Veertigdagentijd, Pasen, tot en met Pinksteren

    De Veertigdagentijd begint op Aswoensdag tot aan de avondmis van Witte Donderdag in de Goede Week. Het is de periode van veertig dagen voor Pasen, waarbij de zondagen niet mee worden meegerekend, omdat er dan niet wordt gevast.

    Het is de liturgische tijd als voorbereiding op het hoogfeest van Pasen; het hoogtepunt van het christendom. De gelovigen worden voorbereid op de viering van het paasmysterie bijvoorbeeld via de doopvoorbereiding of de aandacht voor de doopbeloften en boetvaardigheid. De Veertigdagentijd is ook een periode van loutering, bijvoorbeeld door inkeer (biecht, bezinning op het eigen gedrag) en het uiten van naastenliefde, of het doen van goede werken.

    Vergelijk in Nederland de Vastenaktie of in Vlaanderen Broederlijk Delen. Op deze reden wordt de Veertigdagentijd ook vastentijd genoemd. Centraal staat het afstand doen van begeerte van het materiële, zoals rijkdom. Officieel zijn er twee vastendagen: Aswoensdag en Goede Vrijdag. Het zijn dagen waarop één volledige maaltijd wordt genuttigd en bij voorkeur geen vlees en sober wordt gegeten.
    De Veertigdagentijd duurt 6 zondagen. De eerste heten eerste, tweede, derde, vierde en vijfde zondag van de veertigdagentijd; de laatste is Palm- of Passiezondag en is het begin van de Goede Week. Dan wordt het passieverhaal verteld. De veertig dagen komen voort uit het verblijf van Jezus in de woestijn, als voorbereiding op zijn zending.

    Om de vasten- of Veertigdagentijd te begeleiden schrijven de bisschoppen een vastenbrief aan de gelovigen. De Paus schrijft zijn vastenboodschap.

    Lees ook: