bij meditatietrainingen in de Benedictijnse en Franciscaanse spiritualiteit, wordt aandacht besteed aan de verbinding van oosterse spiritualiteit met de christelijke. Volgens sommige opvattingen zijn roosvensters (uit de gotische kerkarchitectuur) voorbeelden van mandala’s in het christendom.

Een mandala tekenen wil zeggen: tekenen binnen een afgebakende ruimte. Binnen de omtrek van een cirkel. De cirkel stelt de ruimte voor waarbinnen je jezelf als eenheid kunt beleven, zonder inmenging van buitenaf. Het zijn cirkelvormige voorstellingen die in vele culturen en godsdiensten op symbolisch, beeldende wijze heelheid, volmaaktheid of ook eeuwigheid uitdrukken. Het verwijst naar het alomvattende, het heilige of het goddelijke. Van binnenuit laat je jezelf naar buiten tot bloei komen en van buitenaf krijgen ervaringen binnen weer een plek.

Een mandala, en in het bijzonder het midden, kan tijdens de meditatie worden gebruikt als object om de aandacht op te richten. Carl Jung zag de mandala als voorstelling van het onbewuste.

Er bestaan verschillende vormen van mandala’s.
Elke cultuur brengt een eigen stijl en traditie voort, die overeenkomt met de daar geldende levensomstandigheden. Het is in de eerste plaats een meditatiemiddel om dicht bij jezelf uit te komen of om op het wezenlijke of het goddelijke gericht te worden. Er zijn voorgetekende mandala’s die je zelf kan inkleuren bij wijze van meditatie en verinnerlijking.