Een kerststal tussen kermisklanten

1
1728

In mijn stad wordt al jaren een kerstmarkt gehouden, een van de populairste van Vlaanderen en in hoog aanzien bij de Britten. Op een van de pleinen waar de kerstmarkt gehouden wordt, staat tussen de kraampjes een paardenmolen. Terwijl de volwassenen genieten van een glaasje Glühwein, een kopje chocolademelk, een borreltje Jägermeister, een broodje braadworst of een bordje tartiflette, kunnen de kleintjes rondjes draaien.

Naast die paardenmolen staat evenwel ook een kerststal. Het zijn de kermisklanten van de paardenmolen die de deze kerststal plaatsen en bewaken. Elders in de stad heeft een culturele vereniging op de binnenplaats van een historisch pand een grote kerststal gebouwd. Die kerststal stond vroeger op een van de hoofdpleinen van de stad, maar vandalen vernielden elk jaar de beelden. Nu gaat ‘s avonds de poort dicht.

Kermisklanten en cultuurmensen die zorgen voor de aanwezigheid van het kerstverhaal op de kerstmarkt, ze zouden de hedendaagse versies van de herders en de wijzen kunnen zijn. Je moet blijkbaar behoren tot een groep uit de uithoeken van de samenleving, om het echte verhaal te kunnen zien te midden van de drukte die in de herberg geen plaats overhoudt voor ‘in-zicht’.

Uit veiligheid hebben de kermisklanten bij hun kerststal een bordje in vier talen geplaatst: “Niet aanraken a.u.b.” Ook uit veiligheid verdwijnt de kerststal van de cultuurvereniging ’s avonds achter de gesloten poort, alsof het Jezuskind en zijn ouders alsnog voor de nacht in de herberg worden binnengelaten. Ook dat zijn misschien wel hedendaagse versies van Kerstmis: niet aanraken én wegstoppen.

Niet aanraken: de meeste mensen raken het echte kerstverhaal niet aan. Ze houden hun handen ervan af en spoeden zich naar de herberg. Immers, wie wordt geraakt door het bericht dat God uit zijn eeuwigheid is binnengekomen in de tijd, dat wil zeggen in het leven van de mens, moet ook zijn handen vuilmaken aan naastenliefde.

Wegstoppen: kerkmensen hebben de neiging om de kerststal op te sluiten in de gettoachtige knusheid van hun krimpende gemeenschap. Ze houden de boodschap voor zichzelf en hun gelijkgezinden. Wanneer het in hun hoofd en hun gedachten donker wordt en in kerk en samenleving koud, trekken ze heel snel de deur dicht. Bang en zwijgzaam. De herders uit het kerstverhaal kregen de opdracht om het voort te vertellen.

Herders. Die kermisklanten van de paardenmolen op dat pleintje in mijn stad zijn misschien de herders van vandaag. Zoals herders trekken ze van plek naar plek. Ze hebben geen vaste standplaats voor hun handel. Misschien zijn ze daardoor wel voldoende ‘onthecht’, niet gehecht aan een stek, om open te staan voor het mysterie van dat wondere verhaal.

Misschien zijn ze daardoor ook voldoende ‘mobiel’, zoals de herders uit het kerstverhaal, om de plek te vinden waar het Kind ligt. Misschien zijn daardoor net zo’n ‘outcasts’ als de herders uit Bijbelse tijden, zodat ze voldoende vrij zijn om de wacht te houden bij de uitgestotene van toen en nu, Gods Zoon.

Cultuurmensen. Die leden van de cultuurvereniging die zorgen voor de grote kerststal, zijn misschien wel de koningen van toen. Die koningen waren immers geen koningen, maar wijzen. Mensen die meer zagen dan wat door het rationele oog te zien was. Mensen die verder dachten dan het voorgekauwde grootgelijk. Je moet een denker zijn, om meer te zijn dan een kind van je tijd. Je moet durven zelfstandig denken, voldoende onthecht, om de wijsheid van het evangelie te kunnen begrijpen.

Zwervers en denkers zijn precies daardoor niet helemaal ‘van’ de wereld maar des te meer ‘in’ de wereld. Ze zien de spirituele honger, ontfermen zich over de verwaarloosde menselijkheid, denken na over de ultieme vragen, gaan op tocht. Wie de God van Kerstmis vindt, vindt ook de mens.

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here