Kim de Wildt & Rob Plum

Geheel tegen de verwachting in lijkt het vuur van katholieken in Nederland nog niet gedoofd. De verwachting die kardinaal Eijk uitsprak dat de komende jaren alleen al in het aartsbisdom Utrecht 280 kerken zullen sluiten stuit op veel onbegrip. Overal in West-Europa waar de ontkerkelijking toeneemt en het instituut kerk kerkgebouwen sluit, roept dit bij velen — en niet slechts bij gelovigen — heftige emoties op.

Er zijn verschillende initiatieven in Nederland zoals de ‘Agenda Toekomst Religieus Erfgoed’, de ‘Taskforce Toekomst Kerkgebouwen’, of op Europees niveau het netwerk ‘Future for Religious Heritage’ (FRH) die vechten voor het behoud van religieuze gebouwen.

Vaak worden zulke projecten geïnitieerd door mensen die niet handelen vanuit hun geloofsovertuiging, maar zijn het erfgoed-specialisten, architecten en kunsthistorici die zich geëngageerd voor het behoud van ons religieus erfgoed inzetten. Op het laatste congres dat door de FRH in Halle (Duitsland) afgelopen jaar werd georganiseerd waren de stemmen van de kerken, zowel katholiek als protestants, echter ver te zoeken. Het meest opvallende in het debat om de kerksluiting is al met al deze afwezigheid van de kerken zelf: zij die voor het behoud van kerkgebouwen pleiten zijn veelal niet de kerkelijke instituties, maar vaak seculiere mensen die de waarde van het gebouw nog weten te waarderen en bereid zijn ervoor te vechten.

Wat ons opvalt in deze discussie is dat zij die sluiting van kerkgebouwen voorstaan een zeer specifieke geloofsopvatting hebben en vaak lijken te lijden aan een gebrek aan historisch besef. Als liturgie gereduceerd wordt tot de zondagse eucharistieviering, gaat men voorbij aan de liturgische rijkdom die er naast de eredienst bestaat. Een kerkgebouw is meer dan een plaats waar men slechts zondags ter communie gaat.

De enorme populariteit van kerkgebouwen onder toeristen en ook onder hen die zich uit niet-religieuze motieven voor deze gebouwen inzetten, geeft aan dat het kerkgebouw een belangrijke functie vervult die boven die van de zondagsmis uitstijgt.

Hoevelen bezoeken de kerken niet op vakantie of tijdens een dagje uit om daar een kaarsje te branden of de unieke sfeer te proeven. Ook als gebouw is de kerk een uitdrukking van onze cultuur. Als centraal ankerpunt in stad of dorp getuigt de kerk van een visie op samenleving die die van de eigen geloofsgemeenschap overstijgt: zij is open voor iedereen die de behoefte voelt om even op adem te komen in de hectiek van ons bestaan. Het is een van de laatste plaatsen in de samenleving waar even niks meer hoeft en je gewoon kunt zijn.

Doorheen de geschiedenis heeft het kerkgebouw overigens altijd al naast kerkelijke functies ook seculiere functies vervuld. Het beperken van de functie van een kerkgebouw tot de eredienst is in de kerkgeschiedenis een recent fenomeen en een verarming van de betekenis en functie van het kerkgebouw.

Het is meer dan droevig dat de pleitbezorgers voor de kerken niet ook de kerkinstituties zelf zijn, maar seculiere mensen en de nog ter kerk gaande gelovigen, die zich nu tegenover hen geplaatst zien die minstens ook de pleitbezorgers van het kerkgebouw zouden moeten zijn. De terugkeer van religie en de vormen die dit aan zou kunnen nemen, lijken deze groepen beter begrepen te hebben dan de hoeders van de traditie: niet slechts het behoud van kerkgebouwen staat op het spel, maar het recht om religie te beleven op een manier die past bij de getransformeerde vormen van geloofsbeleving vandaag de dag.

Het instituut kerk daarentegen lijkt vaak liever de koers voor te staan van het aan de eredienst onttrekken van kerkgebouwen om ze vervolgens af te laten breken, wat overigens doet denken aan een nogal magische geloofsopvatting: alsof de heiligheid van een ruimte echt verdwenen is met het uitdragen van de hostie en niets te maken heeft met de levende stenen opgebouwd uit jarenlang gebed.

Blijkbaar onttrekt men kerken liever aan de eredienst dan er functies aan toe te voegen en ze als multifunctionele gebouwen te gebruiken. Op deze wijze zou het mogelijk zijn om ook mensen die ver van de kerk staan weer te enthousiasmeren voor religie. Hierin kan het kerkgebouw een belangrijke diaconale functie vervullen.

Daar komt bij dat de argumenten tegen een uitbreiding van de functie vaak ronduit plat te noemen zijn: men wil niet dat een kerk een sekswinkel of disco wordt. Alsof dit de enige mogelijkheden zouden zijn om het gebouw te behouden! In Duitsland zijn er enkele interessante projecten te noemen die ervoor gezorgd hebben dat kerkgebouwen die niet langer levensvatbaar bleken in een andere vorm voort konden bestaan. Vaak zijn het projecten die een verbinding tussen geloof en kunst slaan en zo de voor velen aansprekende atmosfeer van het kerkgebouw weten te benutten: het Kunststation St. Peter in Keulen, of de dialoogruimte Kreuzung an St. Helena in Bonn. Hier is het kerkgebouw een ruimte waar exposities, concerten en andere culturele activiteiten ontplooid worden. Daarnaast valt ook te denken aan het gebruik van een kerk als columbarium zoals de Namen-Jesu-Kirche in Bonn, of het openstellen van de kerk als city-kerk. Al deze initiatieven respecteren de ruimte en integreren de liturgische functie van de kerk binnen dit geheel.

Niet in de laatste plaats is een kerkgebouw een uitstekend middel binnen het toerismepastoraat om diaconisch kerk te zijn en dat te doen waar het oorspronkelijk voor bedoeld is: te getuigen van een visie op leven die het particuliere overstijgt en de hele schepping omvat.

Foto: De sloop van St Michael’s Church, Devonport UK (Tony Atkin) / CC BY-SA 2.0


Kim de Wildt is wetenschappelijk medewerker katholieke faculteit in Bonn (liturgiewetenschappen).
Rob Plum is theoloog en geestelijk verzorger in de GGZ.